Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO5275

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
14.810063-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervoer van 756 kilo hasjiesj. Doorzoeking in bestelbus. Geen onrechtmatig verkregen bewijs. Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Zitting houdende te Haarlem

Sector straf

Parketnummer : 14.810063-10 (P)

Datum uitspraak : 29 juni 2010 (te Alkmaar)

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats en –datum],

thans gedetineerd te PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 juni 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 05 februari 2010 in de gemeente Castricum en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid, te weten (ongeveer) 800 kilo hasjiesj, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 5 februari rijdt de verdachte in een grijze bestelbus op de A9 ter hoogte van Akersloot in de richting van Uitgeest. Twee motorsurveillanten van de politie Noord-Holland Noord zien dat de bestuurder te hard rijdt en opvallend verkeersgedrag vertoont. Ze besluiten de bestuurder een stopteken te geven met de bedoeling een controle op grond van de Wegenverkeerswet uit te voeren. De bestuurder parkeert zijn voertuig op de parkeerplaats van [onderneming 1]. De bestuurder wordt vervolgens verzocht om het rijbewijs en kenteken te tonen maar kan daar niet aan voldoen. Hij verklaart desgevraagd dat hij niet weet van wie de bestelbus is, dat hij alleen iets moet wegbrengen en niet weet wat er in de lading van de bus zit. Hij opent daarop de achterdeuren van de bestelbus en toont zijn lading. De verbalisanten zien in de bestelbus drie pallets met dozen opgestapeld. Navraag bij de meldkamer wijst uit dat de verdachte antecedenten heeft op grond van onder meer de Opiumwet. De verbalisanten zien vervolgens dat de dozen geen opschrift hebben. Door een kier in een van de dozen ziet één van hen een opvallend groot conservenblik zonder etiket of opschrift. De verbalisant maakt een van de dozen open en haalt er een blik uit. De verbalisanten vermoeden dat er drugs in de blikken zit. De verdachte wordt aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.

Onderzoek wijst later uit dat er in ieder blik circa twee kilo hasjiesj, ofwel geperste hennephars, zit. In totaal bedraagt de aangetroffen hoeveelheid 756 kilo hasjiesj.

De verdachte heeft als verweer aangevoerd ter terechtzitting, dat hij niet wist dat hij drugs vervoerde. Hij ontkent hiermee dat hij opzettelijk drugs heeft vervoerd, zoals ten laste gelegd.

De raadsman betoogt dat de doorzoeking van de bestelbus onrechtmatig was en dat het daaruit voortvloeiende bewijs uitgesloten moet worden.

De rechtbank dient te beoordelen of deze verweren gegrond zijn.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte een grote hoeveelheid hasjiesj heeft vervoerd. De verdachte vertoonde opvallend rijgedrag op de A9, hetgeen voldoende reden was voor de verbalisanten om hem staande te houden op grond van de Wegenverkeerswet. Er is, anders dan door de verdachte op voorhand is geopperd, geen tip ontvangen dat er drugs vervoerd zouden worden.

Volgens de officier van justitie was de verdachte op de hoogte van de lading die hij vervoerde. Het verhaal van verdachte, dat hij geen wetenschap had ten aanzien van hetgeen hij vervoerde, is niet geloofwaardig, reeds omdat hij geen informatie geeft over zijn opdrachtgever en evenmin een adres kan geven van de plaats waar hij de lading op zou halen dan wel de identiteit van de belader. De verdachte heeft bovendien over zijn betrokkenheid bij het strafbare feit verklaard tegenover een arrestantenverzorger.

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman doet namens de verdachte een beroep op vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hij betoogt dat het voertuig van de verdachte doorzocht is zonder dat de verbalisanten daartoe bevoegd waren. De verdachte had niet specifiek toestemming verleend voor de doorzoeking. Op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering wordt de specifieke bevoegdheid tot het doorzoeken van voertuigen ontleend aan een heterdaad situatie dan wel een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Volgens de raadsman was van beide situaties geen sprake. Naar het oordeel van de raadsman waren er op het moment van de doorzoeking nog te weinig aanknopingspunten voor ontdekking op heterdaad. De verbalisanten hebben wel het vermoeden van een strafbaar feit, maar kunnen op dat moment nog geen wetenschap hebben of dit een feit is dat valt onder artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Er is dus niet voldaan aan de criteria van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering en er was evenmin toestemming van de verdachte voor de doorzoeking. De onrechtmatige doorzoeking is volgens de raadsman een onherstelbaar vormverzuim met als gevolg dat al het bewijs dat hieruit voortgekomen is moet worden uitgesloten. Aangezien er geen ander bewijs tegen de verdachte is, verzoekt de raadsman om vrijspraak.

De verdachte heeft ter terechtzitting als verweer aangevoerd dat hij niet wist dat hij drugs vervoerde. De rechtbank vat dit verweer op als een bewijsverweer nu het zich richt op de tenlastelegging, waarin de verdachte ten laste wordt gelegd dat hij ‘opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad’. Indien het verweer slaagt dient de verdachte te worden vrijgesproken van het bestanddeel van het opzet.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Vormverzuim

De rechtbank stelt voorop dat in onderhavige zaak sprake is geweest van een doorzoeking in de zin van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering, nu er sprake was van meer dan zoekend rondkijken. Naar het oordeel van de rechtbank steunde de doorzoeking niet op toestemming van de verdachte en evenmin was er sprake van een ontdekking op heterdaad. De vraag die vervolgens door de rechtbank dient te worden beantwoord is of er, gegeven de omstandigheden, voor de verbalisanten voldoende verdenking tegen de verdachte bestond van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank heeft bij de beantwoording van deze vraag de volgende omstandigheden in ogenschouw genomen.

De verdachte wordt door twee verbalisanten staande gehouden in Akersloot op grond van zijn rijgedrag in een grijze bestelbus met kenteken [kenteken]. De verdachte verklaart desgevraagd dat hij niet weet van wie de bus is, dat hij alleen iets moet wegbrengen en niet weet wat er in de lading van de bus zit. Een van de verbalisanten wijst hem erop dat het onverstandig is om in een bus te gaan rijden zonder te weten wat erin zit, want er zouden wel eens drugs in kunnen zitten. De verdachte reageert volgens de verbalisanten zeer nerveus en gespannen op deze laatste opmerking. Hij doet vervolgens de achterdeuren van de bus open en zegt dat de agenten mogen kijken.

De verbalisanten zien in de bestelbus drie pallets met dozen opgestapeld.

Navraag bij de meldkamer wijst uit dat de verdachte antecedenten heeft op grond van de Wet Wapens en Munitie, de Opiumwet en de Wegenverkeerswet. De verbalisanten geven de verdachte vervolgens de cautie. In antwoord op de vraag waar hij de lading heeft opgehaald vertelt de verdachte een onsamenhangend verhaal. Hij verklaart dat de bus eigendom is van ene [naam 1] of [naam 2], die een groentewinkel heeft. Naar eigen zeggen heeft hij de bus leeg in Amsterdam opgehaald en komt hij nu bij [onderneming 2] vandaan, waar hij thee gedronken heeft. Terwijl de verdachte bij [onderneming 2] zat, heeft ene [naam 3] een lading in de bestelbus geplaatst. De verdachte was daar zelf niet bij.

De [opsporingsambtenaar] ziet dat de eerste pallet een wazige opdruk heeft en dat de dozen helemaal geen opschrift of kenmerk hebben, zodat niet duidelijk is waaruit de inhoud bestaat. Door een kier in een van de dozen ziet [opsporingsambtenaar] een opvallend groot conservenblik zonder etiket of opschrift. [Opsporingsambtenaar] begint voorts aan een doorzoeking door het conservenblik dat hij had gezien uit de doos te halen.

De rechtbank oordeelt op basis van de hierboven genoemde bewijsmiddelen dat de verbalisanten voldoende grond hadden voor een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering.

Een van de in artikel 67 lid 1 onder c van het Wetboek van Strafvordering genoemde misdrijven is artikel 11 lid 2 van de Opiumwet, waarin het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder B, C of D van de Opiumwet strafbaar wordt gesteld. Het vervoeren van middelen als bedoeld in lijst II bij de Opiumwet is strafbaar gesteld in artikel 3 onder B van de Opiumwet.

De verdachte reageerde gespannen en nerveus. Hij gaf geen concrete en consistente verklaring over de inhoud van de lading, over zijn opdrachtgever, over de belader en over zijn eindbestemming. Verdachte bleek bovendien antecedenten te hebben op grond van de Opiumwet. Daarnaast kan de aanblik van de lading van de bus als verdacht worden beschouwd. Er zaten immers geen etiketten op de pallets en de dozen en de verbalisant zag door een kier in een van de dozen een opvallend groot conservenblik zonder opdruk. Op basis van al deze omstandigheden was sprake van een gegronde verdenking van een strafbaar feit als bovenbedoeld.

Er is daarom geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs.

Bewijsverweer

De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd, dat het gebruikelijk is dat een chauffeur niet aanwezig is bij het inladen van de vracht.

De rechtbank stelt voorop, dat de verdachte geen beroepschauffeur is en dat zijn situatie reeds om die reden niet vergelijkbaar is. Daarnaast blijkt uit het bovenstaande dat de verdachte geen concrete gegevens verstrekt over de opdrachtgever van het transport. Evenmin is traceerbaar waar en door wie de belading heeft plaatsgevonden. Er is derhalve geen sprake van een gebruikelijk te noemen goederentransport.

Al het vorenstaande in aanmerking genomen acht de rechtbank niet aannemelijk dat de verdachte geen kennis had van de lading die hij vervoerde. Het verweer slaagt dus niet.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte opzettelijk hasjiesj heeft vervoerd in de bestelbus.

Overige beoordeling tenlastelegging

De redengevende feiten tot het moment van de aanvang van de doorzoeking zijn hierboven besproken onder vormverzuim.

