Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BN5020

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
14.810123-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promis-vonnis. Brute overval op een ouder echtpaar. De rechtbank legt een zwaardere straf op dan geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Zitting houdende te Haarlem

Sector straf

Parketnummer: 14/810123-10 (P)

Datum uitspraak: 3 augustus 2010

Tegenspraak

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[straatnaam en huisnummer], [postcode en woonplaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring ‘Zwaag’ te Zwaag.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

20 juli 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. J.G.D. Rutten, advocaat te Amsterdam, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 30 juli 2009 in de gemeente Hoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in/uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een laptop (merk Toshiba) en/of een portemonnee en/of een hoeveelheid (gouden) sieraden en/of een oud geldbiljet ter waarde van 2 gulden vijftig, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of een of meer van zijn mededaders het volgende heeft/hebben gedaan:

- de keel van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen, en/of

- die [slachtoffer 1] met kracht op de grond gegooid, en/of

- een vuilniszak over het hoofd van die [slachtoffer 1] getrokken, en/of

- een bijtende en/of bedwelmende vloeistof in de ogen van die [slachtoffer 2] gespoten, en/of

- die [slachtoffer 2] bij de nek gepakt en/of met kracht op de grond gedrukt;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2009 tot en met 9 maart 2010 in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, een deel van een ketting en/of een oud geldbiljet ter waarde van 2 gulden vijftig en/of een portemonnee en/of een laptop (merk Toshiba) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Inleiding

Op 30 juli 2009 heeft er een gewelddadige overval plaatsgevonden op een echtpaar woonachtig op het adres [adres] in Hoorn. Daarvan is aangifte gedaan door de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2]. Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij deze overval, samen met een ander of anderen, heeft gepleegd. Verdachte ontkent enige betrokkenheid bij deze overval.

Ter beoordeling van de rechtbank staat de vraag of op grond van het onderzoek ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat het primair ten laste gelegde feit door verdachte is begaan.

4.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de primair ten laste gelegde overval samen met een mededader heeft gepleegd.

4.3. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt van de overval moet worden vrijgesproken bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

De raadsman heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de getuige [getuige 1] te horen. De bij de politie afgelegde belastende verklaringen van [getuige 1] mogen daarom alleen voor het bewijs worden gebruikt indien deze voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Dat is niet het geval.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat naast de verklaringen van [getuige 1] alleen de verklaringen van de getuige [getuige 2] belastend zijn voor zijn cliënt. De bij de politie en bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [getuige 2] zijn echter zo wisselend dat ze niet overtuigend genoeg zijn om als bewijs te dienen. [Getuige 2] heeft bovendien persoonlijke motieven om zijn cliënt valselijk te beschuldigen. Zij is immers zelf verdachte in deze zaak. Daarnaast heeft zij een relationeel motief. Zijn cliënt heeft nooit haar liefde willen beantwoorden.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt heeft verklaard dat hij op de dag van de overval zich heeft bezig gehouden met andere zaken dan de overval en dat zijn broer en vrouw dit hebben bevestigd in hun verhoren bij de rechter-commissaris.

De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat het zeer onwaarschijnlijk is, althans oliedom, dat zijn cliënt op eigen naam bij die overval gestolen goud en een oud geldbiljet inlevert bij een muntenhandel als hij zelf die overval zou hebben gepleegd. Zijn cliënt heeft verklaard dat hij dat goud op verzoek van [getuige 2] heeft ingeleverd bij de muntenhandel.

4.4. Het oordeel van de rechtbank

4.4.1. De bewijsmiddelen

Op 31 juli 2009 heeft dhr. [slachtoffer 1] aangifte gedaan van een overval. Uit deze aangifte blijkt dat de heer [slachtoffer 1] op 30 juli 2009 rond 22:30 uur in de achtertuin van zijn woning in Hoorn is en daar van achteren wordt vastgepakt door een man. [Slachtoffer 1] voelt dat de man zijn keel dichtknijpt. [Slachtoffer 1] wordt vervolgens richting het achterraam van zijn woning geduwd en daar naar de grond gewerkt. Terwijl hij op zijn rug ligt, pakt de man hem weer bij zijn keel en knijpt deze weer dicht. De man pakt vervolgens een vuilniszak en doet deze over het hoofd van [slachtoffer 1].

