Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO5334

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-10-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
324536 \ CV EXPL 10-999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde draagt aan dat Varde niet heeft voldaan aan de substantiëringsplicht, omdat zij in de dagvaarding heeft volstaan met een algemeen verhaal i.p.v. vermelding van het eigen verweer van gedaagde. De kantonrechter overweegt dat uit het antwoord en de daarbij overgelegde producties blijkt dat gedaagde (voldoende) heeft begrepen waartoe de vordering strekt en waartegen hij zich had te verweren. Gedaagde is dan ook redelijkerwijze niet in zijn verdediging bemoeilijkt dan wel geschaad. Voorts meent gedaagde dat hij terecht zijn betaling ingevolge artikel 6:37 BW heeft opgeschort omdat hij nog steeds niet weet of er sprake is van een rechtsgeldige cessie. De kantonrechter overweegt dat uit de bijlagen is gebleken dat Dexia haar vorderingen op gedaagde uit het Dexia Aanbod rechtsgeldig aan Varde heeft geleverd. Gedaagde heeft echter wel vanaf 10 januari 2008 tot 31 mei 2010 zijn betaling op redelijke gronden mogen opschorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Hoorn

Zaaknr/rolnr.: 324536 \ CV EXPL 10-999 \ CP

Uitspraakdatum: 18 oktober 2010

Vonnis in de zaak van:

de buitenlandse vennootschap Varde Investments (Ireland) Limited te Dublin, Ierland

eisende partij

verder ook te noemen: Varde

gemachtigde: mr. G.J. Schras, advocaat te Spijkenisse

rolgemachtigde: GGN Swier & Van der Weijden, gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

tegen

[...] te [plaats]

gedaagde partij

verder ook te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. P.G. Wemmers, advocaat te Alkmaar

[Toevoeging: [nummer]].

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

-de dagvaarding d.d. 22 februari 2010 met producties [Varde];

-de conclusie van antwoord met producties [[gedaagde]];

-de conclusie van repliek, tevens houdende akte vermindering van eis, met producties [Varde];

-de conclusie van dupliek [[gedaagde]].

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende weersproken, als-mede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de overgelegde bewijsstukken, staat in deze zaak het volgende, voor zover hier van belang, vast:

1. Dexia Bank Nederland N.V. (verder: Dexia) is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. te Amsterdam, tevens handelend onder de naam Legio, en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V.

Waar hierna over Dexia wordt gesproken, worden haar rechtsvoorgangsters daaronder begre-pen.

2. Tussen Dexia en [gedaagde] is op 21 april 2000 gesloten een aandelenleaseovereenkomst (genaamd: Profit Effect Maandbetaling) met contractnummer: [nummer].

3. De overeenkomst is beëindigd; na verkoop van de onderliggende aandelen bleef nog een restschuld over van [gedaagde] op Dexia, die [gedaagde] onbetaald heeft gelaten.

4. Op 14 april 2003 heeft [gedaagde] het “Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod” ondertekend waardoor hij de “Overeenkomst Dexia Aanbod” is aangegaan (hierna: het Dexia Aanbod).

Het Dexia Aanbod bood bepaalde mogelijkheden voor de wijze waarop een mogelijke rest-schuld na het einde van de looptijd van een aandelenleaseovereenkomst kon worden voldaan.

Het “Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod” luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

“Ja, ik ga in op het Dexia Aanbod.

Door ondertekening van dit formulier (…) ga ik met Dexia Bank Nederland N.V. de Overeenkomst Dexia Aanbod aan. De volledige tekst van de Overeenkomst Dexia Aanbod als opgenomen bij de Juridische Documenten Dexia Aanbod moet, voor zoveel nodig, geacht worden volledig in dit aanmeldingsformulier te zijn ingelast en herhaald. Ik verklaar deze overeenkomst ontvangen, gelezen en begrepen te hebben, en met de bepalingen daarvan in te stemmen. (…)”.