Nadat [opsporingsambtenaar] een conservenblik uit een doos in de bestelbus had genomen heeft hij het blik geschud. Hij hoorde dat er zand of grit in zat en een hard blok of een harde brok in het midden. Aan [opsporingsambtenaar] was ambtshalve bekend dat soms drugs worden vervoerd in conservenblikken. Vervolgens werd de verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. De mobiele telefoon van de verdachte, de bus en de lading werden in beslag genomen.

De lading van de bus bleek te bestaan uit 378 blikken met elk twee blokken hasjiesj van elk een kilogram. Vervolgens is een van de blokken getest. De stof had de uiterlijke kenmerken en geur van hasjiesj en bleek de werkzame stof THC te bevatten.

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 05 februari 2010 in de gemeente Castricum opzettelijk heeft vervoerd 756 kilo hasjiesj.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 22 maanden met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Zij let hierbij in het bijzonder op de documentatie van de verdachte, die al eerder veroordeeld is op grond van de Opiumwet.

De reclassering kan geen advies geven over deze verdachte. Er is geen reden om een deel van de straf als voorwaardelijke straf op te leggen.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om vrijspraak.

Subsidiair verzoekt de raadsman om de ondergeschikte rol van de verdachte mee te wegen in de straftoemeting. Hij vervoerde immers slechts een lading waarbij hem de bestemming werd opgedragen zonder daar zelf enige zeggenschap in te hebben.

De raadsman verzoekt tevens het aantal kilogrammen in de tenlastelegging naar beneden bij te stellen, nu is komen vast te staan dat de hoeveelheid hasjiesj 756 kilogram bedroeg en niet 810 of 800 kilogram. Hij verzoekt om deze hoeveelheid naar beneden af te ronden en de strafmaat te baseren op 700 kilogram.

De eis van de officier is volgens de raadsman blijkens aangehaalde jurisprudentie te hoog. De raadsman verzoekt een groot gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen. De verdachte heeft namelijk al eerder een voorwaardelijke straf gehad en heeft zich destijds in de proeftijd niet schuldig gemaakt aan een misdrijf.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

De verdachte heeft een zeer grote hoeveelheid hasjiesj, een middel opgenomen in lijst II bij de Opiumwet, vervoerd in een bestelbus. Dit is een ernstig delict en de vraag of de verdachte al dan niet een ondergeschikte rol vervulde bij dit transport kan daaraan niet afdoen, reeds omdat met betrekking tot de rolverdeling geen bewijsmiddel voorhanden is. De rechtbank heeft in haar oordeel meegenomen dat de bewezen verklaarde hoeveelheid hasjiesj in de bestelbus lager is dan de primair ten laste gelegde hoeveelheid.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 08 februari 2010, waaruit blijkt dat de verdachte eerder terzake van een drugsdelict tot een deels voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden om na de proeftijd te recidiveren. De rechtbank ziet geen aanleiding om opnieuw een gedeelte van de vrijheidsstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

9. Beslag

De rechtbank dient een beslissing te nemen met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen aangetroffen bij de verdachte of in de bestelbus, te weten:

2 1.00 STK Telefoontoestel Kl:Zwart

NOKIA

3 1.00 STK Navigatiesysteem (GPS)

TOM TOM 4n00-005

4 1.00 STK Navigatiesysteem (GPS) Kl:Zwart

TOM TOM G0720

5 1.00 STK Navigatiesysteem (GPS) Kl:Zwart

TOM TOM 4n00.004

6 1.00 STK Navigatiesysteem (GPS) Kl:Zwart

TOM TOM

7 2.00 STK Autogereedschap

CELLY

2 adaptersnoeren

8 1.00 STK Acculader Kl:Wit

COMPIT

9. 1.00 STK Telefoontoestel Kl:Grijs

NOKIA 1100

10 1.00 STK Keukenartikel Kl:Grijs

-

rond blik

11 1.00 STK Tas Kl:Zwart

KELLY

12 2.00 STK Blouse

-

met embleem [onderneming 4]

De officier van justitie heeft verzocht om verbeurdverklaring van de zwarte Nokia telefoon aangezien deze gebruikt is voor het strafbare feit. Alle overige voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n).

De raadsman heeft primair verzocht om vrijspraak en derhalve verzocht om de zwarte Nokia telefoon niet verbeurd te verklaren. Alle overige voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende[n].

De rechtbank is van oordeel, dat het in beslag genomen voorwerp, genoemd onder 2 van de beslaglijst, te weten de zwarte Nokia telefoon, verbeurd dient te worden verklaard.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde met behulp van dit voorwerp is begaan.

De overige in beslag genomen voorwerpen 3 tot en met 12 dienen te worden bewaard ten behoeven van de rechthebbende[n].

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek

STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

De rechtbank is van oordeel, dat het onder 2 van de beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerp, te weten de zwarte telefoon van het merk Nokia, dient te worden verbeurd verklaard.

De rechtbank is van oordeel, dat de overige in beslag genomen voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende[n].

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. Y.M.I. Greuter-Vreeburg en mr. G.A.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Helder en mr. B.A. Schenk, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juni 2010 te Alkmaar.