De man haalt 3 ringen van de vingers van [slachtoffer 1] en trekt zijn ketting los. Hij haalt ook [slachtoffer 1]s portemonnee uit zijn broekzak. In deze portemonnee zit een oud geldbiljet ter waarde van 2,50 gulden. Nadat de man is vertrokken, gaat [slachtoffer 1] zijn huis in. Daar ziet hij zijn vrouw op de grond liggen. [slachtoffer 1] hoort iemand de trap af komen en via de voordeur de woning verlaten. [slachtoffer 1] komt er achter dat ook de laptop weg is.

De vrouw van [slachtoffer 1], mw. [slachtoffer 2], heeft ook op 31 juli 2009 aangifte gedaan van de overval. Uit die aangifte blijkt dat haar man op 30 juli 2009 rond 22:45 uur in de tuin van hun woning in Hoorn is. Zij is in de woonkamer. Wanneer zij vanuit de tuin een geluid hoort, opent zij de tuindeur. Zij voelt dan dat er iets in haar ogen wordt gespoten. Zij voelt dat iemand haar in haar nek vastpakt en haar op de grond drukt. Terwijl zij op de grond ligt, voelt zij dat deze persoon haar ringen van haar vingers aftrekt. Zij voelt ook dat de ketting om haar hals met kracht wordt losgetrokken. Naast haar ringen en halsketting zijn ook de laptop en de portemonnee van haar man weggenomen.

[slachtoffer 1] belt op 11 december 2009 de politie en vertelt dat een vrouw genaamd [getuige 2] naar zijn huis is gekomen met de portemonnee die tijdens de overval was gestolen. [Slachtoffer 1] legt op 15 december 2009 een verklaring af op het politiebureau. Hij verklaart dat op 11 december 2009 [getuige 2] bij hem thuis was gekomen en tegen hem zei: ‘Ik heb uw portemonnee. Moet u die terughebben?’ [getuige 2] vertelde hem, [slachtoffer 1], verder dat ze het huis had opgeruimd en dat ze achter spulletjes de portemonnee had gevonden. Volgens [getuige 2] moest [verdachte] die portemonnee daar verstopt hebben aangezien hij nog een sleutel had van de woning.

[Getuige 2] wordt verschillende malen door de politie gehoord. In haar verhoor van

15 december 2009 verklaart zij dat zij in januari 2009 in contact is gekomen met [verdachte]. [Getuige 2] verbleef op dat moment in wat zij “de opvang” noemt. In de tweede week van januari 2009 kwam [verdachte] ook in die opvang. Na gedurende een korte periode een relatie met [verdachte] te hebben gehad -[getuige 2] spreekt in dit verband over een ‘losse flodder’- is [getuige 2] in juni 2009 gaan wonen op het adres [straatnaam en huisnummer]. Zij heeft nadien ook nog wel contact gehad met [verdachte], die beschikte over een sleutel van de woning. [Getuige 2] verklaart tijdens het verhoor van 15 december 2009 ook dat zij de portemonnee van [slachtoffer 1] in haar woning heeft gevonden. Zij denkt daarom dat [verdachte] de overval heeft gepleegd. Zij verklaart verder dat ze heeft gezien dat [verdachte] samen met een jongen die ze [medeverdachte] noemen in het bezit was van sieraden, waaronder stukken van een ketting, en een laptop.

De politie toont op 21 december 2009 een foto van verdachte aan [getuige 2]. Zij herkent hem als de [verdachte] waar zij over verklaart. Ze kent hem als [verdachte].