5. Het Dexia Aanbod, waarin [gedaagde] als “Deelnemer” wordt aangeduid, luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

Artikel 5 Verklaringen van Deelnemer en afstand van recht

Artikel 5.1Verklaringen van Deelnemer

5.1.1Deelnemer verklaart dat hij een eventueel door of namens hem tegen Dexia en/of enige tussenpersoon die

betrokken is geweest bij de totstandkoming van de DA-Effectenlease-overeenkomst(en) en/of de

NDA-Effectenlease-overeenkomst(en) gerichte klacht die betrekking heeft op, of verband houdt met, die

effectenlease-overeenkomst(en) intrekt of doet intrekken.

5.1.2 Deelnemer verklaart dat hij terzake van de DA-Effectenlease-overeenkomst(en) en/of de NDA-

Effectenlease-overeenkomst(en) afstand doet van alle door of namens hem of te zijnen behoeve door derden

jegens Dexia en/of enige tussenpersoon bij de totstandkoming van die effectenlease-overeenkomsten

betrokken tussenpersoon, gepretendeerde rechten (met inbegrip van maar niet beperkt tot enig recht

op schadevergoeding of vernietiging) uit hoofde van of verband houdende met die effectenlease-

overeenkomst(en), (…);

(…)

Artikel 6.2 Totstandkoming; Volledige Overeenkomst; Wijziging

6.2.1 Deze overeenkomst komt tot stand doordat Deelnemer en, voor zover van toepassing, Betrokken Partij het

Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod volledig ingevuld en ondertekend tijdig aan Dexia retourneert

respectievelijk retourneren voor de datum als vermeld op het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod

(…)

Artikel 6.4 Geen ontbinding en geen vernietiging; partiële nietigheid; conversie

6.4.1 Deelnemer, en voor zover van toepassing, de Betrokken Partij, doet respectievelijk doen afstand van zijn

respectievelijk hun recht deze overeenkomst te ontbinden en/of te vernietigen op de grond dat, naar

achteraf mocht blijken, één der partijen niet een juiste voorstelling van zaken had met betrekking tot

feiten en/of omstandigheden (waaronder begrepen, maar niet beperkt tot, de uitkomst van eventuele

juridische procedures met betrekking tot effectenlease waarbij Dexia al dan niet partij is) die voor één

en/of beide partij(en) voor het aangaan van deze overeenkomst van belang zijn geweest.

6.4.2 Indien en voor zover enige in deze overeenkomst opgenomen bepaling ongeldig of nietig mocht zijn, tast

deze ongeldigheid of nietigheid de overige bepalingen van de overeenkomst niet aan en blijft de over-

eenkomst voor het overige in stand, tenzij de overige bepalingen naar het redelijk oordeel van Dexia met

deze ongeldige of nietige bepaling in onverbrekelijk verband staan.

6.4.3 Indien en voor zover op grond van haar onredelijk bezwarende karakter of op grond van redelijkheid en

billijkheid op enige in deze overeenkomst opgenomen bepaling geen beroep kan worden gedaan, komt

deze de werking toe van een als een geldig aan te merken bepaling, waarvan de strekking in zodanige

mate aan de eerste bepaling beantwoordt, dat aangenomen moet worden dat deze bepaling zou zijn

opgenomen, indien van de eerste wegens haar ongeldigheid was afgezien.

(…).”

6. Bij beschikking van 25 januari 2007 (LJN: AZ7033) heeft het Gerechtshof te Amsterdam de op 8 mei 2006 door Dexia en enige belangenorganisaties gesloten overeenkomst (verder: de WCAM-overeenkomst) algemeen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst.

De WCAM-overeenkomst (een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:907 BW tussen Dexia en de kring van gerechtigden) bevat een regeling met betrekking tot de afwik-keling van de schade ontstaan uit effectenleaseovereenkomsten. Deze regeling wordt ook wel aangeduid als de “Duisenbergregeling”.

Bij gemelde beschikking van het hof (verder: de WCAM-beschikking) is onder meer bepaald dat diegenen die niet onder de werking van deze regeling willen vallen een opt-outverklaring (de schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 7:908 leden 2 en 3 BW) kunnen indienen (vid. rechtsoverwegingen 10.2 t/m 10.6 van de beschikking).

