Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO7965

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
341308 \ OA VERZ 10-208
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6398, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de werknemer met toekenning van een vergoeding en een tegenverzoek van de werkgever die strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van een vergoeding. De werkgever heeft daarnaast een verzoek voor het houden van een voorlopig getuigenverhoor en een verzoek tot benoeming van een deskundige ingediend.

De kantonrechter overweegt in de eerste plaats dat de ontbindingsprocedure zich niet leent voor getuigenbewijs of een deskundigenonderzoek en dat er aldus in deze zaak geen getuigen zullen worden gehoord en dat er ook geen deskundige zal worden benoemd.

Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden toegewezen nu de arbeidsrelatie onherstelbaar is verstoord. De kantonrechter ziet geen aanleiding om een andere vergoeding toe te kennen dan in de beschikking van 13 juli 2010, nu de omstandigheden sindsdien niet wezenlijk zijn veranderd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 186
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 194
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2010/299
AR-Updates.nl 2010-1018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 341308 \ OA VERZ 10-208 (SEK)

Uitspraakdatum: 12 oktober 2010

Beschikking in de zaak van:

[naam], wonende te [plaats] aan de [adres],

verzoekende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

verder ook te noemen: [werknemer],

gemachtigde: mr. R. Muurlink, advocaat te Alkmaar,

tegen

[naam]., kantoorhoudende te [plaats],

verwerende partij in conventie,

verzoekende partij in reconventie,

verder ook te noemen: [werkgever],

gemachtigde: mr. dr. D.J.B. Bosscher, advocaat te Den Haag.

Het procesverloop

[werknemer] heeft op 17 augustus 2010 een verzoekschrift ingediend.

Daar heeft [werkgever] bij verweerschrift op gereageerd.

[werkgever] heeft tevens een zelfstandig tegenverzoek voor ontbinding voor zover vereist, een verzoek voor het houden van een voorlopig getuigenverhoor, en een verzoek tot benoeming van een deskundige ingediend.

[werknemer] heeft bij verweerschrift gereageerd.

Met het oog op de te houden terechtzitting heeft [werkgever] nog producties overgelegd.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 september 2010, waar zijn verschenen [werknemer] en [werkgever] in persoon.

Partijen werden bijgestaan door hun gemachtigde.

Ter zitting hebben partijen hun verzoek- respectievelijk verweerschrift nader toegelicht aan de hand van pleitnotities. Ook zijn ter zitting een aantal door [werkgever] meegebrachte werknemers gehoord.

Vervolgens is heden uitspraak bepaald.

De uitgangspunten

1. [werknemer], geboren op [datum], is met ingang van 1 januari 2003 in dienst

getreden bij [werkgever] in de functie van Sales & After Sales Manager, laatstelijk tegen een

salaris van € 3.199,56 bruto per maand.

2. Wegens spanningsklachten heeft [werknemer] zich op 17 maart 2010 ziek gemeld.

3. Vervolgens is [werknemer] bij brief van 7 mei 2010 op staande voet ontslagen. De inhoud

van de brief luidt als volgt, voor zover hier relevant:

“[naam] heeft 6 mei 2010 moeten vaststellen dat u zich het afgelopen jaar zonder toestemming met gebruikmaking van login- en password van collega’s toegang verschafte tot hun mailbox, waaronder zijn directeur [...] [werkgever] en uw personeelsmanager [naam]. Een dergelijke handelwijze is te beschouwen als het misdrijf computervredebreuk zoals vastgelegd in artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht. [naam] doet hiervan aangifte.”

4. Bij brief van 10 mei 2010 heeft [werknemer] de vernietigbaarheid van het ontslag op

staande voet ingeroepen en zich bereid en beschikbaar gehouden voor werkzaamheden.

5. Op 11 juni 2010 heeft [werkgever] een voorwaardelijk verzoek strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 13 juli 2010 de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden en heeft aan [werknemer] een vergoeding van € 28.000,- bruto toegekend.

