Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO6087

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
119549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaringsprocedure art. 477a lid 1 Rv. Bewijslast bestaan van vordering berust op de beslaglegger, maar derde dient zijn verklaring desgevraagd met bescheiden te onderbouwen. In dit geval zelfs in het geheel geen schriftelijke derdenverklaring afgelegd; de enkele verklaring in de conclusie van antwoord dat de derde niets verschuldigd is, is onvoldoende. Derde veroordeeld tot betaling, echter slechts van het bedrag waarvoor beslag was gelegd. Beroep op beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid verworpen.

Tweede deel van de vordering op grond van gestelde garantstelling niet toewijsbaar, terwijl ook het beroep op art. 3: 70 BW faalt. Vordering is echter desondanks in verband met de omstandigheden van dit geval toewijsbaar, maar op grond van een door gedaagde gepleegde onrechtmatige daad. Gedaagde heeft namelijk bewerkstelligd dat eiseres werkzaamheden zou verrichten voor een derde, waarvan gedaagde wist dat deze niet betaald zouden kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

ljs/ajb

zaaknummer / rolnummer: 119549 / HA ZA 10-415

Vonnis van 10 november 2010 (bij vervroeging)

in de zaak van

de naamloze vennootschap

SCHENKEVELD ADVOCATEN N.V.,

gevestigd te Alkmaar,

eiseres,

advocaat mr. J. van Rhijn te Alkmaar,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. B. Parmentier te Haarlem.

Partijen zullen hierna Schenkeveld en Gedaagde genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 augustus 2010

- de brief van Schenkeveld van 6 oktober 2010, met als bijlagen 50 producties

- het proces-verbaal van comparitie van 12 oktober 2010.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Gedaagde Holding B.V. (hierna: Gedaagde Holding) is bij vonnis d.d. 23 september 2009 door deze rechtbank bij verstek veroordeeld om aan Schenkeveld een bedrag van euro 20.059,83, verhoogd met rente, proceskosten van euro 1.091,25 en nakosten van euro 199,- te betalen.

Op 25 november 2009 is door Schenkeveld derdenbeslag gelegd onder Gedaagde, onder meer op alle vorderingen, die Gedaagde Holding op Gedaagde had. Het proces-verbaal van beslag is op 25 november 2009 aan Gedaagde betekend.

Bij brief van 13 uari 2010 heeft de gerechtsdeurwaarder aan Gedaagde gemeld dat Gedaagde nog niet de verplichte buitengerechtelijke derdenverklaring had afgelegd. Hierbij is Gedaagde een termijn gegeven van acht dagen om alsnog aan die verplichting te voldoen. Daarbij is ook aangezegd dat Gedaagde hoofdelijk aansprakelijk zou worden voor het bedrag waarvoor het derdenbeslag was gelegd.

De vordering

Schenkeveld vordert om Gedaagde, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan Schenkeveld te betalen:

a. een bedrag van euro 20.059,83 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de afzonderlijke factuurbedragen telkens vanaf 32 dagen na de desbetreffende factuurdata tot aan de dag der volledige betaling;

b. een bedrag van euro 1.091,25 wegens proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

c. een bedrag van euro 199,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

d. een bedrag van euro 1.314,35 wegens de onbetaald gebleven nota's ter zake van werkzaamheden voor Gedaagde in privé, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de afzonderlijke factuurbedragen telkens vanaf 32 dagen na de desbetreffende factuurdata tot aan de dag der volledige betaling;

e. een bedrag van euro 13.609,16 vermeerderd met de wettelijke rente over de afzonderlijke factuurbedragen telkens vanaf 32 dagen na de desbetreffende factuurdata tot aan de dag der volledige betaling;

f. de kosten van deze procedure, vermeerderd met euro 131,- nakosten (euro 199,- nakosten in geval van betekening) alles vermeerderd met de wettelijke rente 14 dagen na de datum van het te wijzen vonnis.

Schenkeveld heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Schenkeveld heeft derdenbeslag gelegd onder Gedaagde. Gedaagde blijft in gebreke verklaring te doen. Hij dient daarom te worden veroordeeld tot het bedrag waarvoor beslag is gelegd.

Gedaagde is als directeur hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die Schenkeveld lijdt door het niet betalen van de door Schenkeveld aan Gedaagde Holding gezonden declaraties voor het verrichten van diensten.