In de WCAM-overeenkomst staat onder artikel 15.2 dat de hierbedoelde verklaring gericht dient te worden aan mr. J.E. Kielstra, notaris te Den Haag (de persoon als bedoeld in artikel 7:907 lid 2 aanhef en onder f BW).

De opt-outverklaring diende, gelet op de datum dat Dexia de bekendmakingen heeft gepubli-ceerd, uiterlijk op 31 juli 2007 aan notaris Kielstra te zijn gedaan.

7. Inzake de WCAM-overeenkomst en voor zover hier van belang:

-behoren personen die het Dexia Aanbod hebben geaccepteerd volgens artikel 2.2 on-der f van de WCAM-overeenkomst niet tot de gerechtigden;

-verleent elke gerechtigde volgens artikel 14.1 van de WCAM-overeenkomst aan Dexia kwijting terzake van alle vorderingen die voortvloeien uit of in verband met de gel-digheid, het aangaan en de uitvoering van de Effectenlease-overeenkomsten en de wijze waarop voor dergelijke overeenkomsten reclame is gemaakt of anderszins het aangaan daarvan is bevorderd, ongeacht de aard en grondslag van dergelijke vorde-ringen.

8. [gedaagde] heeft niet vóór 1 augustus 2007 een opt-outverklaring ingediend.

9. Bij brief van 10 januari 2008 heeft Varde [gedaagde] inzake het hiervóór onder rov. 2 ver-melde contractnummer ex artikel 3:94 BW in kennis gesteld dat zij door middel van een akte van cessie de vordering(en) heeft verkregen, die Dexia op [gedaagde] had (inclusief neven-rechten, rente en kosten).

De vordering en de grondslag daarvan

10. Varde vordert, kort gezegd, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.848,71, ver-meerderd met de wettelijke rente over € 4.489,16 vanaf 10 januari 2008 tot de dag der alge-hele voldoening, alsmede veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten.

11. Aan haar (overgedragen) vordering legt Varde, kort weergegeven, primair ten grondslag dat door ondertekening van het Dexia Aanbod door [gedaagde] met Dexia een minnelijke rege-ling (een vaststellingsovereenkomst) tot stand is gekomen, waaraan [gedaagde] gebonden is. Voor zover dit niet het geval zou zijn, is Varde subsidiair van mening dat [gedaagde] gebon-den is aan de WCAM-beschikking (Duisenbergregeling), aangezien [gedaagde] niet tijdig dan wel niet geldig een zgn. “opt-outverklaring” heeft ingediend.

Uit hoofde van het Dexia Aanbod dan wel de Duisenbergregeling is [gedaagde] een bedrag verschuldigd van € 4.489,16 te vermeerderen met € 767,33 aan vervallen rente, berekend conform de akte vermindering van eis bij repliek vanaf 22 februari 2007 tot 6 november 2009.

Daar [gedaagde] ondanks herhaalde aanmaning niet heeft betaald, is hij tevens aansprakelijk voor de kosten van de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden van € 673,37.

Het verweer

12. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het verweer van [gedaagde] ziet op de sub-stantiëringsplicht, de akte van cessie, de onderhandelingen/hoogte van de vordering, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten en rente.

Op dit verweer zal bij de beoordeling van het geschil -voor zover relevant- nader worden in-gegaan.

De beoordeling

Substantiëringsplicht

13. [gedaagde] draagt aan dat Varde niet heeft voldaan aan de substantiëringsplicht, omdat zij in de dagvaarding heeft volstaan met een algemeen verhaal i.p.v. vermelding van het eigen verweer van [gedaagde]. [gedaagde] acht het daarom voor de hand liggende dat Varde bij gehele dan wel gedeeltelijke toewijzing van haar vordering wordt veroordeeld in de proceskosten dan wel dat de proceskosten worden gecompenseerd.

