Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO1894

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
121201 / KG ZA 10-240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser beschikt over een executoriale titel jegens gedaagde. Gedaagde legt conservatoir beslag onder zichzelf. Voorzieningenrechter dient bij het verlenen van verlof tot het leggen van dat beslag te waken voor het enkele frustreren van een veroordeling tegen verzoeker. Als het verlof toch wordt verleend, levert het gebruikmaken van die executoriale titel na het leggen van dat conservatoir eigenbeslag tegen verzoeker misbruik van procesrecht op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

FV/HW

KG nummer: 121201/KG ZA 10-240

datum: 12 augustus 2010

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

[NAAM EISER],

wonende te Tuitjenhorn,

EISER IN CONVENTIE IN KORT GEDING bij dagvaarding van 22 juli 2010,

VERWEERDER IN RECONVENTIE IN KORT GEDING,

advocaat mr. R.J. van Velzen te Alkmaar,

tegen:

de besloten vennootschap P.B.K. TECHNISCHE INSTALLATIES B.V.,

statutair gevestigd en kantoor houdende te Alkmaar,

GEDAAGDE IN CONVENTIE IN KORT GEDING,

EISERES IN RECONVENTIE IN KORT GEDING,

advocaat mr. A.J.J. Sweens te Den Helder.

Partijen zullen verder worden genoemd "[naam 1]" respectievelijk "PBK".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 2 augustus 2010 heeft [naam 1] in conventie gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

PBK heeft de vordering bestreden en een eis in reconventie ingesteld. [naam 1] heeft tegen die vordering verweer gevoerd.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van [naam 1] de originele dagvaarding en van de zijde van PBK, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

in conventie en in reconventie

2.1 Vanaf 1 september 2007 is [naam 1] als vestigingsleider in dienst geweest bij PBK.

2.2 Op enig moment zijn partijen met elkaar in onderhandeling getreden over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Deze onderhandelingen hebben geleid tot een vaststellingsovereenkomst d.d.22 september 2009. In artikel 2.3. van de overeenkomst is bepaald dat PBK aan [naam 1] een ontbindingsvergoeding van

[euro 25.000,- bruto zal betalen, te voldoen in drie gelijke maandelijkse termijnen. In artikel 11 is opgenomen dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen en verklaren zij dat zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.

2.3 Bij beschikking van 28 september 2009 van deze rechtbank, sector kanton, locatie Alkmaar, is de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2009 ontbonden en is aan [naam 1] ten laste van PBK een bruto vergoeding van [euro 25.000,- toegekend.

2.4 PBK heeft aan [naam 1] de eerste termijn van de ontbindingsvergoeding voldaan.

2.5 Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter heeft PBK op

29 januari 2010 ten laste van [naam 1] conservatoir beslag onder zichzelf gelegd, meer in het bijzonder op de vordering die [naam 1] op PBK heeft op grond van voormelde beschikking. PBK legt aan dat beslag, kort gezegd, ten grondslag dat zij een vordering op [naam 1] heeft uit hoofde van verduistering in dienstbetrekking althans onrechtmatig handelen.

2.6 Bij deze rechtbank is onder zaak- en rolnummer 117645/HA ZA 10-181 de bodemprocedure aanhangig over de vordering van PBK. In deze procedure is een comparitie na antwoord gepland op 1 oktober 2010.

2.7 Op 22 juli 2010 heeft [naam 1] ten laste van PBK executoriaal derdenbeslag gelegd onder Rabobank Noord-Holland Noord.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

in conventie en in reconventie

3.1 [naam 1] vordert in conventie, verkort weergegeven, opheffing van het door PBK gelegde conservatoir beslag, met veroordeling van PBK in de kosten van het geding.

3.2 In reconventie vordert PBK, samengevat,

a. opschorting van de ontbindingsbeschikking totdat in de bodemprocedure in

kracht van gewijsde is beslist,

b. opheffing van het door [naam 1] op 22 juli 2010 gelegde executoriaal

beslag,

c. veroordeling van [naam 1] in de kosten van het geding in reconventie.

3.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beslissing van belang, nader ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

in conventie

4.1 Ter beantwoording ligt de vraag voor of het door PBK gelegde conservatoir eigenbeslag op de vordering die [naam 1] op haar heeft uit hoofde van de beschikking van 28 september 2009 moet worden opgeheven. Vooropgesteld wordt dat, nu [naam 1] over een executoriale titel ten opzichte van PBK beschikt, een conservatoir eigenbeslag in beginsel slechts dan aanvaardbaar is indien de gepretendeerde tegenvordering van PBK op basis van de overgelegde stukken voorshands voldoende is gestaafd en PBK derhalve met het beslag niet op eigenlijke gronden beoogt de tenuitvoerlegging van de jegens haar ten gunste van [naam 1] gewezen beschikking te frustreren.

4.2 PBK heeft aan haar verzoek tot het leggen van conservatoir eigenbeslag ten grondslag gelegd dat zij een vordering op [naam 1] heeft uit hoofde van verduistering in dienstbetrekking, althans onrechtmatig handelen. Zij verwijt [naam 1] dat hij werknemers en uitzendkrachten van PBK ten behoeve van zichzelf in privé heeft laten werken zonder de loonkosten te vergoeden die door PBK zijn voldaan. Hiermee is een bedrag van ongeveer [euro 43.500,- gemoeid. Verder verwijt zij [naam 1] dat hij een groot aantal gereedschappen en materialen ten laste van PBK gekocht heeft en in privé onder zich heeft gehouden, een en ander tot een bedrag van ongeveer [euro 39.000,-. Voorts betoogt PBK dat zij aan [naam 1] ten onrechte wegens advieskosten een bedrag van [euro 4.141,- heeft betaald.

In het navolgende wordt ten aanzien van deze drie onderdelen ieder afzonderlijk onderzocht of deze op basis van de overgelegde stukken aan voormeld criterium voldoen.

uren

4.3 Ter onderbouwing van haar vordering uit hoofde van door [naam 1] niet betaalde uren heeft PBK bij de dagvaarding in de bodemprocedure weeklijsten en totaalstaten van 2008 en 2009 overgelegd.

[naam 1] bestrijdt niet dat werknemers van PBK werkzaamheden voor hem in privé hebben verricht maar stelt dat hij daarvoor geen vergoeding aan PBK verschuldigd is. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [naam 1] een verklaring van een voormalig bestuurder van PBK, [naam 2], in het geding gebracht. In zijn brief van 7 juli 2010 verklaart [naam 2] als volgt:

"(...)

3. [naam 3], [naam 1] en ik vergaderden eens per maand. Ik herinner mij dat in ten minste één van deze overleggen het inschakelen van monteurs voor klusjes aan de woning van [naam 1] aan de orde is geweest. [naam 1] kreeg van [naam 3] en mij toestemming om de monteurs daarvoor in te zetten als er echt niets anders te doen was. (...).

4. Voor verdere bijzonderheden over dit onderwerp verwijs ik naar de aan deze verklaring gehechte brief van de heer [naam 1], waarvan ik de juistheid onderschrijf. Ik heb ook onder deze brief mijn handtekening geplaatst. [naam 3] was dus volledig bekend met het feit dat er een regelmatig gebrek aan werk was en dat de monteurs in deze uren eventueel bij [naam 1] aan het werk waren."

De brief waarnaar [naam 2] in zijn verklaring verwijst, betreft een ongedateerde brief van [naam 1]. [naam 1] schrijft onder meer het volgende:

"(...)

Als zou blijken dat na bovenstaande stappen we geen oplossing hadden voor de werkbezetting zou ik kijken in hoeverre de mannen hand en spant dienst konden verlenen bij mij op het erf. (...). Hiervoor is een separaat werknummer aangemaakt gemaakt (...) Tevens hebben wij met elkaar afgesproken dat de geboekte uren hiervan niet in rekening zouden worden gebracht. Ik had dit nooit kunnen bekostigen en deze oplossing hebben we altijd gezien als laatste oplossing."

Op grond van deze verklaring van [naam 2], in combinatie met de door hem ondersteunde verklaring van [naam 1], is in dit kort geding voldoende aannemelijk geworden dat [naam 1] voor die uren niet hoefde te betalen. In zoverre voldoet de vordering van PBK niet aan het onder 4.1. weergegeven criterium.

materialen en gereedschappen

4.4 Ter onderbouwing van haar vordering wegens de ingekochte materialen en gereedschappen heeft PBK bij de dagvaarding in de bodemprocedure in totaal

46 facturen en inkooporders overgelegd. Hierbij heeft zij uiteengezet dat het onder meer gaat om bestellingen die in haar bedrijf normaliter niet worden gedaan en om afleveringen die zijn gedaan bij het privé-adres van [naam 1].

[naam 1] betoogt daarentegen dat PBK geen vordering op hem heeft, onder meer niet omdat de finale kwijting die in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen ook ziet op de door PBK bedoelde materialen en gereedschappen.

[naam 1] kan echter vooralsnog niet in dit betoog worden gevolgd. Op bladzijde 1 van de vaststellingsovereenkomst wordt bij de 'overwegingen' gerefereerd aan de arbeidsovereenkomst en het voornemen van PBK om tot beëindiging daarvan over te gaan. Op basis hiervan moet worden aangenomen dat de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde afspraken in de eerste plaats betrekking hebben op het einde van de arbeidsovereenkomst. Dit brengt mee dat de finale kwijting in beginsel slechts ziet op hetgeen PBK uit hoofde van de arbeidsovereenkomst van [naam 1] te vorderen heeft. In de bodemprocedure stelt PBK zich op het standpunt dat zij een vordering op [naam 1] heeft uit hoofde van onrechtmatig handelen. Niet aannemelijk is dat die kwijting ook ziet op andere vorderingen dan uit hoofde van de overeenkomst.

4.5 [naam 1] stelt verder dat hij reeds aan zijn verplichtingen heeft voldaan, nu hij voor de materialen heeft betaald. Deze betalingen vonden onder meer plaats via verdiscontering in de ontbindingsvergoeding en via de zogenaamde 'zwarte kas'.

Ten aanzien van de verdiscontering in de ontbindingsvergoeding geldt het volgende. Van de zijde van PBK is ter zitting verklaard dat zij uit hoofde van de materialen en gereedschappen een bedrag van ongeveer [euro 33.000,- van [naam 1] te vorderen heeft. Onvoldoende aannemelijk is dat in de ontbindingsvergoeding van

[euro 25.000,- een dergelijk bedrag is verdisconteerd. [naam 1] erkent dat hij in het kader van de onderhandelingen een bedrag van ongeveer [euro 5.000,- heeft genoemd. PBK stelt nu dat haar naderhand is gebleken dat het om een veelvoud hiervan gaat. Zij betoogt verder dat zij geen aanleiding zag om een nader onderzoek naar het exacte bedrag in te stellen, nu zij vertrouwde op de door [naam 1] terzake gedane mededeling. Voorshands valt niet in te zien waarom PBK destijds niet had mogen vertrouwen op de door [naam 1] gedane mededeling. Aan PBK kan daarom in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat zij op dit punt geen nader onderzoek in haar administratie heeft gedaan. Het voorgaande brengt met zich dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vordering die PBK pretendeert, niet geacht kan worden reeds volledig te zijn verdisconteerd in de ontbindingsvergoeding

4.6 Omtrent de betalingen via de 'zwarte kas' geldt het volgende. In het licht van het verweer van PBK, ligt het op de weg van [naam 1] om de juistheid van zijn standpunt aannemelijk te maken. Daarin is hij vooralsnog niet geslaagd. [naam 1] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat er inderdaad omvangrijke betalingen (het betreft onder meer de betaling van een vloerverwarming van ongeveer [euro 8.000,- danwel [euro 5.000,- exclusief BTW) via die kas werden verricht. De verklaringen van andere werknemers van PBK kunnen hem daarbij niet baten. Daarin wordt immers niet gerept over bedragen in de orde van grootte als waar [naam 1] het over heeft.

4.7 [naam 1] heeft verder gesteld dat uit het door hem in productie 7 bij de conclusie van antwoord in de bodemprocedure overgelegde overzicht blijkt hoe hij voor de materialen heeft betaald. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit overzicht [naam 1] niet baten, nu dit overzicht door [naam 1] zelf is opgesteld en bovendien uit dat overzicht wel blijkt dat de desbetreffende leverancier is betaald door PBK maar niet dat PBK vervolgens daarvoor gelden van [naam 1] heeft ontvangen.

advieskosten

4.8 Uit het beslagrekest blijkt dat PBK stelt wat de advieskosten betreft een vordering van [euro 4.141,- op [naam 1] te hebben. [naam 1] stelt zelf in dit kort geding dat in de vaststellingsovereenkomst een maximumbedrag van [euro 2.500,- is opgenomen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat PBK een hoger bedrag heeft betaald. Ook dit onderdeel van de vordering van PBK kan daarom niet bij voorbaat als kansloos worden beschouwd.

slotsom

4.9 Op grond van het voorgaande is voldoende aannemelijk dat PBK het eigenbeslag niet heeft gelegd om de executie van de beschikking van 28 september 2009 te frustreren maar ter verhaal van een vordering op [naam 1]. Er bestaat derhalve geen aanleiding om tot opheffing van het beslag over te gaan. De daartoe strekkende vordering van [naam 1] wordt afgewezen.

4.10 [naam 1] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in conventie veroordeeld in de kosten van het geding.

in reconventie

4.11 Bij de beoordeling van het verzoek tot het leggen van een conservatoir beslag onder de schuldenaar zelf op de vordering, die de schuldeiser op hem heeft, dient de voorzieningenrechter af te wegen in hoeverre dit verzoek slechts beoogt om de executie van een tegen de verzoeker gewezen beschikking (waartegen geen rechtsmiddel meer kan worden aangewend) te frustreren.

In de onderhavige zaak heeft de voorzieningenrechter die afweging gemaakt en het verzoek toegewezen. PBK heeft van het verlof gebruik gemaakt en beslag onder zichzelf gelegd. [naam 1] is daartegen opgekomen en vordert in deze zaak in conventie opheffing van dat beslag. Hiervoor heeft de voorzieningenrechter in dit vonnis in conventie geoordeeld dat die vordering zal worden afgewezen. Met andere woorden, het beslag onder PBK blijft gehandhaafd. Dit heeft als feitelijke consequentie dat PBK niet aan de veroordeling ten gunste van [naam 1] behoeft te voldoen, totdat in de hoofdzaak zal zijn beslist of het beslag op andere wijze zal zijn vervallen. [naam 1] heeft na het leggen van conservatoir beslag door PBK de rechtens onaantastbare beschikking van 28 september 2009 tegen PBK ten uitvoer gelegd door beslag te leggen onder de bankinstelling van PBK. Onder deze omstandigheden levert het gebruikmaken van de beschikking misbruik van procesrecht op. De vordering van PBK tot schorsing van de executie en tot opheffing van het beslag zal daarom worden toegewezen.

4.12 [naam 1] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie. Nu de reconventionele vordering in het verlengde ligt van de vordering in conventie, worden de kosten van PBK in reconventie begroot op nihil.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

in conventie

- weigert de gevorderde voorziening;

- veroordeelt [naam 1] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van PBK begroot op [euro 263,- aan verschotten en op [euro 816,- aan salaris advocaat;

in reconventie

- schort de executie op van de tussen partijen gewezen ontbindingsbeschikking d.d. 28 september 2009 (09-261) totdat in de tussen partijen aanhangige procedure bij deze rechtbank onder rolnummer 117645/10-181 in kracht van gewijsde is beslist;

- heft op het ten laste van PBK door [naam 1] gelegde executoriale derdenbeslag van 22 juli 2010 onder Rabobank Noord-Holland Noord;

- veroordeelt [naam 1] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van PBK begroot op nihil;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. H. Warnink, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken door mr. J. Blokland ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2010 in tegenwoordigheid van mr. F. Vermeij, griffier.