Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BN9784

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
07-10-2010
Datum publicatie
08-10-2010
Zaaknummer
14.701998-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak telen hennep in verband met onrechtmatig binnentreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14.701998.09 (P)

Datum uitspraak: 7 oktober 2010

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en – plaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 september 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. C. Eenhoorn, advocaat te

Groningen, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 15 november 2005 tot en met 10

december 2008 te Hippolytushoef, gemeente Wieringen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 252 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 november 2005 tot en met 10 december 2008 te Hippolytushoef, gemeente Wieringen, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam energiemaatschappij], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte

en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

3.

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 15 november 2005 tot en met 10

december 2008 te Hippolytushoef, gemeente Wieringen, (telkens) tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en

wederrechtelijk (delen van) de woning aan [adres], in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [verhuurder], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een of meer gaten in het dak te maken en/of een of meer deuren en/of wanden te verwijderen;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 10 december 2008 is door de politie een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen in een door de verdachte gehuurde woning aan [adres] te Hippolytushoef waarbij 252 hennepplanten zijn aangetroffen en waarbij is geconstateerd dat een illegale elektriciteitsinstallatie was aangebracht en dat er vernielingen aan de woning waren gepleegd.

De rechtbank dient te beoordelen of de verdachte verantwoordelijk is voor de aangetroffen hennepkwekerij en of de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor eerdere oogsten in de ten laste gelegde periode. De rechtbank dient voorts te beoordelen of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van elektriciteit en zich heeft schuldig gemaakt aan vernielingen in de woning [adres] te Hippolytushoef.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde in die zin dat de verdachte in de periode vanaf 1 januari 2006 tot en met 10 december 2008 in de woning aan [adres] te Hippolytushoef hennep heeft geteeld en dat hij ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal stroom heeft afgenomen en een wand tussen de slaapkamers heeft verwijderd en gaten in het plafond heeft gezaagd.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De verdachte heeft op de terechtzitting bekend dat hij in de door hem gehuurde woning aan [adres] te Hippolytushoef zelf de hennepkwekerij heeft aangelegd en dat het juist is dat daarin 252 hennepplanten zijn aangetroffen. De verdachte heeft voorts op de terechtzitting bekend dat hij zelf de illegale elektriciteitsinstallatie heeft aangelegd en dat hij ten behoeve van de kwekerij een wand tussen twee slaapkamers in de woning heeft verwijderd en gaten in het dak heeft gezaagd. De verdachte heeft op de terechtzitting bekend dat hij één eerdere oogst heeft gehad en dat hij de opbrengst, ongeveer 6 kilo hennep, heeft verkocht voor € 19.000,-.

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat door verbalisanten onrechtmatig is binnengetreden in de woning aan [adres] te Hippolytushoef en dat hetgeen vervolgens in de woning is aangetroffen niet voor het bewijs mag worden gebezigd. De raadsman stelt zich op het standpunt dat bewijsuitsluiting moet volgen, waardoor de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

De raadsman stelt dat het binnentreden van de verbalisanten ook niet kan worden gebaseerd op grond van de politiewet in verband met het aanwezige brandgevaar. De raadsman voert hiertoe aan dat de MMA-melding, dat er zich een hennepkwekerij zou bevinden op het adres [adres] te Hippolytushoef, dateert van 27 oktober 2008 en dat de politie vervolgens pas op 10 december 2008 een onderzoek gaat doen bij de woning.

Indien de rechtbank het binnentreden van de verbalisanten rechtmatig acht, stelt de raadsman zich subsidiair op het standpunt dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, in die zin dat de verdachte ten aanzien van feit 1 één eerdere oogst heeft gehad.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Blijkens een op 3 februari 2009 door [opsporingsambtenaar 1] opgemaakt proces-verbaal van bevindingen heeft [opsporingsambtenaar 1] op 10 december 2008 een onderzoek gedaan op het adres [adres] te Hippolytushoef . Hij heeft dit onderzoek verricht naar aanleiding van een op 27 oktober 2008 bij Meld Misdaad Anoniem binnengekomen melding, dat zich op het betreffende adres een hennepkwekerij zou bevinden. Verbalisant [opsporingsambtenaar 1] constateerde op 10 december 2008 dat de gordijnen van de ramen op de bovenverdieping gesloten waren. Hij is vervolgens op de bijkeuken geklommen om een nadere blik op de gordijnen te kunnen werpen en zag dat er houten schotten achter de gordijnen waren geplaatst. Tijdens het onderzoek bij de woning kwam de verhuurder van [adres], [verhuurder], ter plaatse. Op verzoek van de verbalisant heeft [verhuurder] de sleutel van het pand gehaald en de voordeur geopend. Vervolgens heeft een fraudespecialist van de [energiemaatschappij] de stroomaansluiting in de in de hal van de woning gelegen meterkast bekeken en geconstateerd dat sprake was van een illegale stroomaansluiting. Hierop heeft verbalisant [opsporingsambtenaar 1] telefonisch contact met verdachte opgenomen, hem medegedeeld dat er een ernstig vermoeden bestond dat in de woning hennep werd gekweekt en verdachte gevraagd of hij toestemming had zijn woning te betreden. Verbalisant heeft verdachte vervolgens horen verklaren dat hij, verdachte, geen bezwaar had tegen een onderzoek in zijn woning. Op de eerste verdieping werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Op 15 mei 2009 heeft verbalisant [opsporingsambtenaar 1] voornoemd een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt om toedracht en feiten omtrent het binnentreden op het adres [adres] te Hippolytushoef te verduidelijken . Hierin staat vermeld dat de verbalisant nadat hij op het dak was geklommen, in overleg met zijn groepschef heeft besloten om een schouwing van de elektriciteitsmeter te verrichten om een eventuele illegale aansluiting op te sporen. Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat bij hennepkwekerijen veelvuldig gebruik wordt gemaakt van illegale aansluitingen, waardoor de beveiliging van de elektriciteit wordt omzeild en acuut brandgevaar ontstaat. In dit geval is dan ook sprake van vermeend gevaar voor goederen en/of personen aangezien de woning van de buren direct tegen de woning [adres] is aangebouwd. Nadat in de hal de illegale aansluiting werd aangetroffen heeft verbalisant telefonisch contact gehad met de huurder, zijnde verdachte, en heeft hem verzocht ter plaatse te komen zodat verdachte en verbalisant [opsporingsambtenaar 1] samen in de woning konden kijken. Verdachte deelde vervolgens mede niet in de gelegenheid te zijn om ter plaatse te verschijnen, waarop hij desgevraagd telefonisch toestemming aan verbalisant heeft verleend om in zijn, verdachtes, woning te kijken of er een hennepkwekerij aanwezig was.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij inderdaad niet in de gelegenheid was om ter plaatse te komen, aangezien hij op dat moment met zijn vader op vakantie in Oostenrijk was. Toen hij van agent [opsporingsambtenaar 1] hoorde dat deze zich al in de woning bevond en reeds in zijn meterkast had gekeken, dacht verdachte dat hij er toch niets meer aan kon doen en heeft hij maar toestemming gegeven om de rest van zijn woning ook te bekijken.

Met betrekking tot de hiervoor genoemde gang van zaken overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 1, vierde lid, van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi) is onder meer bepaald dat degene die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming vraagt.

Blijkens artikel 2, eerste lid, van de Awbi is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist. Ingevolge het derde lid van dit artikel is een schriftelijke machtiging niet vereist indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden.

Blijkens de memorie van toelichting op de Awbi is voor de vaststelling dat volgens deze wet toestemming is verleend vereist dat er sprake is van een kenbare uiting van de bewoner van zijn vrijelijk genomen beslissing de ambtenaar toe te laten.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat door verbalisant [opsporingsambtenaar 1] op 10 december 2008 onrechtmatig is binnengetreden in de door de verdachte gehuurde woning aan [adres] te Hippolytushoef. Uit de processen-verbaal van bevindingen van verbalisant [opsporingsambtenaar 1] is af te leiden dat hij wist dat de ter plaatse gekomen verhuurder niet de bewoner van de woning was. Dat de verhuurder geen bezwaar had tegen het betreden van de woning en daartoe zelfs een sleutel beschikbaar heeft gesteld, laat derhalve onverlet dat van het verlenen van toestemming door de bewoner, zijnde verdachte, op het eerste moment van binnentreden geen sprake was. Voor dit binnentreden was naar het oordeel van de rechtbank derhalve een machtiging tot binnentreden vereist.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het, vervolgens, telefonisch verlenen van toestemming door verdachte niet is aan te merken als een vrijelijk genomen beslissing als bedoeld in eerdergenoemde memorie van toelichting. Verdachte, die zich in het buitenland bevond, werd immers geconfronteerd met de situatie dat de verbalisant die hij aan de telefoon had zich op dat moment al in zijn woning bevond, al een onderzoek had ingesteld aan de meterkast en derhalve al op de hoogte was van zijn illegale elektriciteitsaansluiting. Onder deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat verdachte vrijelijk een afweging heeft kunnen maken over het al dan niet verlenen van toestemming tot het verdere betreden van zijn woning.

Anders dan in het proces-verbaal van bevindingen van 15 mei 2009 is gesteld, brengt het enkele feit dat in zijn algemeenheid bij hennepkwekerijen veelvuldig gebruik wordt gemaakt van illegale aansluitingen niet met zich, dat daar in het onderhavige geval reeds voor het binnentreden van kon worden uitgegaan. Op dat moment stond immers nog niet vast dat verdachte een hennepkwekerij in zijn woning had, terwijl over zijn stroomverbruik niets bekend was. Er bestond derhalve geen aanleiding te veronderstellen dat ook in dit geval sprake was van een illegale aansluiting. Op het moment van binnentreden was derhalve geen sprake van vermeend gevaar voor goederen en/of personen, zodat de situatie als bedoeld in artikel 2, derde lid van de Awbi, dan wel artikel 2 van de Politiewet zich niet heeft voorgedaan. Overigens is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat ook de politie niet is uitgegaan van een dergelijk gevaar, gelet op het tijdsverloop tussen de MMA-melding en het tijdstip van binnentreden ruim zes weken later.

Gelet op het voorgaande is de politie onrechtmatig binnengetreden in de woning van de verdachte en heeft hierbij verdachtes in de Grondwet verankerde huisrecht geschonden. Hiermee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering . Naar het oordeel van de rechtbank is schending van het huisrecht een zeer ernstig verzuim dat ertoe dient te leiden dat de daardoor verkregen resultaten van het onderzoek niet mogen bijdragen aan het bewijs van de verdachte ten laste gelegde strafbare feiten. Dit houdt in dat de verklaringen van de verdachte en de getuigen, de aangiften van de diefstal van elektriciteit en de vernieling van de woning en de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] naar het oordeel van de rechtbank niet tot het bewijs mogen worden gebezigd. Gelet hierop ontbreekt het bewijs dat de verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

5. Beslissing

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Jansen, voorzitter,

mr. E.M. Devis en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van G.A.M. Delis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 oktober 2010.