Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO1321

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
09/1325
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder was niet gehouden het primaire besluit van 2 juli 2008, waarbij de bijstandsuitkering van eiseres is ingetrokken, aan de bewindvoerder van eiseres toe te zenden. De rechtbank heeft hierbij onder meer in aanmerking genomen dat uit de artikelen 1:431 en 1:441 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig niet voortvloeit dat verweerder tot toezending van stukken aan de bewindvoerder is gehouden, doch dat van een zodanige verplichting slechts sprake is indien over het toezenden van de stukken aan de bewindvoerder met alle betrokkenen duidelijke afspraken zijn gemaakt dan wel de bewindvoerder uitdrukkelijk heeft aangegeven de stukken te willen ontvangen. Het besluit van 2 juli 2008 is derhalve – door toezending aan eiseres – op diezelfde dag op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 09/1325 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woondplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. A.J.J. van der Heiden,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 2 juli 2008 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 16 juni 2008 beëindigd (de rechtbank begrijpt: ingetrokken).

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 31 maart 2009 ongegrond verklaard.

Bij fax van 12 mei 2009 heeft eiseres tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 2 september 2010, waar eiseres in persoon en bij gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door L.M.M. Schenk.

Motivering

1. De rechtbank is gehouden de ontvankelijkheid van het bezwaar ambtshalve te beoordelen.

2. Voor die beoordeling is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

De bezwaartermijn vangt ingevolge artikel 6:8 van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Deze bekendmaking geschiedt, zoals blijkt uit artikel 3:41, eerste lid, van de Awb door toezending of uitreiking van het besluit aan de belanghebbenden, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 8:21, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, worden natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht.

Ingevolge artikel 8:21, tweede lid, van de Awb, kunnen de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.

Ingevolge artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, voor zover van belang, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

Ingevolge artikel 1:441, eerste lid, van het BW, vertegenwoordigt tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte.

De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende.

3. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1 Bij beschikking van 6 juli 2006 van de rechtbank Alkmaar is Stichting Budgetbeheer Bewind en Schuldhulpverlening (Stichting BBS) tot bewindvoerder van eiseres benoemd. Eiseres is tot op heden onder bewind gesteld. Eiseres heeft (zelf) in november 2007 een WWB-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft aan eiseres bij besluit van 21 mei 2008 met ingang van 9 november 2007 een WWB-uitkering toegekend en dit besluit aan eiseres (zelf) toegezonden. Eiseres heeft voorts (zelf) voorschotten op haar WWB-uitkering aangevraagd en gekregen. Verweerder heeft voorts de maandelijkse inkomstenformulieren rechtstreeks aan eiseres toegezonden. Ten tijde van de aanvraag om bijstandsuitkering stond eiseres onder bewind. Dit was ook ten tijde van het toekenningsbesluit van 21 mei 2008 het geval.

3.2 Eiseres heeft niet gesteld en de rechtbank is uit de gedingstukken ook niet gebleken dat de bewindvoerder van eiseres bij verweerder een (uitdrukkelijk en ondubbelzinnig) verzoek heeft gedaan om alle correspondentie inzake de bijstandsuitkering van eiseres toegestuurd te krijgen. De rechtbank is evenmin gebleken van een specifieke afspraak tussen verweerder en (de bewindvoerder van) eiseres over de toezending van de stukken verband houdend met eiseres’ bijstandsuitkering.

3.3 Uit de gedingstukken komt verder naar voren dat er tussen de bewindvoerder en eiseres nauwelijks tot geen contact was. Verweerder heeft, nadat hem was gebleken dat eiseres niet meer woonachtig was op het door haar opgegeven adres [adres] te [woondplaats], contact opgenomen met Stichting BBS teneinde te informeren naar het nieuwe adres van eiseres. Daarop heeft de Stichting BBS verweerder meegedeeld niet van een adreswijziging van eiseres op de hoogte te zijn. Verweerder heeft vervolgens de bijstandsuitkering van eiseres bij het primaire besluit van 2 juli 2008 met ingang van 16 juni 2008 ingetrokken, omdat uit onderzoek was gebleken dat eiseres niet woonachtig was op het door haar opgegeven adres. Het besluit van 2 juli 2008 is aan eiseres zelf toegezonden.