[Getuige 2] wordt op 6 januari 2010 nog tweemaal gehoord. In het eerste verhoor verklaart zij dat zowel verdachte als [medeverdachte] haar hebben bezocht en druk op haar hebben uitgeoefend niet te verklaren over de overval. In het tweede verhoor verklaart [getuige 2] dat zij het in de opvang met verdachte over [slachtoffer 1] heeft gehad en dat [slachtoffer 1] in goud handelde. Verdachte heeft haar verteld dat hij met een vriend een roof wilde doen en dat hij [slachtoffer 1] wilde beroven. [Getuige 2] verklaart verder dat [verdachte] op de avond van de overval, zij denkt tussen 00:00 uur en 01:00 uur, ineens naast haar bed staat. [Medeverdachte] staat beneden in de gang. In de woonkamer op tafel ziet zij een laptop staan met daarop een zwarte portemonnee. Zij maakt de laptop open en ziet dat hij nog aan staat. Als achtergrond ziet zij een foto. Op de foto herkent zij [slachtoffer 1] Zij ziet dat hij twee honden vast heeft. Het is haar dan gelijk duidelijk dat verdachte [slachtoffer 1] had beroofd. Zij hoort verdachte zeggen dat hij dit deed als er geld te halen viel. Tevens zei verdachte dat hij [slachtoffer 1] niets had aangedaan. Verdachte zei dat het op een rustige manier was gegaan. Hij zei dat ze via de achtertuin waren gegaan en dat ze over de schutting waren geklommen. Verdachte was achter de achterdeur gaan staan. [medeverdachte] was ergens in de bosjes gaan staan. Verdachte vertelt aan [getuige 2] dat [medeverdachte] op [slachtoffer1] was gesprongen en dat verdachte zelf de woning is binnengegaan. Zij heeft gezien dat verdachte een stuk gouden ketting in zijn handen had en twee gouden damesringen.

[Getuige 2] heeft op 12 juli 2010 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij zeker weet dat het de nacht na de overval was dat zij verdachte en [medeverdachte] bij haar thuis heeft gezien. Zij heeft de spullen ook gezien. Zij heeft van verdachte zelf gehoord wat er gebeurd is.

Op 14 januari 2010 doet de politie onderzoek naar de administratie van [winkel] in Hoorn. De politie onderzoekt de mogelijkheid dat de bij de overval gestolen sieraden bij de [winkel] zijn verkocht. Uit de administratie van de [winkel] blijkt dat verdachte op 11 augustus 2009 goud met een gewicht van 1,8 gram aan de [winkel] heeft verkocht voor een bedrag van € 15,75.

4.4.2. Nadere bewijsoverwegingen

getuige [getuige 2]

De rechtbank stelt vast dat [getuige 2] in haar verhoren wisselende verklaringen heeft afgelegd. [getuige 2] heeft in haar verhoor bij de rechter-commissaris redenen daarvoor aangevoerd. Zij durfde als alleenstaande moeder in het begin geen verklaring af te leggen en zij voelde veel druk van buitenaf.

[Getuige 2] heeft echter in al haar verhoren steeds verklaard dat zij weet dat de overval is gepleegd door verdachte en [medeverdachte]. Uit haar tweede verklaring van 6 januari 2010 blijkt bovendien dat zij, gelet ook op de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], beschikt over specifieke daderkennis. Zo omschrijft zij hoe verdachte en [medeverdachte] over de schutting waren geklommen en dat verdachte achter de achterdeur was gaan staan terwijl [medeverdachte] in de bosjes was gaan staan. [Medeverdachte] is vervolgens op [slachtoffer 1] gesprongen en verdachte is zelf de woning binnengegaan. [getuige 2] verklaart dit alles van verdachte zelf gehoord te hebben.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen van [getuige 2], voor zover betrekking hebbende op de betrokkenheid van verdachte bij de overval, als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en aan het bewijs kunnen meewerken.

[Winkel]

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een deel van een gouden ketting en een oud geldbiljet ter waarde van 2,50 gulden op verzoek van [getuige 2] heeft ingeleverd bij [winkel]. Voor het goud kreeg verdachte ongeveer 15 euro. Het geldbiljet accepteerde [winkel] niet en heeft verdachte weggegooid. Verdachte heeft [getuige 2] niet gevraagd hoe zij aan deze spullen is gekomen.

[getuige 2] ontkent dat zij aan verdachte heeft gevraagd spullen -afkomstig van de overval- in te leveren voor geld. Zij heeft hem ook niet gevraagd om goud of zilver in te gaan leveren voor geld. Het verweer van verdachte, dat hij het goud en het geldbiljet op verzoek van [getuige 2] bij [winkel] heeft ingeleverd, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden en wordt door de rechtbank gepasseerd. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het feit dat verdachte de beschikking heeft gehad over het bij de overval weggenomen, oude geldbiljet van 2,50 gulden, mede redengevend voor het bewijs.

alibi

Verdachte heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank verklaard wat hij op de dag van de overval heeft gedaan. Hij was, kort gezegd, de hele dag in gezelschap van zijn vriendin [vriendin]. ’s Avonds kwam zijn broer [broer] op bezoek en zij hebben met z’n drieën een film gekeken.