Gedaagde heeft daarnaast opdracht gegeven tot het verrichten van werkzaamheden door Schenkeveld. Hij laat het hiervoor verschuldigde bedrag van euro 1.314,35 onbetaald.

Gedaagde heeft ook opdracht aan Schenkeveld gegeven om werkzaamheden te verrichten in verband met procedures tegen stichting Talpa (hierna: Talpa); hij heeft althans garant gestaan voor de betaling van die werkzaamheden. De daarvoor verschuldigde vergoeding bedraagt euro 13.609,16 en dit bedrag betaalt Gedaagde ook niet, ondanks aanmaning.

De beoordeling

De vorderingen onder a., b. en c.

Vaststaat dat Gedaagde in gebreke is gebleven met het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring, nadat onder hem derdenbeslag was gelegd ten laste van Gedaagde Holding.

Ondanks de tegen hem ingestelde vordering, heeft Gedaagde ermee volstaan om in deze procedure in de conclusie van antwoord (door zijn advocaat) slechts te laten vermelden dat hij niets aan Gedaagde Holding verschuldigd is. Ook ter zitting heeft Gedaagde, hoewel daarom uitdrukkelijk was verzocht door Schenkeveld, geen schriftelijke verklaring afgelegd.

De gerechtelijke verklaring, waarop de wet in artikel 477a, lid 1 Rv doelt, dient (ten minste) te voldoen aan de vereisten die artikel 476a, lid 2 Rv aan de buitengerechtelijke verklaring stelt. De herkansingsmogelijkheid, die de wet aan Gedaagde als in gebreke gebleven derde-beslagene in artikel 477a, lid 1 Rv biedt, beoogt uiteraard niet om Gedaagde in een gunstiger positie te plaatsen dan waarin hij zich bevond voordat hij in gebreke was.

De verklaring in de conclusie voldoet niet aan de daarvoor gestelde vereisten van de artikelen 476a, lid 2 Rv en 476b Rv. Zo is deze verklaring niet schriftelijk afgelegd en dus ook niet door Gedaagde als derde-beslagene gedagtekend en door hem ondertekend. Daarnaast is deze verklaring niet met redenen omkleed. De bewijslast van het bestaan van een vordering van de beslagene op de derde berust weliswaar op de beslaglegger, maar het is aan de beslagene om zijn standpunt te onderbouwen. Gedaagde heeft nagelaten om dat te doen. Bovendien is het standpunt ook niet vergezeld van afschrift van tot staving dienende bescheiden. Daartoe was des te meer aanleiding, aangezien Schenkeveld steeds het standpunt heeft ingenomen dat er tussen Gedaagde en Gedaagde Holding een rekening-courant verhouding bestaat op grond waarvan Gedaagde Holding een vordering op Gedaagde heeft.

Ter zitting heeft Gedaagde nog een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De wetgever heeft in artikel 477a lid 1 Rv. een strenge sanctie opgelegd aan de derde, die in gebreke blijft verklaring te doen, namelijk veroordeling tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware hij daarvan zelf schuldenaar. Het zal daarom niet snel onaanvaardbaar zijn om als beslaglegger een beroep te doen op deze bepaling, nog daargelaten of het door Gedaagde gedane beroep in het procesrecht zou kunnen gelden. In het onderhavige geval had Gedaagde het zelf in de hand door schriftelijk te verklaren de gevolgen te vermijden, waar hij nu mee wordt geconfronteerd. Nu hij dat niet gedaan heeft, zal hij ook de gevolgen ervan dienen te ondergaan.

Het voorgaande leidt ertoe dat het onder a., b. en c. gevorderde toewijsbaar is, met inachtneming van het volgende.

Het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, volgt uit het proces-verbaal van derdenbeslag d.d. 25 november 2009. Dat betreft in hoofdsom en rente tot die datum een bedrag van euro 20.816,91. Voor de gevorderde wettelijke handelsrente vanaf de factuurdata bestaat geen wettelijke grondslag. De veroordeling van Gedaagde als derde vloeit immers niet voort uit een handelsovereenkomst, maar uit een procesrechtelijke wettelijke verplichting. Ten aanzien van die verplichting is Gedaagde op 21 uari 2010 in verzuim gekomen, na de ingebrekestelling van 13 uari 2010.

Ook over de in het proces-verbaal opgenomen te betalen proceskosten van euro 1.091,25 is de wettelijke rente slechts toewijsbaar vanaf de datum, waarop Gedaagde in verzuim kwam, 21 uari 2010.