6. Op 30 juli 2010 heeft [werkgever] het verzoekschrift bij de kantonrechter ingetrokken.

Het geschil

7. [werknemer] verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en [werkgever] te ontbinden met ingang van 1 oktober 2010, onder toekenning van een vergoeding aan haar ten bedrage van € 57.016,17. Subsidiair verzoekt [werknemer] de arbeidsovereen¬komst te ontbinden voor zover deze nog mocht bestaan, met ingang van dezelfde datum en onder toekenning van eenzelfde vergoeding.

8. Het verweer van [werkgever] strekt tot toewijzing van het ontbindingsverzoek, maar dan zonder toekenning van een vergoeding aan [werknemer].

Het tegenverzoek van [werkgever] strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, wederom zonder toekenning van enige vergoeding aan [werknemer].

[werkgever] heeft daarnaast een verzoek voor het houden van een voorlopig getuigenverhoor en een verzoek tot benoeming van een deskundige ingediend.

9. Ter onderbouwing van zijn verzoek en als verweer op het tegenverzoek heeft [werknemer] - zakelijk samengevat - het volgende naar voren gebracht.

De problemen zijn ontstaan nadat [werknemer] zijn opgebouwde verlofuren op een bepaalde wijze wilde inzetten. Anders dan door [werkgever] wordt beweerd is er geen sprake van geweest dat [werknemer] eenzijdig heeft aangekondigd om in een bepaalde periode niet meer aanwezig te zijn op de maandagochtend en (om de week) op de dinsdagen. Er was sprake van een overlegsituatie, welke uiteindelijk bij de heer [werkgever] strandde. Uiteindelijk is hem ontslag op staande voet aangezegd, omdat hij het afgelopen jaar zonder toestemming met gebruikmaking van logincodes en passwords van collega’s, zich toegang zou verschaffen tot hun mailbox.

Volgens [werknemer] was [werkgever] op de hoogte dat werknemer toegang hadden tot elkaars e-mail. Een overzicht van wachtwoorden was immers opgenomen in het Officeprogramma en het was juist de bedoeling van [werkgever] dat [werknemer] kennis nam van de inbox van collega’s.

Het ontslag zal daarom in een eventueel nog te houden bodemprocedure geen stand kunnen houden. De dienstbetrekking is dan ook niet geëindigd.

Dat de ontstane verandering in omstandigheden volledig is te wijten aan de werkgever blijkt onder meer uit de zogenaamde “paasgedachte” die op 6 april 2010 door [werkgever] op het intranet is gepubliceerd. In dit stuk wordt een (zeer) ongenuanceerd beeld van de situatie geschetst. Hiermee heeft [werkgever] alle normen van goed werkgeverschap geschonden, waaronder ook de privacy die de werkgever ten opzichte van zijn werknemers dient te betrachten. Daarom is volgens [werknemer] een hogere vergoeding dan eerder was toegewezen op zijn plaats. Bovendien heeft [werkgever] ervoor heeft gekozen om de zaak na de beschikking verder te laten escaleren, onder meer door het sturen van de brief van 19 juli 2010 aan de ouders en vriendin van [werknemer].

[werknemer] meent dan ook dat de verwijtbaarheid nog meer tot uitdrukking gebracht dient te worden in de ontbindingsvergoeding waarbij een correctiefactor van C=3 ten minste op zijn plaats is.

10. Ter onderbouwing van zijn tegenverzoek en als verweer op het verzoek van [werknemer] heeft [werkgever] - zakelijk samengevat - het volgende naar voren gebracht.

[werkgever] stelt zich op het standpunt dat er een dringende en gewichtige reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst is, mede gelet op het feit dat [werknemer] met de computervredebreuk de privacy van hemzelf en zijn collega’s in ernstige mate aantastte. Voorts is sprake van gewijzigde omstandigheden vanwege het ernstige vermoeden van computervredebreuk waardoor de verhouding van werknemer met werkgever en zijn andere collega’s onherroepelijk is beschadigd.