Verdachte stelt dat hij de overval dus niet kan hebben gepleegd.

[Vriendin] en [broer] zijn beiden op 4 juni 2010 door voornoemde rechter-commissaris gehoord. De rechtbank constateert dat de door beide getuigen bij die gelegenheid afgelegde verklaringen op tal van punten met elkaar in strijd zijn. Waar [vriendin] verklaart dat [broer] vaak op bezoek komt, zij schat 4 of 5 keer per week, verklaart [broer] dat zij elkaar niet zo vaak zien. [vriendin] verklaart verder dat [broer] op 30 juli 2009 rond 19:00 uur bij haar en verdachte thuis is gekomen. [broer] verklaart dat hij rond 21:00 uur of 22:00 uur bij hen is gekomen. Ook verklaart [vriendin] dat [broer] om ongeveer 22:00 uur weg is gegaan. [Broer] verklaart dat hij is blijven slapen.

Gelet op deze -niet onbeduidende- tegenstrijdigheden in de verklaringen van [vriendin] en [broer] is de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen verdachte geen (sluitend) alibi verschaffen.

getuige [getuige 1]

Hetgeen door de raadsman van verdachte naar voren is gebracht met betrekking tot de door getuige [getuige 1] tegenover de politie afgelegde verklaringen, kan naar het oordeel van de rechtbank onbesproken worden gelaten, nu de rechtbank de desbetreffende verklaringen niet voor het bewijs heeft gebruikt.

4.4.3. Beoordeling van het bewijs

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 30 juli 2009 samen met een ander de overval op het echtpaar wonende aan de [adres] in Hoorn heeft gepleegd.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij,

op 30 juli 2009 in de gemeente Hoorn tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop, merk Toshiba, een portemonnee, een hoeveelheid gouden sieraden en een oud geldbiljet ter waarde van 2,50 gulden, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader het volgende hebben gedaan:

- de keel van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen,

- die [slachtoffer 1] met kracht op de grond gegooid,

- een vuilniszak over het hoofd van die [slachtoffer 1] getrokken,

- een vloeistof in de ogen van die [slachtoffer 2] gespoten en

- die [slachtoffer 2] bij de nek gepakt en met kracht op de grond gedrukt.

6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De op te leggen straf

8.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8.2. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de op te leggen straf rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en met de persoon van verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval op een ouder echtpaar. Zij hebben de man in zijn achtertuin beroofd van zijn sieraden en portemonnee, waarbij de keel van de man is dichtgeknepen , hij op de grond is gegooid en een vuilniszak over zijn hoofd heeft gekregen. Zij hebben een vloeistof in de ogen van zijn vrouw gespoten waardoor zij niets meer kon zien. Ook de vrouw werd op de grond gegooid en beroofd van sieraden. Ook werd een laptop gestolen.

Dit is een bijzonder ernstig feit, dat voor de slachtoffers een beangstigende en zeer traumatische ervaring is geweest. De slachtoffers zijn al wat ouder, thans respectievelijk 72 en 68 jaar oud, en voelen zich sinds de overval niet meer veilig in hun eigen woning.

Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft bij gelegenheid van de aangifte verklaard dat hij zijn vrouw heeft horen gillen, dat hij dacht dat hij en zijn vrouw zouden worden vermoord en dat hij heel erg bang was. Toen hem een vuilniszak over het hoofd werd gedaan kon hij bijna niet meer ademhalen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke misdrijven vaak langdurig psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Daarbij komt dat een dergelijke overval angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweegbrengt of versterkt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op zijn naam staand Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 maart 2010. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder wegens een soortgelijk delict is veroordeeld.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur de enige passende sanctie is. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen van langere duur dan door de officier van justitie gevorderd, nu de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank geen recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde feit.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek ‘Bewezenverklaring’ aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders primair is ten laste gelegd dan hierboven in de rubriek ‘Bewezenverklaring’ bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek ‘Strafbaarheid van het bewezen verklaarde’ vermelde strafbare feit.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. Hirzalla, voorzitter,

mrs. S.M. Jongkind-Jonker en H.E.C. de Wit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.A. Schenk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2010.