3.4 Ter zitting is de rechtbank gebleken dat verweerder op 23 oktober 2008 op aanvraag van en aan de gemachtigde van eiseres het besluit van 2 juli 2008 heeft toegezonden.

4. Onder de voornoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder, hoewel hij op de hoogte was van het feit dat bewind was ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan eiseres, gehouden was het primaire besluit van 2 juli 2008 aan de bewindvoerder van eiseres toe te zenden. De rechtbank neemt hierbij allereerst in aanmerking dat uit de voornoemde artikelen van het BW als zodanig niet voortvloeit dat verweerder tot toezending van stukken aan de bewindvoerder is gehouden, doch dat van een zodanige verplichting slechts sprake is indien over het toezenden van de stukken aan de bewindvoerder met alle betrokkenen duidelijke afspraken zijn gemaakt dan wel de bewindvoerder uitdrukkelijk heeft aangegeven de stukken te willen ontvangen. Dat een van deze situaties zich voordoet is in de voorliggende situatie niet gebleken. Voorts acht de rechtbank van belang dat het contact tussen de bewindvoerder en eiseres (zeer) moeizaam verliep en de bewindvoerder niet op de hoogte was van de aan het primaire besluit ten grondslag liggende adreswijziging van eiseres. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres niet tot een redelijke waardering van haar belangen in de zin van artikel 8:21, tweede lid, van de Awb in staat kan worden geacht. Eiseres heeft immers steeds zelf die handelingen (kunnen) verricht(en) die van belang waren voor haar bijstandsuitkering. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat eiseres zelf de uitkering heeft aangevraagd en verweerder de eerdere besluiten inzake eiseres’ bijstandsuitkering, zoals het toekenningsbesluit, ook aan eiseres zelf heeft toegezonden. Niet valt in te zien waarom verweerder het besluit van 2 juli 2008 niet eveneens aan eiseres heeft kunnen toesturen.

5. Nu de rechtbank voorts niet is gebleken dat de huidige gemachtigde van eiseres ten tijde van het primaire besluit reeds als gemachtigde van eiseres optrad en dit ook bij verweerder kenbaar had gemaakt, was verweerder evenmin gehouden het primaire besluit (mede) aan de gemachtigde toe te zenden.

6. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het besluit van 2 juli 2008 –

door toezending aan eiseres – op diezelfde dag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 3 juli 2008 en is geëindigd op 14 augustus 2008. Het bezwaarschrift is gedateerd 4 december 2008 en door verweerder op diezelfde dag ontvangen.

7. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift niet door verweerder is ontvangen voor het einde van de bezwaartermijn. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet tijdig bij verweerder is ingediend.

8. Niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.

9. Eiseres heeft aangevoerd dat zij geen kennis heeft kunnen nemen van het naar het adres [adres] te [woondplaats] gestuurde besluit van 2 juli 2008, omdat zij niet (meer) op dat adres woonde.

10. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door eiseres is aangevoerd geen grond vormt voor de conclusie dat zij ten aanzien van het na afloop van de termijn ingediende bezwaarschrift niet in verzuim is geweest. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken dat eiseres redelijkerwijs niet in staat is geweest om verweerder op de hoogte te stellen van het adres waarop zij haar post zou willen ontvangen dan wel om met betrekking tot de postverzorging passende maatregelen te nemen. Eventuele gevolgen van het niet doorgeven van de adreswijziging komen voor rekening en risico van eiseres.

11. Uit het voorgaande volgt dat het bezwaar van eiseres tegen het besluit van

2 juli 2008 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Verweerder heeft het besluit derhalve ten onrechte op grondslag van het bezwaar heroverwogen. Om die reden dient het beroep gegrond verklaard te worden en zal het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het bezwaarschrift van eiseres (alsnog) niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep komt de rechtbank derhalve niet (meer) toe.

12. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechtbank de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,00. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 41,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2010 te Alkmaar.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.