Hoewel in het vonnis uit kracht waarvan het beslag was gelegd, wel de gevorderde zogenaamde nakosten zijn toegewezen, is het desbetreffende bedrag van euro 199,- niet in het proces-verbaal van beslag opgenomen. Dit bedrag is daarom niet op die grond toewijsbaar. Wel zijn de kosten van betekening (euro 69,54) en beslag (euro 151,44) in beginsel toewijsbaar, omdat deze wel in het proces-verbaal zijn opgenomen. Aangezien niet meer kan worden toegewezen dan gevorderd, zal euro 199,- worden toegewezen, verhoogd met de gevorderde wettelijke rente, maar ook hier vanaf de verzuimdatum 21 uari 2010.

Wat partijen overigens nog hebben aangevoerd over de andere grondslagen van die vorderingen, kan daarom verder onbesproken blijven.

De vordering onder d.

Gedaagde heeft niet betwist dat de door Schenkeveld in rekening gebrachte bedragen verschuldigd waren in verband met werkzaamheden in de zaak Est. Hij heeft als verweer aangevoerd dat die bedragen al door hem zijn betaald. Het gaat om declaraties uit 2007, die Gedaagde via Gedaagde Holding heeft voldaan begin of medio 2008, naar aanleiding van overzichten, waarop zowel declaraties voor Gedaagde Holding als voor Gedaagde privé stonden vermeld, aldus Gedaagde.

Ter zitting heeft Gedaagde, daarnaar gevraagd, echter bedoelde overzichten niet kunnen tonen.

Schenkeveld heeft daarentegen overzichten uit haar financiële administratie in het geding gebracht. Hiermee heeft zij onderbouwd dat enige 'bulkbetalingen' van euro 10.000,- die door Gedaagde Holding zijn gedaan, op openstaande declaraties van Gedaagde Holding zijn afgeboekt.

In beginsel staat het een derde (Gedaagde Holding) vrij om een vordering van een ander (Gedaagde) te voldoen (artikel 6: 30 BW). Dan moet echter aan de schuldeiser (Schenkeveld) wel uitdrukkelijk worden aangegeven dat de betaling niet voor zichzelf, maar voor een ander geldt. Het voorgaande geldt temeer, nu Gedaagde Holding en Gedaagde beide schuldenaar waren. Uit wat beide partijen hierover hebben gesteld, moet worden afgeleid dat van een specificatie van de betaling in dit geval geen sprake is. De door Gedaagde Holding betaalde bedragen zijn ontvangen en verwerkt, maar daarmee zijn niet de openstaande declaraties van Gedaagde privé voldaan.

Dit onderdeel van de vordering is dus toewijsbaar.

De vordering onder e.

Dit onderdeel van de vordering heeft betrekking op werkzaamheden, die Schenkeveld voor Talpa heeft verricht. Schenkeveld heeft hieraan primair ten grondslag gelegd dat Gedaagde zich bij het geven van de opdracht garant heeft gesteld voor betaling van die werkzaamheden. Subsidiair stelt Schenkeveld dat Gedaagde als gevolmachtigde van Talpa opdracht aan Schenkeveld heeft gegeven en voor die volmacht dient in te staan (artikel 3: 70 BW).

Het betreft hier werkzaamheden die voor Talpa zijn verricht in de periode maart en april 2009. De stichting was door de Consumentenbond in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen. Schenkeveld stelt dat Gedaagde in maart 2009 telefonisch heeft verzocht om de werkzaamheden te verrichten; Gedaagde stelt echter dat Schenkeveld heeft aangeboden de werkzaamheden te verrichten. Hoe dit ook zij, ter zitting heeft Schenkeveld verklaard dat tijdens het gesprek met Gedaagde over deze werkzaamheden niet over betaling is gesproken. Aan de stelling dat Gedaagde zich toen garant heeft gesteld voor betaling, wordt daarom verder voorbijgegaan.

Vaststaat dat Gedaagde geen volmacht had van Talpa om de opdracht tot het verrichten van de processuele werkzaamheden te verstrekken. Eveneens staat vast dat Schenkeveld wist dat Gedaagde geen bestuurslid van de stichting was. Dat Schenkeveld de perceptie had dat de Talpa haar zou betalen, is onvoldoende om aan te nemen dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Gedaagde als gevolmachtigde van Talpa is opgetreden. Het beroep op artikel 3: 70 BW faalt daarom.