14. Met [gedaagde] wordt geconcludeerd dat Varde de haar van [gedaagde] bekende weren dient op te nemen in het lichaam van de dagvaarding; dat Varde inmiddels vele honderden proce-dures aanhanging heeft gemaakt, heeft niet tot gevolg dat zij in individuele procedures kan volstaan met vermelding van alle mogelijke verweren die door allerlei gedaagden gevoerd werden dan wel zouden kunnen worden gevoerd. Dat betekent dat Varde, voor zover het haar uiteraard is bekend, bij dagvaarding melding dient te maken van de eerdere tegen de eis aan-gevoerde eigen/specifieke verweren van gedaagde, i.c. [gedaagde], en de gronden daarvoor.

Hoewel het [gedaagde] aldus kan worden toegegeven dat de dagvaarding niet zijn eigen stand-punt tegen de vordering van Varde weergeeft, wordt zijn verweer verworpen nu aan de door [gedaagde] gestelde gebreken ingevolge artikel 120 lid 4 Rv geen nietigheid van de dagvaar-ding kleeft. Immers, het artikel geeft de rechter de mogelijkheid te bevelen de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken. In dit geval ziet de kantonrechter daar geen aanleiding toe, aangezien reeds uit het antwoord en de daarbij overgelegde producties genoegzaam blijkt dat [gedaagde] (voldoende) heeft begrepen waartoe de vordering strekt en waartegen hij zich had te verweren; [gedaagde] is dan ook redelijkerwijze niet in zijn verdediging bemoeilijkt dan wel geschaad.

Cessie

15. [gedaagde] voert ter zake aan dat hij Varde bij herhaling, maar zonder resultaat, heeft ver-zocht hem ex artikel 3:94 lid 4 BW een gewaarmerkt uittreksel van de akte van cessie en/of de onderliggende titel ter hand te stellen.

Ondanks de zijdens Varde in deze nog ingebrachte stukken weet [gedaagde] nog steeds niet of er sprake is van een rechtsgeldige cessie. Hij meent daarom terecht zijn betaling ingevolge artikel 6:37 BW te hebben opgeschort.

16. Hoewel het verstrekken van het uittreksel van de akte (en evt. titel) op zich geen voor-waarde voor de geldigheid van de overdracht is, wordt daarentegen vastgesteld dat [gedaagde] als schuldenaar tot het moment dat hij de door hem (meermaals aan Varde) verzochte duide-lijkheid heeft verkregen (i.c. terhandstelling gewaarmerkt uittreksel van de akte en haar titel) zijn betaling mag opschorten (artikel 3:94 lid 4 BW juncto artikel 6:37 BW).

Immers, als schuldenaar van de vordering in kwestie is [gedaagde] weliswaar reeds bij brief van 10 januari 2008 ex artikel 3:94 BW in kennis gesteld dat Varde door middel van een akte van cessie de vorderingen heeft verkregen, die Dexia op [gedaagde] had (inclusief nevenrech-ten, rente en kosten), maar daarnaast en teneinde ex artikel 6:32 BW bevrijdend te kunnen betalen aan Dexia (dan wel degene die in haar plaats bevoegd is de betaling te ontvangen) heeft [gedaagde] er vanwege de bij hem levende onduidelijkheid belang bij zich ervan te ver-gewissen of aan die mededeling ook werkelijk een geslaagde cessie (i.c. de rechtmatigheid van de overdracht van de vordering) ten grondslag ligt. Ingevolge artikel 3:94 BW diende Varde (EDR Incasso) hem deze informatie te verstrekken.

17. Uit de hiervoor bij rov. 9 bedoelde brief van 10 januari 2008 (de mededeling) en uit de bij conclusie van repliek ter rolle van 31 mei 2010 ingebrachte bijlagen 6 en 7 (akte notaris van 6 november 2009 en exploot van 6 augustus 2008) in onderling verband en samenhang bezien, wordt, anders dan [gedaagde] thans nog meent, voldoende legitimatie bevonden dat Dexia haar vorderingen op [gedaagde] uit het Dexia Aanbod rechtsgeldig aan Varde heeft ge-leverd. Deze vaststelling houdt mede in dat [gedaagde] naar dezerzijds oordeel vanaf 10 janu-ari 2008 tot 31 mei 2010 zijn betaling op redelijke gronden heeft mogen opschorten.

Hoogte van de vordering

18. Wat de hoogte van de vordering betreft heeft [gedaagde] aangevoerd dat partijen een rege-ling hebben/hadden getroffen, maar dat een en ander is mislukt doordat Varde niet de ver-zochte akte van cessie/titel heeft overgelegd. Volgens [gedaagde] kan Varde daarom slechts aanspraak maken op een bedrag van € 2.700,07, zoals een en ander staat vermeld in de brief van EDR Incasso van 23 oktober 2008.

Dit verweer wordt niet gehonoreerd, reeds omdat de onderhandelingen niet tot positief resul-taat hebben geleid (het van de zijde van EDR Incasso in der minne voorgestelde bedrag van € 2.700,07 is immers onbetaald gebleven) en bovendien zijn de onderhandelingen niet alleen stuk gelopen op het onderdeel van de te overleggen akte van cessie, maar met name op het punt van de incassokosten.

Nu overigens tegen de berekening van de vordering/nettohoofdsom ad € 4.489,16 geen in-houdelijk verweer is ingebracht, zal ter zake uitgegaan worden van de bij repliek onder 7 (1ste alinea) nader toegelichte berekening.

Rente en buitengerechtelijke incassokosten

19. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment waarop [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren met terugbetaling aan Dexia.

Gelet op de als productie 8 bij repliek ingebrachte en onweersproken gebleven brief van Dexia aan [gedaagde] van 23 februari 2006, waarin [gedaagde] op de hoogte is gesteld van het te betalen bedrag en van het moment (binnen vier weken) dat hij bij non-betaling in verzuim zou komen te verkeren. [gedaagde] heeft (alstoen) niet betaald, zodat hij vanaf 23 maart 2006 in verzuim is geraakt en mitsdien vanaf die datum wettelijke rente is verschuldigd.

Bij repliek maakt Varde een nieuwe, gewijzigde berekening van de door haar van [gedaagde] gevorderde vervallen wettelijke rente.

Daarbij berekent zij de rente uit coulance eerst vanaf 22 februari 2007. De vanaf die datum gevorderde rente is, gezien het feit dat [gedaagde] reeds eerder en wel vanaf 23 maart 2006 reeds in verzuim was, toewijsbaar met uitzondering evenwel van de navolgende periode.

Na ontvangst van de brief van 10 januari 2008 (zijnde slechts een informatiebrief) is bij brief aan EDR Incasso van 28 februari 2008 reeds verzocht [gedaagde] de akte van cessie toe te zen-den, teneinde ex artikel 6:32 BW bevrijdend te kunnen betalen.

Zoals hiervoor bij rov. 17 is vastgesteld, was [gedaagde] vanaf 10 januari 2008 tot 31 mei 2010 bevoegd zijn betaling op te schorten. Gedurende deze periode is [gedaagde] dan ook geen wettelijke rente verschuldigd. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen om die reden integraal worden afgewezen.

Vanaf 31 mei 2010 is [gedaagde] vanwege de non-betaling/verzuim wederom de gevorderde wettelijke rente verschuldigd.

20. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De door Varde medegevorderde nakosten zijn echter niet toewijsbaar nu daar-voor zo nodig separaat een bevelschrift behoort te worden verkregen.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagde] om aan Varde tegen kwijting te betalen een bedrag van € 4.489,16, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 februari 2007 tot 10 januari 2008 en vanaf 31 mei 2010 tot de dag van betaling.

Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die tot heden voor Varde worden vastgesteld op een bedrag van € 699,32 [inclusief btw, indien en voor zover door [gedaagde] verschuldigd], waaronder begrepen een bedrag van € 400,- voor salaris van de gemachtigde van Varde [waarover [gedaagde] geen btw verschuldigd is].

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. van den Berg, kantonrechter, bijgestaan door de grif-fier, en op 18 oktober 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter