Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BN9408

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
05-10-2010
Zaaknummer
14.810264-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval op een snackbar en aan verduistering van een bankpas. Gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte legt de rechtbank hem een gevangenisstraf op voor de duur van 25 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/810264-10 (P)

Datum uitspraak : 5 oktober 2010

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats en –datum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Havenstraat te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 september 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. M.A.C. van Vuuren, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij in of omstreeks de nacht van 07 juni 2010 op 08 juni 2010 in de gemeente Opmeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een horecabedrijf ([naam horeca onderneming]), gevestigd op/aan [adres] aldaar, heeft weggenomen een geldbedrag te weten 255,15 euro (uit de kassalade) en/of een doos kauwgom en/of een of meer pakje(s) sigaretten en/of een aansteker en/of een MP-3 speler en/of een geldbedrag van 20 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [naam horeca onderneming], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag te weten 255,15 euro (uit de kassalade) en/of een doos kauwgom en/of een of meer pakje(s) sigaretten en/of een aansteker en/of een MP-3 speler en/of een geldbedrag van 20 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of [naam horeca onderneming], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat:

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) naar die snackbar is/zijn toegegaan

en/of

(vervolgens) is/zijn hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die snackbar naar binnen gegaan

en/of

(daarna) heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en/of getoond gehouden en/of gericht en/of gericht gehouden op/aan die [benadeelde partij 1]

en/of

(daarbij) heeft hij,verdachte, en/of zijn mededader(s) tegen die [benadeelde partij 1] gezegd en/of geroepen dat hij, die [benadeelde partij 1], de kassalade open moest doen

en/of

(ververvolgens) heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 1] weggeduwd (op tegen de koeling) aan

en/of

(daarna) heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 1] een of meerma(a)l(en) op/tegen het gezicht geslagen en/of gestompt

en/of

heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) de bril van het gezicht van die

[benadeelde partij 1] en/of afgepakt en/of op de grond gegooid

en/of

(vervolgens) heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 1] gefouilleerd en/of (daarbij) een geldbedrag van 20 euro en/of een aansteker en/of een pakje sigaretten uit de kleding van die [benadeelde partij 1] gepakt

en/of

(daarna) heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tegen die [benadeelde partij 1] gezegd dat hij, die [benadeelde partij 1], op de grond moest gaan liggen

en/of

(daarna) is/zijn hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) naar die [benadeelde partij 4] toegegaan en/of (vervolgens) heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 4] opgetild

en/of

(vervolgens) heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 4] een of meerma(a)l(en) (hard) op/tegen de kluis geduwd en/of gedrukt

en/of

(daarbij) heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en/of getoond gehouden aan die [benadeelde partij 4] en/of gedrukt op/tegen het gezicht van die [benadeelde partij 4]

en/of

(vervolgens) heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 4] gefouilleerd en/of de portemonnee van die [benadeelde partij 4] uit de kleding van die [benadeelde partij 4] gepakt

en/of

(daarna) heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tegen die [benadeelde partij 4] gezegd dat hij, die [benadeelde partij 4], op de grond moest gaan liggen

en/of

(daarbij) heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 4] gezegd de woorden:"Dit is een overval, geef me geld", althans woorden van een dergelijke aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 08 juni 2010 te Obdam, gemeente Koggenland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een horecagelegenheid (een café), gevestigd op/aan de [adres] aldaar, weg te nemen een of meer goed(eren) en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [verhuurder] en/of [naam horeca onderneming], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- een steen, althans een hard voorwerp heeft gepakt en/of (vervolgens) die steen, althans dat harde voorwerp tegen/door een ruit van dat café heeft gegooid en/of (waarna) verdachte en/of zijn mededader(s) via een raam dat café is ingeklommen en/of binnen gegaan,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 04 juni 2010 tot en met 08 juni 2010 in de gemeente Haarlem en/of in het gerechtelijk arrondissement Alkmaar, in elk geval in Nederland, 2 ABN/AMRO-bankpassen ([rekeningnummer]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bankpassen wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 04 juni 2010 tot en met 08 juni 2010 in de gemeente Haarlem en/of (elders) in het gerechtelijk arrondissement Alkmaar, althans in Nederland, opzettelijk 2 ABN/AMRO-bankpassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als degene die de bankpassen had gevonden, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

Beroep op (partiële) nietigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft betoogd dat er sprake is van een partieel nietige dagvaarding met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde, nu de feitelijke geweldshandelingen in de tenlastelegging slechts zijn opgenomen ten aanzien van de afpersing en niet ten aanzien van de diefstal met (bedreiging met) geweld. Daarnaast worden ten aanzien van de afpersing in de tenlastelegging geen pleegplaats en pleegdatum genoemd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat in de tenlastelegging is opgenomen wat opgenomen dient te worden. De afpersing en diefstal worden alternatief cumulatief ten laste gelegd en het geweld wordt vervolgens uitgesplitst. Het is duidelijk dat deze uitsplitsing van handelingen betrekking heeft op zowel de afpersing als diefstal met (bedreiging met) geweld. Dergelijke feitencomplexen wordt vaker op deze wijze ten laste gelegd en dit is niet eerder door de rechtbank afgestraft.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat uit de tenlastelegging voldoende duidelijk blijkt dat de aanhef, met daarin genoemd de pleegplaats en de pleegdatum, voor beide alternatieven (afpersing en diefstal) geldt. De afpersing en de diefstal zijn alternatief cumulatief ten laste gelegd en het is zonneklaar dat de verweten geweldshandelingen terugslaan op het in beide alternatieven genoemde geweld en/of de bedreiging met geweld.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding daardoor niet onbegrijpelijk is.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding ook overigens geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij samen met anderen in Opmeer een snackbar heeft overvallen in de nacht van 7 op 8 juni 2010. Daarnaast wordt hem verweten dat hij in diezelfde nacht samen met anderen heeft gepoogd in te breken in een café in Obdam. Ten slotte wordt verdachte verweten dat hij opzettelijk twee bankpasjes toebehorend aan een ander in zijn bezit heeft gehad, terwijl hij wist dat deze bankpasjes van een misdrijf afkomstig waren, respectievelijk dat hij deze bankpasjes heeft verduisterd.

Verdachte heeft tijdens het vooronderzoek en ter terechtzitting ontkend te hebben deelgenomen aan de overval, dan wel aan de poging tot inbraak, maar heeft wel verklaard bij beide feiten de bestuurder van de auto te zijn geweest. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft verdachte verklaard dat hij de bankpasjes bij de politie had willen inleveren, maar dit was vergeten.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft daarbij ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit betoogd dat er geen sprake is van technisch bewijs, en dat het enige bewijs bestaat uit de verklaringen van de medeverdachten, hetgeen niet voldoende overtuigend is. Tevens heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake is geweest van medeplegen, nu verdachte er niet van uitging dat een overval gepleegd zou worden, maar uitging van het openbreken en leeghalen van gokautomaten. In dit verband wordt door de raadsman opgemerkt dat de overval ook niet besproken is, maar gewoon gebeurde binnen de groep. Verdachte heeft zich nog willen distantiëren van de groep door het verwijderen van de kentekenplaten van zijn auto, waarmee hij hoopte te worden aangehouden door de politie. Het geld dat door de medeverdachten aan verdachte zou zijn gegeven is evenmin overtuigend te noemen, nu de medeverdachten hierbij een ander bedrag noemen dan in de aangifte is genoemd.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman betoogd dat verdachte de bankpasjes twee dagen bij zich heeft gehouden. Er is geen enkel bewijs dat verdachte wist dat de pasjes van een misdrijf afkomstig waren. Gezien de jurisprudentie (NJ 2010, 411 en NJ 2009, 497) levert het enkele feit dat verdachte de bankpasjes twee dagen onder zich heeft gehouden onvoldoende grond op voor verduistering.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

In de nacht van maandag 7 juni op dinsdag 8 juni 2010 heeft een overval plaatsgevonden in [naam horeca onderneming], gevestigd aan de [adres] te Opmeer. Omstreeks 00.00 uur zijn vier mannen de snackbar binnengelopen. , , Één van deze mannen heeft een pistool getrokken en heeft dit wapen voor het gezicht van [benadeelde partij 1], medewerker van de snackbar, gehouden. Een van de mannen riep dat [benadeelde partij 1] de kassalade moest openen. , [benadeelde partij 1] heeft de kassalade geopend en al het geld werd door de mannen uit de lade gepakt. , , , [benadeelde partij 1] werd door een van de mannen weggeduwd en een van de andere mannen gaf hem een klap in zijn gezicht , . Een van de mannen pakte de bril van het gezicht van [benadeelde partij 1] en gooide deze op de grond. [benadeelde partij 1] werd tegen de kassa geduwd en werd gefouilleerd. Daarbij werd 20 euro uit zijn broekzak , , een aansteker , en een pakje Marlboro sigaretten van hem weggenomen. Een van de mannen heeft [benadeelde partij 1] toen bevolen op de grond te gaan liggen. , Voorts heeft een van de mannen de mp3-speler van [benadeelde partij 1] weggenomen uit zijn jas, evenals nog een pakje sigaretten. , , Deze mp3-speler is later aangetroffen in de auto waarin verdachten zijn aangehouden. ,

Ondertussen werd [benadeelde partij 4], collega van [benadeelde partij 1], door twee mannen beziggehouden, waarbij een van de mannen een vuurwapen in zijn gezicht duwde en op zijn gezicht richtte. De twee mannen kwamen naar [benadeelde partij 4] toe en tilden hem op. [benadeelde partij 4] werd tweemaal met zijn gezicht tegen de kluis geduwd door deze mannen. [benadeelde partij 4] werd bevolen te gaan liggen en eenmaal op de grond kreeg hij nogmaals het pistool tegen zijn gezicht aan. De mannen hebben toen uit de broekzak van [benadeelde partij 4] zijn portemonnee gepakt.

Er werd tijdens de overval door de mannen geschreeuwd “dit is een overval, geef me geld”.

Voordat de mannen de snackbar verlieten heeft een van hen een pak Sportlife kauwgom meegepakt. , , Bij de aanhouding van de verdachten werd door een verbalisant een groothandelverpakking kauwgom van het merk Sportlife op de hoedenplank van de auto waarin verdachten zaten gezien. Deze groothandelverpakking wordt later aan [benadeelde partij 1] getoond, waarbij de verpakking door [benadeelde partij 1] wordt herkend als zijnde de doos kauwgom die door de overvallers is weggenomen.

De verdachten zijn vervolgens gesignaleerd in Heerhugowaard in een Renault Stationwagon met het [kenteken] op naam van verdachte en uiteindelijk omstreeks 02.05 uur in Alkmaar aangehouden. , Bij controle van het voertuig werden – onder meer – in de kofferbak een groot zilverkleurig slagersmes aangetroffen, alsmede een mes op de achterbank. Bij verder onderzoek in het voertuig is achter / onder de asbak bij het middenconsole een op een pistool gelijkend wapen aangetroffen. Dit wapen bleek een alarm- en startpistool te betreffen.

Bij verdachte is tijdens de fouillering een bedrag van € 355,- in zijn borstzak aangetroffen. Volgens de aangifte is er een bedrag van € 255,15 weggenomen uit de kassa bij de snackbar. Drie medeverdachten hebben verklaard het geld dat ze uit de kassalade hebben weggenomen te hebben ingeleverd bij verdachte (ook wel Fil genoemd ). , , .

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het bedrag van € 355,- dat hij bij zich had, heeft verdiend met werkzaamheden op de Zwarte Markt in Beverwijk. Verdachte heeft eerder verklaard een schuld van ongeveer 28.000 euro te hebben. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij dit geld bij zich droeg omdat hij daarmee een bekeuring wilde betalen. . De rechtbank acht deze verklaringen omtrent de herkomst en de reden van bezit van dit geld echter niet aannemelijk, gelet op de in de noten 44 tot en met 49 genoemde bewijsmiddelen.

Verdachte heeft voorts aangegeven dat hij de bestuurder van het voertuig is geweest waarmee de verdachten naar Opmeer en vervolgens terug naar Hoorn zijn gereden.

Verdachte heeft verklaard dat hij met [mededader 1] (de rechtbank begrijpt: verdachte [mededader 1]) een afspraak heeft gemaakt om gokautomaten leeg te gaan halen. Toen ze in Opmeer aan waren gekomen is verdachte alleen uit de auto gelopen om te kijken of er een alarm op een juwelierszaak zat. , , Toen verdachte terug kwam bij de auto is het idee ontstaan van een overval en zijn de vier medeverdachten met wapens de snackbar binnen gegaan. , , , Door twee medeverdachten wordt verklaard dat verdachte het vuurwapen bij zich had en dit heeft overhandigd aan [medeverdachte 1]. , Terwijl de vier jongens de snackbar binnen gaan, haalt verdachte de kentekenplaten van zijn auto.

Verdachte heeft hieromtrent verklaard dat hij hoopte door de politie te worden opgepakt als ze zonder kentekenplaten zouden rijden, zodat er niet meer strafbare feiten zouden worden gepleegd. De rechtbank acht deze uitleg voor het verwijderen van de kentekenplaten niet geloofwaardig, nu verdachte deze kentekenplaten vervolgens onderweg zelf weer terug heeft geplaatst. De rechtbank houdt het er dan ook voor, dat het verwijderen van de kentekenplaten tot doel had om signalering daarvan te voorkomen.

De verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] over de rol van verdachte in de nacht van de overval acht de rechtbank, mede gezien het feit dat zij ook over hun eigen rol zeer belastend hebben verklaard, geloofwaardig en derhalve bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank acht daarmee zowel wettig als overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [naam horeca onderneming] te Opmeer. Het enkele feit dat verdachte niet binnen is geweest in de snackbar maakt dit niet anders. Verdachte was immers blijkens het bovenstaande wel degelijk op de hoogte van het feit dat er een gewapende overval zou worden gepleegd, terwijl hij voorts het – naar later bleek – op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft geleverd. Hieraan doet niet af, dat verdachte en zijn medeverdachten kort voordien nog voornemens waren een ander strafbaar feit dan deze overval te plegen. Daarnaast heeft verdachte opgetreden als chauffeur. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van deze overval gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten.

Ten aanzien van feit 2:

Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij ook bij dit feit als chauffeur is opgetreden, maar de rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van dit feit toe, nu de feitelijke omschrijving in de tenlastelegging slechts is toegesneden op handelingen van de medeverdachten. Verdachte zal daarom van feit 2 op de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3 (primair):

Nu uit het dossier niet blijkt van wetenschap van verdachte dat de bankpasjes die hij in zijn bezit had van een misdrijf afkomstig zouden zijn, zal verdachte worden vrijgesproken van het hem onder 3 primair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 3 (subsidiair):

Op 4 juni 2010 omstreeks 01.05 uur is [benadeelde partij 5] op [adres] te Haarlem beroofd van haar tas, met daarin onder meer twee bankpasjes van de ABN Amro op naam van [benadeelde partij 5].

Bij de aanhouding van verdachte in verband met feit 1 op 8 juni 2010, omstreeks 02.05 uur, is verdachte gefouilleerd en daarbij zijn twee ABN/Amro bankpassen aangetroffen op naam van [benadeelde partij 5]. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard deze pasjes te hebben gevonden bij de bank gelegen aan [adres] in Haarlem. Bij de politie heeft verdachte hieromtrent verklaard dat hij de pasjes twee of drie dagen geleden, op zaterdag, had gevonden en dat hij ze naar de politie had willen brengen. De pasjes lagen op straat en verdachte heeft ze in zijn portemonnee gedaan. Voorts heeft verdachte verklaard dat als hij de pincodes zou hebben gehad, hij zou hebben gepind met de pasjes.

Gezien de verklaring van verdachte acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte de bankpasjes heeft gevonden op [adres] te Haarlem op zaterdag 5 juni 2010. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte de bankpasjes op het moment van de aanhouding op dinsdag 8 juni 2010 omstreeks 02.05 uur nog steeds in zijn bezit had. Mede in het licht van de verklaring van verdachte dat hij zou hebben gepind met de pasjes als hij de pincodes zou hebben gehad, acht de rechtbank onaannemelijk dat verdachte de pasjes bij de politie heeft willen inleveren. Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad (namelijk van 5 juni tot en met 8 juni 2010) om de pasjes in te leveren bij de politie, maar dat hij dit heeft verzuimd.

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich de bankpasjes van [benadeelde partij 5] wederrechterlijk heeft toegeëigend, terwijl hij deze pasjes anders dan door misdrijf in zijn bezit heeft gekregen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de nacht van 7 juni 2010 op 8 juni 2010 in de gemeente Opmeer tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een horecabedrijf ([naam horeca onderneming]), gevestigd aan [adres] aldaar, heeft

weggenomen een geldbedrag te weten 255,15 euro uit de kassalade en een doos kauwgom en pakjes sigaretten en een aansteker en een MP-3 speler en een geldbedrag van 20 euro, toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden:

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zijn die snackbar binnen gegaan

en

daarna heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en gericht aan/op die [benadeelde partij 1]

en

daarbij heeft hij,verdachte, en/of zijn mededader(s) tegen die [benadeelde partij 1] geroepen dat hij, die [benadeelde partij 1], de kassalade open moest doen

en

vervolgens heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 1] weggeduwd

en

daarna heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 1] tegen het gezicht geslagen

en

heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) de bril van het gezicht van die [benadeelde partij 1] afgepakt en op de grond gegooid

en

vervolgens heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 1] gefouilleerd en een geldbedrag van 20 euro, een aansteker en een pakje sigaretten uit de kleding van die [benadeelde partij 1] gepakt

en

daarna heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tegen die [benadeelde partij 1] gezegd dat hij, die [benadeelde partij 1], op de grond moest gaan liggen

en

tevens is hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) naar die [benadeelde partij 4] toegegaan en heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 4] opgetild

en

heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 4] meermalen tegen de kluis gedrukt

en

heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond aan die [benadeelde partij 4] en gedrukt tegen het gezicht van die [benadeelde partij 4]

en

heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [benadeelde partij 4] gefouilleerd en de portemonnee van die [benadeelde partij 4] uit de kleding van die [benadeelde partij 4] gepakt

en

heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tegen die [benadeelde partij 4] gezegd dat hij, die [benadeelde partij 4], op de grond moest gaan liggen

en

heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tegen die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 4] gezegd de woorden:"Dit is een overval, geef me geld”;

3.

hij in de periode van 4 juni 2010 tot en met 8 juni 2010 in Haarlem opzettelijk 2 ABN/AMRO-bankpassen, toebehorende aan [benadeelde partij 5], welke goederen verdachte anders dan door misdrijf, te weten als degene die de bankpassen had gevonden, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, in vereniging gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