Ter zitting heeft Schenkeveld zich ook beroepen op het onrechtmatige karakter van de handelwijze van Gedaagde. Voor de beoordeling van die stelling gaat de rechtbank uit van het volgende.

-Schenkeveld wist door haar betrokkenheid bij de oprichting van stichting Talpa in 2002 dat de dochter van Gedaagde formeel bestuurslid was, maar dat Gedaagde feitelijk bestuurder was.

-Schenkeveld ging er gerechtvaardigd van uit dat er door Nationale Nederlanden een bedrag van meer dan euro 500.000,- was gestort op de rekening van Talpa ten behoeve van de schade van de slachtoffers van de legionellabesmetting op de Westfriese Flora in 1999.

-Gedaagde heeft bewerkstelligd dat voormeld bedrag niet op de rekening van Talpa is terechtgekomen, maar op een op zijn eigen naam gestelde deposito bij de DSB Bank.

-Schenkeveld heeft de pleitnotities voor de kort geding zitting bij de voorzieningenrechter in Zutphen vooraf ter becommentariëring aan Gedaagde gestuurd.

-Talpa heeft geweigerd de declaraties te voldoen, omdat zij geen opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de werkzaamheden van Schenkeveld en omdat zij niet kon beschikken over het door Nationale Nederlanden toegezegde bedrag om de declaraties te voldoen.

-Gedaagde schrijft in een e-mail van 13 augustus 2009 aan mr. Van Rhijn van Schenkeveld het volgende:

"Waarom ik het dossier van Talpa niet kan krijgen is mij volstrekt onduidelijk. Deze zaak heeft u voor mij behandelt en heb ik ook recht op het dossier. De zaak van NN loopt al vanaf 1999 en ik heb geen volledig schaduw dossier in mijn bezit."

- Gedaagde heeft ter zitting het volgende verklaard:

"Over de vraag hoe het gekomen is dat Van Rhijn voor Talpa heeft gewerkt: Van Rhijn was al 10 jaar lang mijn advocaat in de West-Friese Florazaken. (...) Talpa werd gedaagd. (...) U vraagt mij waarom Van Rhijn contact met mij opnam terwijl ik geen partij was in die zaak. Ik regelde dat. Van Rhijn had aangeboden het kort geding te doen. Ik zei: "prima, doe maar".

Uit deze feiten en omstandigheden vloeit voort dat Gedaagde heeft bewerkstelligd dat Van Rhijn voor Talpa zou optreden, terwijl hij door zijn eigen handelen wist dat Talpa die werkzaamheden helemaal niet kon betalen. Dat leidt tot het oordeel dat Gedaagde jegens Schenkeveld onrechtmatig heeft gehandeld. Hij dient de schade, die daarvan het gevolg is, aan Schenkeveld te vergoeden. Die schade bestaat uit de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden, die Schenkeveld heeft gespecificeerd en tegen de hoogte waarvan geen verweer is gevoerd.

Het gevorderde bedrag van euro 13.609,16 is daarom toewijsbaar evenals de gevorderde rente daarover.

De vordering onder f.

Dit onderdeel van de vordering zal als onweersproken worden toegewezen.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt Gedaagde om aan Schenkeveld te betalen euro 22.107,16 ( tweeëntwintig duizend honderdzeven euro en zestien cent ), met de wettelijke rente over - het onbetaald gebleven deel van - dat bedrag vanaf 21 uari 2010 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde om aan Schenkeveld te betalen euro 1.314,35 ( duizend driehonderdveertien euro en vijf en dertig cent ), met de wettelijke handelsrente over - het onbetaald gebleven deel van - de afzonderlijke factuurbedragen, telkens vanaf 32 dagen na de desbetreffende factuurdatum tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde om aan Schenkeveld te betalen euro 13.609,16 ( dertienduizend zeshonderdnegen euro en zestien cent ), met de wettelijke handelsrente over - het onbetaald gebleven deel van - de afzonderlijke factuurbedragen, telkens vanaf 32 dagen na de desbetreffende factuurdatum tot de dag der algehele voldoening;

verwijst Gedaagde in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van Schenkeveld begroot op euro 868,80,- aan verschotten (griffierecht en dagvaardingskosten) en op euro 1.158,- aan salaris van de advocaat, vermeerderd met euro 131,- aan nakosten, indien Gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe aan de veroordeling zal hebben voldaan, te verhogen met euro 68,- in geval van betekening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is bij vervroeging gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2010.