[werkgever] voert hiertoe aan dat hij op 5 mei 2010 erachter is gekomen dat e-mails van zijn account waren verdwenen. Uit onderzoek is gebleken dat vanaf het (vaste) internetadres van [werknemer] vanaf in ieder geval 2008 tot en met 5 mei 2010 meer dan duizend keer is ingelogd op het netwerk van [naam] om zich toegang te verschaffen tot de e-mailaccounts van collega’s. [naam] en [naam], systeembeheerders, hebben kunnen vaststellen dat [werknemer] gedurende ten minste anderhalf jaar tientallen keren per dag inlogde op de accounts van de collega’s en [werkgever]. Dit is zowel binnen als buiten werktijd, op kantoor en vanuit huis gebeurd. [werkgever] betwist uitdrukkelijk dat hij aan [werknemer] toestemming of instructie heeft gegeven om de e-mails van collega’s te lezen.

[werkgever] stelt voorts het aannemelijk te achten dat [werknemer] zich schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 138a sub d Wetboek van Strafrecht en heeft bij de politie aangifte gedaan.

[werkgever] voert daarnaast nog aan dat hij uitdrukkelijk geen toestemming aan [werknemer] heeft gegeven om minder te gaan werken. Ook heeft [werknemer] geweigerd deel te nemen aan de jaarlijkse Europese fitnessbeurs waardoor [naam] twee van de vier dagen niet aanwezig kon zijn.

De beoordeling

11. In de eerste plaats overweegt de kantonrechter dat gebleken is dat het onderhavige ontbindingsverzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 7:648, 7:670 en 7:670a van het Burgerlijk Wetboek (BW) of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

12. De kantonrechter overweegt verder dat er in deze zaak geen getuigen zullen worden gehoord en dat er ook geen deskundige zal worden benoemd, zoals ter zitting al aan partijen is meegedeeld. Anders dan [werkgever] ter zitting uitvoerig heeft betoogd, leent de ontbindings¬procedure zich niet voor getuigenbewijs of een deskundigenonderzoek, en is de kanton¬rechter ook niet gehouden om getuigen te horen of een deskundige te benoemen. Volgens artikel 284 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn de artikelen 186 Rv (betreffende het voorlopig getuigenverhoor) en 194 Rv (betreffende het deskundigenbericht) van overeenkomstige toepassing in een verzoekschriftprocedure, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Uit vaste rechtspraak volgt dat de aard van een ontbindingszaak zich tegen overeenkomstige toepassing van genoemde artikelen verzet (zie o.a. het arrest van de Hoge Raad van 29 september 2000, gepubliceerd in NJ 2001/302). De kantonrechter volgt [werkgever] niet in zijn stelling dat de wetgever met de wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in 2002 heeft willen afwijken van deze rechtspraak. In de memorie van toelichting bij die wijziging is op dit punt het volgende opgemerkt (TK 1999-2000, 26 855, nr. 3, blz. 157 e.v.): “Maar ook de spoedeisendheid van een zaak kan aan toepassing van de bewijsrechtelijke voorschriften in de weg staan. Hierbij kan met name worden gedacht aan conservatoire maatregelen, spoedeisende artikel 7:685 BW-procedures en voorlopige voorzieningen.” De wetgever heeft dus voor ontbindingszaken geen andere lijn voor ogen gestaan dan in vaste rechtspraak is neergelegd. De kantonrechter voegt hieraan toe dat een ontbindingsprocedure uit de aard van de zaak spoedeisend is, alleen al omdat artikel 7:685 BW voor toewijzing vereist dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

Dat er een zelfstandig verzoek om een getuigenverhoor en een deskundigenonderzoek is ingediend, leidt niet tot een andere conclusie, omdat deze verzoeken zijn gedaan in het kader van de ontbindingszaak en daarmee geheel samenhangen. Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor en een deskundigen¬onderzoek zullen bij aparte beschikkingen worden afgewezen.

De kantonrechter merkt nog op dat hij wel aanleiding heeft gezien om de door [werkgever] meegebrachte werknemers te horen, zij het buiten het kader van een formeel getuigen¬verhoor.