Verduistering.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van zesendertig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, waarbij de bijzondere voorwaarden zullen gelden zoals in het reclasseringsrapport is omschreven.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van alle drie de ten laste gelegde feiten bepleit.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en tevens op grond van de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van een gewapende overval op een snackbar. Dit soort geweldsmisdrijven maakt een zeer ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, en meer in het bijzonder bij de direct betrokkenen. Het slachtoffer in deze zaak ([benadeelde partij 1]) heeft ook verklaard welke - psychische - gevolgen de gewelddadige overval bij hem heeft veroorzaakt. Hij heeft aangegeven erg bang te zijn geweest en zich te hebben afgevraagd of hij wel in leven zou blijven. Na de overval is hij angstig geworden en hij durft niet meer in de snackbar te werken. Zijn baan heeft hij dan ook opgezegd. Voorts heeft hij aangegeven zich sinds de overval moeilijker te kunnen concentreren en slecht te slapen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich geen rekenschap heeft gegeven van de te verwachten gevolgen voor slachtoffers.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 juni 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens geweld- of vermogengerelateerde delicten met de strafrechter in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het voorlichtingsrapport gedateerd 6 september 2010, opgemaakt door A. de Lange, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Adviesunit Oost Zuid Oost Amsterdam, alsmede van het beknopte reclasseringsadvies gedateerd 10 juni 2010, opgemaakt door G. Porte, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Adviesunit Alkmaar.

Uit het rapport van 6 september 2010 komt naar voren dat zonder een adequate behandeling van de bij verdachte aanwezige forse gedragsproblematiek en zonder begeleiding van de geconstateerde criminogene factoren, het recidiverisico als hoog gemiddeld wordt ingeschat. De reclassering heeft een plan van aanpak opgesteld, waarin verdachte – onder meer – zal dienen te worden behandeld bij De Waag te Amsterdam.

De rechtbank neemt in aanmerking, dat deze behandeling veel van verdachte zal vergen.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Daarbij zal een deel van deze straf in voorwaardelijke vorm worden opgelegd, als ernstige waarschuwing aan verdachte om zich in de toekomst te onthouden van het plegen van strafbare feiten. Daaraan zal tevens de bijzondere voorwaarde worden verbonden zoals omschreven in bovengenoemd voorlichtingsrapport.

9. Vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende [adres en woonplaats, heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 2.135,85 wegens schade die de verdachte met zijn mededaders met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij, voor zover die bereddingskosten, de kosten voor de MP3-speler en immateriële schade betreft, van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De benadeelde partij heeft in de rubriek materiële schade een bedrag van € 55,90 gevorderd wegens de kleding die hij ten tijde van het feit heeft gedragen en die hij vervolgens niet meer heeft willen dragen vanwege de nare ervaring en herinneringen. De rechtbank is van oordeel dat deze keuze, hoezeer ook begrijpelijk en te respecteren, schade geen materiële schade oplevert die rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde en daarom zal de benadeelde partij voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte - ook al zijn andere daders daarbij betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.079,95 kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 juni 2010 tot de dag der algehele voldoening.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

De benadeelde partij [benadeelde partij 6], wonende [adres en woonplaats], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 296,01 wegens schade die de verdachte met zijn mededaders met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 2 ten laste gelegde feit zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in diens vordering. De benadeelde partij kan deze vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1]. De maatregel wordt opgelegd voor het toegewezen schadebedrag van € 2.079,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 312 en 321 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 (primair) ten laste gelegde feiten heeft begaan, en spreekt verdachte daarvan vrij;

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 3 (subsidiair) ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid;

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten;

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar;

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfentwintig (25) maanden;

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot acht (8) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist;

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt en indien de veroordeelde gedurende de proeftijd niet naleeft niet naleeft hierna te noemen bijzondere voorwaarde.

Stelt als bijzonder voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dat inhoudt dat veroordeelde zich houdt aan een nader te omschrijven meldplicht, dient deel te nemen aan een behandeling bij het Centrum voor Ambulante Forensische Psychiatrie De Waag en dat veroordeelde zich dient te onthouden van drug- en alcoholgebruik.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot het hierna te noemen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2010 tot aan de dag der algemene voldoening;

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.079,95 (tweeduizend negenenzeventig euro en vijfennegentig cent) als schadevergoeding;

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken, tot op heden begroot op nihil;

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan;

Verklaart de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk;

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 2.079,95 (tweeduizend negenenzeventig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de staat;

Bepaalt dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij;

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. M.E. Francke en mr. G.W.A. Lamsvelt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. de Jong, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 oktober 2010.

Mr. G.W.A. Lamsvelt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.