Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BO1257

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
09/1388
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fatale gebreken in mededeling/kennisgevingen en ter inzage legging ontwerp-besluiten en besluiten bij toepassing afdeling 3.4 van de Awb.

Er is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met de artikelen 3:11 en 3:12 van de Awb en aan het bepaalde in de artikelen 3.24, derde lid, van de Wro in samenhang met de artikelen 3:11 en 3:12 van de Awb. Deze gebreken kunnen niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd nu deze in de Awb en de Wro voorgeschreven eisen ter zake van terinzagelegging en kennisgeving daarvan dienen te worden beschouwd als minimale waarborgen voor rechtzoekenden, waarvan strikte naleving noodzakelijk is. Er is geen aanleiding om hiervan af te wijken, nu niet op voorhand duidelijk is dat door het eventueel passeren van de gebreken geen belanghebbenden kúnnen zijn benadeeld. Hieruit volgt dat het besluit dient te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/5035 met annotatie van R. Sieben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 09/1388 WW44

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[naam1],

[naam2],

beide wonende te [plaatsnaam],

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 12 november 2008 heeft verweerder aan [naam3] (hierna: vergunninghouder) een lichte bouwvergunning en ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) verleend voor het oprichten van een berging op het perceel [adres] te [plaatsnaam], kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie A, nummer 5260. Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 22 april 2010 beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 juli 2010, waar eisers in persoon zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. P.J.M. Hink.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Motivering

1. Ingevolge artikel 46, derde lid, tweede volzin en onder a, van de Woningwet, voor zover van belang, wordt de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3:23 van de Wro.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voor zover van belang, wordt in de situatie bedoeld in het derde lid, tweede volzin, de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een ontheffing.

Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 3:24, derde lid, van de Wro, voor zover van belang, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van een besluit omtrent een ontheffing als bedoeld in artikel 3:23.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.

Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, van de Awb – voor zover hier van belang – wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijzen naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, geschiedt, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van indiening wel reeds tot stand was gekomen.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2. De rechtbank dient, gelet op het bepaalde in artikel 6:8, vierde lid, en artikel 6:13 van de Awb, eerst te beoordelen of het beroep ontvankelijk is.

3.1 In de kennisgeving in een huis-aan-huis blad van 26 november 2008 is onder het opschrift “verleende bouwvergunningen” vermeld dat verweerder heeft besloten bouwvergunning te verlenen voor het geheel oprichten van een berging op het perceel [adres] te [plaatsnaam]. Daarbij is vermeld dat de verleende bouwvergunning na afspraak kan worden ingezien in het gemeentehuis van Bergen, en dat belanghebbenden binnen zes weken na 18 november 2008, de datum van verzending van het besluit, een bezwaarschrift kunnen indienen.

3.2 Uit het voorgaande volgt dat bekendmaking van het besluit over de bouwvergunning door toezending heeft plaatsgevonden. Nu het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, is voor de ingang van de beroepstermijn niet deze bekendmaking, maar het doen van de mededeling en het ter inzage leggen van het besluit bepalend. Uit de kennisgeving blijkt dat van ter inzage legging van het besluit over de bouwvergunning geen sprake is geweest. Hieruit volgt dat de beroepstermijn niet is aangevangen. In de kennisgeving is overigens ten onrechte de mogelijkheid van het maken van bezwaar vermeld.

3.3 Uit de kennisgeving blijkt niet van het besluit om ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 3:23 van de Wro, en van ter inzage legging. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is van dit besluit ook niet op enig ander moment kennisgegeven met ter inzage legging. Ter zake van dit besluit is de beroepstermijn dus evenmin aangevangen, nu uit de kennisgeving niet duidelijk blijkt om welk besluit het gaat.

3.4 Uit het vorenstaande volgt dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met de artikelen 3:11 en 3:12 van de Awb.

3.5 Eisers hebben bij brief van 22 april 2010 beroep ingesteld tegen de verleende bouwvergunning en ontheffing. Nu ten aanzien van deze besluiten de beroepstermijn niet is aangevangen, is het beroepschrift voor het begin van de termijn ingediend. Niet-ontvankelijkverklaring op grond hiervan dient echter ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb achterwege te blijven, omdat de besluiten ten tijde van de indiening van het beroepschrift, met de toezending van deze besluiten aan vergunninghouder, wel reeds tot stand waren gekomen.

4.1 In de kennisgeving in een huis-aan-huis blad van 24 september 2008 is onder het opschrift “vrijstelling van bestemmingsplan (art. 19 WRO)” vermeld dat verweerder overweegt om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan voor de aanvraag om bouwvergunning voor het geheel oprichten van een berging op het perceel [adres] te [plaatsnaam]. Daarbij is vermeld dat het ontwerpbesluit met ingang van donderdag 25 september 2008 zes weken ter inzage ligt en dat een ieder gedurende de termijn van ter inzage legging schriftelijk of mondeling zijn zienswijze omtrent het voornemen om vrijstelling te verlenen kenbaar kan maken bij verweerder.

4.2 Indien uit deze kennisgeving al kan blijken van het voornemen ontheffing te verlenen en van ter inzage legging van het ontheffingsbesluit, blijkt daarnaast niet van kennisgeving van de ontwerp-bouwvergunning en van ter inzage legging daarvan. Uit deze kennisgeving blijkt dus niet duidelijk om welk ontwerp-besluit het gaat. De termijn voor het indienen van zienswijzen tegen de ontwerp-bouwvergunning heeft derhalve geen aanvang genomen.

4.3 Uit het vorenstaande volgt dat niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3.24, derde lid, van de Wro in samenhang met de artikelen 3:11 en 3:12 van de Awb.

4.4 Ook volgt hieruit dat eisers redelijkerwijs niet worden verweten geen zienswijzen naar voren te hebben gebracht. Ook het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb staat dus niet aan de ontvankelijkheid van eisers in de weg.

5. De in de Awb en de Wro voorgeschreven eisen ter zake van de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan dienen als minimale waarborgen voor rechtzoekenden te worden beschouwd, waarvan strikte naleving noodzakelijk is. De hiervoor onder 3. en 4. geconstateerde gebreken kunnen niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Er is geen aanleiding om hiervan af te wijken, nu niet op voorhand duidelijk is dat door het eventueel passeren van de gebreken geen belanghebbenden kúnnen zijn benadeeld. Hieruit volgt dat het besluit van 12 november 2008 dient te worden vernietigd en verweerder is genoodzaakt de gehele procedure ter zake van de aanvraag om bouwvergunning van 29 augustus 2008 over te doen. De rechtbank wijst hierbij bij wijze van voorbeeld op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onnder LJ-Nummer AT4211. Ter voorlichting van eisers wijst de rechtbank er op dat eisers in die procedure desgewenst opnieuw van hun zienswijzen blijk moeten geven.

6. Het beroep is gegrond.

7. Nu niet is gebleken van kosten van eisers die voor vergoeding in aanmerking komen, is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 12 november 2008;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat verweerder aan eisers het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht van € 150,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. van Steenoven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2010 te Alkmaar.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.