13. De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereen¬komst moet worden toegewezen. Uit de stukken blijkt dat de arbeidsrelatie onherstelbaar is verstoord. De kantonrechter zal tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgaan per 1 november 2010. Deze ontbinding zal voorwaardelijk worden uitgesproken, namelijk voor zover de arbeidsovereenkomst nog zal blijken te bestaan. Immers, [werknemer] is op 7 mei 2010 op staande voet ontslagen en dit ontslag zal in een bodemprocedure nog moeten worden beoordeeld. Ook het tegenverzoek zal worden toegewezen, gelet op de verstoorde arbeidsverhoudingen, en ook daarbij zal de ontbinding voorwaardelijk worden uitgesproken.

14. De kantonrechter ziet geen aanleiding om een andere vergoeding toe te kennen dan in de beschikking van 13 juli 2010 is gedaan, nu de omstandigheden sindsdien niet wezenlijk zijn veranderd. In de eerdere beschikking is al meegewogen dat de verstoorde arbeidsverhouding merendeels is te wijten aan [werkgever]. De zogenaamde “paasgedachte” en de brief van 19 juli 2010 maken dit niet anders en geven geen aanleiding om een nog hogere vergoeding toe te kennen. De “paasgedachte” was al bekend ten tijde van de eerdere beschikking en de brief van 19 juli 2010 is geschreven in de tijd dat de relatie al verstoord was en [werknemer] al was ontslagen.

Voor zover [werkgever] stelt dat sprake is van “computervredebreuk” komt de kantonrechter evenmin tot een andere beoordeling dan in de beschikking van 13 juli 2010. [werknemer] heeft erkend dat hij heeft ingelogd op accounts van collega’s, maar volgens hem is dat onderdeel van zijn taakuitoefening. [werkgever] heeft dat laatste ontkend. Uit de stukken komt hierover echter geen eenduidig beeld naar voren, hetgeen ook geldt voor de verklaringen van de verschillende werknemers. Zo hebben sommige werknemers gesteld dat [werknemer] geen toestemming had om in de e-mails van collega’s te kijken, maar uit de verklaringen van de heer [naam] systeembeheerder van [werkgever], en van voormalig werkneemster [naam] blijkt dat het voorkwam dat werknemers van [werkgever] inlogden op accounts van collega’s en

e-mails van collega’s lazen, met name bij afwezigheid en perioden van ziekte en vakantie. Ten aanzien van de door [werkgever] overgelegde gegevens over de frequentie van het inloggen door [werknemer], is door [werknemer] betwist dat deze gegevens juist zijn en is door hem gemotiveerd betoogd dat dergelijke gegevens eenvoudig kunnen worden gemanipuleerd. De kantonrechter heeft ook hierover geen uitsluitsel kunnen verkrijgen. Eventueel zal deskundi¬gen¬onderzoek nodig zijn om daarover duidelijkheid te krijgen, maar daarvoor leent deze procedure zich niet. Dit leidt tot de conclusie dat [werkgever] met de gegevens die thans voorhanden zijn, niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [werknemer] zich schuldig heeft gemaakt aan “computervredebreuk”.

De kantonrechter zal daarom aan de ontbinding – net als in de beschikking van 13 juli 2010 –

een vergoeding van € 28.000,- verbinden.

15. Gelet op artikel 7:685 lid 9 en 10 BW worden partijen van de voorgenomen beslissing in kennis gesteld en zijn zij bevoegd hun (tegen)verzoek binnen de hierna te noemen termijn in te trekken.

16. Gelet op de uitkomst is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen.

De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze nog bestaat, op het verzoek van [werknemer] en op het tegenverzoek van [werkgever], met ingang van 1 november 2010 en kent aan [werknemer] ten laste van [werkgever], zowel op het verzoek als op het tegenverzoek, een vergoeding toe van € 28.000,- bruto, een en ander tenzij het verzoek en het tegenverzoek vòòr 29 oktober 2010 schriftelijk worden ingetrokken;

bepaalt de beide partijen de eigen proceskosten dragen, ook in geval van intrekking van het verzoek of het tegenverzoek;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 12 oktober 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter