Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO6078

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
106076
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek vervangende toestemming tot erkenning en het verzoek vaststelling omgangsregeling en informatie- en consultatieregeling.

artikel 1:204 BW en 1:377a, tweede lid BW"

Verzoek vervangende toestemming erkenning:

Partijen hebben ieder een andere visie op hun gezamenlijk verleden. Uit rapport van de Raad blijkt dat de minderjarige kampt de kenmerken van PTSS en lijdt nog onder de confrontaties met het huiselijk geweld door de man t.o.v. de vrouw en indirect ook tegen hem. De vrouw is doodsbang voor de man. Aannemelijk dat erkenning er toe zal leiden dat de belangen van de minderjarige en die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige zullen worden geschaad. Niet voldaan aan de eerste en derde voorwaarde van 1:204, derde lid, BW.

Verzoek omgangsregeling:

Er is sprake van family life in de zin van artikel 8 EVRM tussen de man en de minderjarige. De Raad heeft ontzegging geadviseerd. Rechtbank kan niet ambtshalve de omgang ontzeggen. In de gegeven omstandigheden, de gebeurtenissen uit het verleden, de verstoorde verhouding tussen partijen, de geestelijke problematiek van de minderjarige, is de rechtbank van oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige is.

Verzoek informatie- en consultatieregeling:

Consultatieregeling dient achterwege te blijven, wel informatieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

HZ

zaak- en rekestnummer: 106076 / FA RK 08-981 en 105834 / FA RK 08-942

datum: 6 oktober 2010

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

verzoekende partij,

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij,

advocaat: mr. W.N. Sardjoe,

tegen:

gerekwestreerde,

wonende te [woonplaats],

gerekwestreerde,

advocaat: mr. A.M. Blom.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 30 oktober 2008 het verzoekschrift van de man ingekomen waarin wordt verzocht om tussen hem en minderjarige [minderjarige], geboren in de gemeente [] op [geboortedatum] (verder: [minderjarige]), een omgangsregeling en een informatie- en consultatieregeling vast te stellen. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer 105834 / FA RK 08-942.

Ter griffie van deze rechtbank is op 31 oktober 2008 het verzoekschrift van de man ingekomen, strekkende tot:

1. benoeming van een bijzondere curator om de belangen te behartigen van [minderjarige];

2. het verlenen van vervangende toestemming (bij het ontbreken van toestemming van de vrouw om [minderjarige] te kunnen erkennen, en voorts de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten over te gaan (bij wijze van latere vermelding) tot het opmaken van de akte waarin de man [minderjarige] erkent.

Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer 106076 / FA RK 08-981.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring althans afwijzing van de verzoeken van de man.

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 13 november 2008 is de vordering van de vader afgewezen om in afwachting van de bodemprocedure een voorlopige omgangsregeling en een informatie- en consultatieregeling vast te stellen.

De mondelinge behandeling van het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling en een informatie- en consultatieregeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2009, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal. Daarbij zijn de stukken in handen gesteld van de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar (hierna: de Raad) met het verzoek een onderzoek in te stellen naar een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] en de rechtbank daarover te rapporteren. Voorts is daarbij bepaald dat als voorlopige regeling wordt vastgesteld dat de vrouw binnen een maand na 3 maart 2009 een recente foto en het laatste schoolrapport naar het adres van de advocaat van de man stuurt.

Bij beschikking van 22 april 2009 is mr. G. van der Kwaak-Knol, advocaat te Den Helder, benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige].

De bijzondere curator heeft zich bij brief van 17 juni 2009 uitgelaten.

De mondelinge behandeling van het verzoek tot vervangende toestemming voor de erkenning heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2009, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal. Daarbij zijn de stukken in handen gesteld van de Raad met het verzoek het reeds bestaande onderzoek inzake de omgang uit te breiden met de vraag of erkenning van [minderjarige] door de man in het belang van [minderjarige] is.

Bij de stukken bevindt zich een rapport en advies van de Raad van 8 februari 2010.

Bij brief van 24 juni 2010 heeft de man nog enkele producties overgelegd.

De mondelinge behandeling van beide procedures is voortgezet op 16 augustus 2010, alwaar zijn verschenen namens de man mr. Sardjoe, alsmede de heer J. Zandbergen namens de Raad. Mr. Blom is wegens ziekte niet verschenen. De bijzondere curator heeft bij brief van 22 juni 2010 laten weten in verband met vakantie niet bij deze behandeling aanwezig te kunnen zijn.

Tenslotte heeft op 6 september 2010 een laatste mondelinge behandeling plaatsgevonden, alwaar zijn verschenen: namens de vrouw mr. Blom, namens de man mr. Sardjoe, alsmede de bijzondere curator en de heer J. Zandbergen namens de Raad.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

De man voert als gronden voor zijn verzoeken het volgende aan.

Partijen hebben in de periode van 1994 tot en met juni 2008 een relatie gehad, waarbij zij hebben samengewoond. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw en zij heeft van rechtswege het gezag. De man heeft [minderjarige] niet erkend, maar er is sprake van family life. De man heeft namelijk gedurende de samenwoning een significant aandeel in de opvoeding en verzorging gehad. De vrouw heeft de gezamenlijk bewoonde woning verlaten en is sinds eind juni 2008 onvindbaar. Vervolgens heeft de man zich tot een advocaat gewend en hij heeft een kort geding gestart om een voorlopige omgangsregeling te bewerkstelligen om elk risico op vervreemding te voorkomen. Voorts heeft hij een verzoekschrift ingediend om een definitieve omgangsregeling vast te leggen. De vrouw wenst, ondanks uitdrukkelijke verzoeken van de man, geen toestemming te geven om [minderjarige] te erkennen. In de onderhavige procedure komt het aan op een afweging van belangen. De man is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat er een familierechtelijke betrekking tussen hem en [minderjarige] ontstaat. Relevant daarbij is dat hij vanaf de geboorte betrokken is geweest in het leven van [minderjarige] en in die periode omgang met [minderjarige] heeft gehad. De belangen van [minderjarige] of die van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] worden niet geschaad als de toestemming van de vrouw tot erkenning wordt vervangen.

De man stelt dat hij recht heeft op omgang met [minderjarige]. De vrouw wenst niet mee te werken aan een in onderling overleg overeen te komen omgangsregeling, zodat de man de rechtbank verzoekt een regeling vast te stellen die recht doet aan het belang van [minderjarige]. Er zijn volgens de man geen contra-indicaties aanwezig waardoor één van de ontzeggingsgronden van artikel 377a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing is. Ook is de vrouw gehouden de man te informeren en te consulteren omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige]. Nu de vrouw ook hiertoe niet bereid is vrijwillig haar medewerking te verlenen, verzoekt de man tot het vaststellen van een regeling.

Ter bestrijding van de verzoeken van de man heeft de vrouw het volgende aangevoerd. De relatie van partijen heeft zich gekenmerkt door veel bedreigingen van de man richting de vrouw en er is sprake geweest van huiselijk geweld. De vrouw heeft aangifte gedaan van meerdere mishandelingen. Ook heeft de man vaak gedreigd [minderjarige] bij haar weg te halen en haar familie dood te schieten. Ook haar familie is bedreigd door de man en haar zus heeft daarvan aangifte gedaan. Op advies van de politie is de vrouw uiteindelijk naar een geheim adres gegaan. De vrouw betwist dat er sprake is geweest van family life en zij ontkent dat partijen gedurende meerdere jaren met elkaar hebben samengewoond. Vanaf januari 2008 is de man af en toe bij de vrouw blijven logeren omdat zijn moeder ernstig ziek was en omdat de vrouw hoopte dat het goed zou komen tussen partijen. Dat bleek niet het geval. De man heeft jaren niet naar [minderjarige] omgekeken en het verbaast de vrouw dat hij nu omgang met [minderjarige] wil. De man is gedetineerd geweest wegens een geweldsmisdrijf. Het gaat niet goed met [minderjarige]. Hij zit op speciaal onderwijs en heeft extra zorg nodig. [minderjarige] heeft nachtmerries en is bang voor de man. [minderjarige] volgt ook speltherapie om het verleden te verwerken. Als er vervangende toestemming tot erkenning wordt verleend vreest de vrouw dat de verhouding tussen haar en [minderjarige] ernstig verstoord zal raken, omdat de man dan zal trachten al zijn rechten ten aanzien van [minderjarige] op te eisen. De vrouw vreest voorts dat een omgangsregeling een negatief effect op [minderjarige] zal hebben. Er is veel gebeurd en [minderjarige] is te vaak getuige geweest van het geweld dat thuis heeft plaatsgevonden. [minderjarige] is er nu zeker niet aan toe en hoe het in de toekomst moet is nog niet duidelijk. Als na een onderzoek de Raad van mening is dat er omgang moet komen, dan dienen er eerst proefcontacten plaats te vinden zodat de omgang op een veilige manier kan worden opgebouwd. De vrouw verzet zich tegen de verzochte informatievoorziening, omdat zij zelf op dit moment niet in staat is om richting de man te communiceren.

De bijzondere curator heeft aangegeven dat zij alleen met de vrouw heeft gesproken. Zij heeft de man niet kunnen spreken. Op grond van de inhoud van het gesprek met de vrouw meent de bijzondere curator dat een onderzoek van de Raad zou moeten plaatsvinden. Als dit onderzoek niet zou plaatsvinden, adviseert de bijzondere curator het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning af te wijzen.

De Raad heeft in het rapport als zijn mening gegeven dat uit het onderzoek is gebleken dat Triversum melding maakt van het feit dat [minderjarige], ten gevolge van confrontaties met huiselijk geweld door de man, kampt met een Post Traumatische Stress Stoornis (hierna: PTSS). Door het verlenen van vervangende toestemming loopt [minderjarige] een reëel risico dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. De angst van de vrouw voor de agressiviteit van de man is reëel gezien het feit dat hij is veroordeeld voor geweldsmisdrijven, welke deels hebben plaatsgevonden in de huiselijke sfeer. Een eventuele directe of indirecte confrontatie met de man zal een negatieve invloed hebben op het psychisch welzijn van de vrouw en daarmee op de positieve ontwikkeling die zij samen met [minderjarige] doormaakt. De Raad adviseert om het verzoek van de man tot erkenning van [minderjarige] af te wijzen. Ten aanzien van omgang heeft de Raad in het rapport als zijn mening gegeven dat het uitgangspunt van de wetgever is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking met hem staat. Hoewel de verklaringen van beide ouders uiteenlopen, is de Raad van oordeel dat er, gelet op het feit dat de man bij de bevalling aanwezig was en toch enige rol heeft gespeeld in het leven van [minderjarige], sprake is van family life tussen de man en [minderjarige]. Op grond hiervan heeft de man recht op omgang. Gelet op hetgeen in het onderzoek is gebleken is de Raad van mening dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige]. De Raad adviseert om de man het recht op omgang te ontzeggen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] (procedurenummer 106076 / FA RK 08-981):

Voor vervangende toestemming van erkenning door de rechtbank is op grond van artikel 1:204, derde lid van het BW nodig:

1. dat verzoeker de verwekker van het kind is;

2. dat de erkenning de belangen van het kind niet zou schaden;

3. dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind niet zou schaden.

Indien aan deze voorwaarden is voldaan, dient naar het oordeel van de rechtbank de verzochte vervangende toestemming te worden verleend. Vaststaat dat de man de verwekker van [minderjarige] is, zodat aan de eerste voorwaarde is voldaan. Voor de tweede en derde voorwaarde geldt dat de wetgever, gelet op de aan artikel 1:204, derde lid, van het BW ten grondslag liggende parlementaire geschiedenis, het belang van de verwekker bij het tot stand komen van familierechtelijke betrekkingen met het kind als uitgangspunt heeft genomen, zij het dat dit belang moet wijken indien door erkenning de belangen van het kind of de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind zouden worden geschaad. Aan deze beide criteria moet getoetst worden bij de beoordeling of vervangende toestemming moet worden gegeven.

Het is duidelijk dat partijen ieder een andere visie hebben op het verleden. Wat daar ook van zij, uit de stukken, en met name het rapport van de Raad, blijkt duidelijk dat er veel gebeurd is tussen partijen, wat diepe sporen heeft achtergelaten, in ieder geval bij de vrouw en [minderjarige]. [minderjarige] kampt met de kenmerken van een PTSS en hij lijdt nog zeer onder de confrontaties met het huiselijk geweld door de man ten opzichte van de vrouw en indirect ook tegen hem. De vrouw is doodsbang voor de man en stelt dat de man veel onrust in haar leven en dat van [minderjarige] veroorzaakt. De angst van de vrouw gaat zover dat zij ook niet naar de zittingen heeft durven komen, ondanks dat de rechtbank partijen gescheiden en op verschillende dagen heeft opgeroepen. Gelet op de stukken en het feit dat de man is veroordeeld voor geweldsmisdrijven welke deels plaats hebben gevonden in de huiselijke sfeer, acht de rechtbank de angst van de vrouw reëel. Namens de man is ter zitting gesteld dat het niet goed is als de vrouw haar angst overbrengt op [minderjarige]. Evenals de Raad is de rechtbank van oordeel dat dit inderdaad niet goed is voor [minderjarige]. Het is in het belang van [minderjarige] dat de verhouding tussen hem en de vrouw, bij wie hij zijn hoofdverblijf heeft en dagelijks opgroeit, zo min mogelijk wordt belast met spanning en angst. Dat de vrouw zich hiervan bewust is blijkt uit het feit dat zowel [minderjarige] als zij zelf in therapie is.

In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank de kans groot dat erkenning van [minderjarige] door de man er toe zal leiden dat de belangen van [minderjarige] en die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige], zullen worden geschaad. De rechtbank acht het aannemelijk dat er reële risico's zijn dat [minderjarige] wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Erkenning van [minderjarige] door de man zal een aanzienlijke spanning en stress en gevoelens van angst, onrust en onzekerheid voor de vrouw met zich meebrengen en dit zal voor haar contact met [minderjarige] zelf schadelijk zijn. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel, dat niet aan de tweede en derde voorwaarde van artikel 1:204, derde lid van het BW is voldaan en dient de verzochte toestemming niet te worden verleend. De rechtbank zal het verzoek van de man hiertoe dan ook afwijzen.

Ten aanzien van het verzoek van de man om een omgangsregeling en een informatie- en consultatieregeling vast te stellen:

De rechtbank is allereerst van oordeel dat er, gelet op de verklaringen van partijen in de stukken, het rapport van de Raad en het verslag van de bijzondere curator, sprake is van family life tussen de man en [minderjarige] in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De omstandigheid dat gedurende een bepaalde periode feitelijke contacten tussen de man en [minderjarige] achterwege zijn gebleven is op zichzelf niet voldoende om het family life als geëindigd te beschouwen. De man kan dan ook in het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en een informatie- en consultatieregeling worden ontvangen.

Het verzoek van de man om een omgangsregeling vast te stellen dient door de rechtbank te worden getoetst aan artikel 1:377a van het BW. Op grond van het eerste lid van dit artikel hebben het kind en zijn ouders of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind recht op omgang met elkaar. De rechter stelt, ingevolge het tweede lid, op verzoek van de ouders of een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Ontzegging kan aldus alleen op verzoek en niet ambtshalve door de rechter worden beslist. Nu in onderhavige geval geen verzoek tot ontzegging is gedaan kan de rechtbank hierover, ondanks het advies van de Raad, hiertoe niet beslissen. In de gegeven omstandigheden, de gebeurtenissen in het verleden, de daaruit voortvloeiende verstoorde verhouding tussen partijen, de geestelijke problematiek van [minderjarige], is de rechtbank van oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling niet in het belang is van [minderjarige]. Het verzoek van de man daartoe zal dan ook worden afgewezen.

Vervolgens dient de rechtbank het verzoek van de man om een informatie- en consultatieregeling vast te stellen te toetsen aan artikel 377b van het BW. Gelet op hetgeen hiervoor is overwegen is de rechtbank ambtshalve van oordeel dat op grond van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel het belang van [minderjarige] vereist dat een consultatieverplichting voor de vrouw achterwege dient te blijven. Het verzoek van de man hiertoe zal worden afgewezen. Ten aanzien van een informatieregeling is de rechtbank van oordeel dat de vrouw de man via diens advocaat tweemaal per jaar, bij aanvang van de zomervakantie en de kerstvakantie, schriftelijk dient te informeren over de voortgang van [minderjarige] op school en, indien van toepassing, medische aangelegenheden betreffende [minderjarige], waarbij door de vrouw een kopie van het schoolrapport dient te worden overgelegd, alsmede een recente en goedgelijkende foto van [minderjarige].

DE BESLISSING

De rechtbank:

Wijst het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van de minderjarige [minderjarige], geboren in de gemeente [geboorteplaats] op [geboordedatum];

Wijst het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] af;

Wijst het verzoek van de man tot het vaststellen van een consultatieregeling af;

Bepaalt dat de vrouw de man via diens advocaat tweemaal per jaar -bij aanvang van de zomervakantie en de kerstvakantie- schriftelijk dient te informeren over de voortgang van [minderjarige] op school en, indien van toepassing, medische aangelegenheden betreffende [minderjarige], waarbij door de vrouw een kopie van het schoolrapport dient te worden overgelegd, alsmede een recente en goedgelijkende foto van [minderjarige].

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek , lid van gemelde kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2010 in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier.

U kunt tegen deze beschikking in hoger beroep gaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. U kunt dit hoger beroep instellen binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

Het beroep moet namens u worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. In plaats van een door de aanvrager van rechtsbijstand over te leggen verklaring van de burgemeester over zijn inkomen en vermogen kan er nu worden volstaan met het opgeven van het sofinummer, op basis waarvan de Raad informatie inwint bij de belastingdienst. In civiele zaken waarin zonder advocaat wordt geprocedeerd geldt dat aan de griffie in plaats van een verklaring van de burgemeester een verklaring van de raad (opgesteld op basis van de door de belastingdienst verstrekte gegevens) wordt overgelegd. Afhankelijk van die draagkracht wordt een zogenaamde toevoeging verstrekt onder oplegging van een eigen bijdrage. Die bijdrage is afhankelijk van de hoogte van de draagkracht.

Als de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dan geldt de beschikking al wel, zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.