Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BN4967

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
14.810164-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging doodslag, poging zware mishandeling en bedreiging, nu niet is komen vast te staan dat verdachte zich met de auto daadwerkelijk op enig moment in de richting van aangevers heeft bewogen in die zin dat gesteld kan worden dat verdachte is toe- of ingereden op aangevers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR, ZITTINGHOUDENDE TE HAARLEM

Sector straf

Parketnummer : 14.810164-10 + 14.811029-09 (tul)

Datum uitspraak : 10 augustus 2010

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [straatnaam, huisnummer, postcode en plaatsnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 juli 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank:

- de verdachte van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten zal vrijspreken;

- het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren;

- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 177 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen, die de verdachte zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, en daarbij een meldplicht zal opleggen en een behandelverplichting, inhoudende dat verdachte zich laat behandelen bij de FPA te Heiloo of een soortgelijke instelling;

- de verdachte de bevoegdheid zal ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van de verdachte reeds is ingevorderd;

- de in beslag genomen personenauto verbeurd zal verklaren;

- de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de verdachte en mr. E.F.E. Hoekstra, advocaat te Alkmaar en raadsvrouw van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

Primair hij op of omstreeks 12 april 2010 op een of meer verschillende tijdstippen in de gemeente Castricum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] van het leven te beroven, (telkens) met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde auto (met hoge snelheid) [gedeeltelijk] over de stoep op die perso(o)n(en) is toe- en/of in gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair hij op of omstreeks 12 april 2010 op een of meer verschillende tijdstippen in de gemeente Castricum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een of meer perso(o)n(en) genaamd [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet met een door hem,verdachte, bestuurde auto (met hoge snelheid) [gedeeltelijk] over de stoep op die perso(o)n(en) is toe- en/of in gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 12 april 2010 op een of meer verschillende tijdstippen in de gemeente Castricum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door met een door hem, verdachte, bestuurde auto (met hoge snelheid) [gedeeltelijk] over de stoep op die perso(o)n(en) is toe- en/of in gereden.

2. VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. VRIJSPRAAK

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair en het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte voor zowel het primair, het subsidiair als het meer subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat de verdachte ter terechtzitting heeft bekend op 12 april 2010 met zijn auto door de [straatnaam] te Castricum te hebben gereden Hij heeft echter ontkend daarbij over de stoep te hebben gereden en op de aangevers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te zijn ingereden. De verdenking jegens de verdachte berust in hoofdzaak op de verklaringen van de aangevers dat de verdachte gedeeltelijk over de stoep heeft gereden en daarbij op beide aangevers is ingereden, waarbij opgemerkt dient te worden dat uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] blijkt dat ten tijde van het opnemen van de aangifte van [betrokkene 2] , diens zoon [betrokkene 1] zich in dezelfde ruimte bevond. De verklaringen van aangevers worden slechts in beperkte mate ondersteund door ander bewijs, te weten de verklaring van de getuige [getuige], de bewoonster van het adres [straatnaam] [huisnummer] te Castricum. Deze getuige heeft verklaard dat zij heeft gehoord en gezien dat er op 12 april 2010 een auto met hoge snelheid door de [straatnaam] reed in de richting van de [straatnaam]. Zij heeft echter niet waargenomen dat de auto daarbij over de stoep reed of dat de auto in de richting van de stoep reed. Nu de verklaringen van de aangevers – die gelet op de wijze van totstandkoming naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen worden aangemerkt als twee onafhankelijk van elkaar staande verklaringen – niet worden ondersteund door ander bewijs, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met zijn auto met hoge snelheid (gedeeltelijk) over de stoep op de aangevers is toe – of ingereden. Hieruit volgt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte het onder primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt eveneens wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van hetgeen de verdachte onder het meer subsidiaire feit wordt verweten. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte weliswaar niet over de stoep heeft gereden of op de aangevers is ingereden, doch dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met zijn auto op de aangevers is toe- gereden. Deze handeling, in samenhang met de hoge snelheid waarmee de verdachte door de straat reed; de gierende banden van de auto van de verdachte en het roepen van de verdachte en zijn mede-inzittenden naar de aangevers, is voor de aangevers bedreigend geweest, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt hierover dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met zijn auto over de [straatnaam] is gereden, terwijl beide aangevers zich op de langs die weg liggende stoep bevonden. De verdachte is daarbij feitelijk langs de aangevers gereden. Niet is vast komen te staan dat de auto ten tijde van het langsrijden of op enig ander moment in die straat zich daadwerkelijk in de richting van de aangevers heeft bewogen, in die zin dat gezegd kan worden dat de verdachte is toe- of ingereden op de aangevers. Dat de verdachte de aangevers heeft bedreigd op de wijze zoals ten laste gelegd kan derhalve niet worden bewezen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van zowel het primair, subsidiair als meer subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

4. BESLISSING OMTRENT IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

Nu niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd met de onder hem in beslag genomen personenauto, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor verbeurdverklaring van dit voorwerp. De desbetreffende vordering van de officier van justitie kan dan ook niet worden toegewezen.

De rechtbank is van oordeel, dat het in beslag genomen voorwerp, te weten een personenauto van het merk Peugeot 106 met het kenteken [kenteken], dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, zijnde naar verdachte ter terechtzitting heeft gesteld [voorletter en achternaam] (de zus van de verdachte).

Uit het onderzoek op de terechtzitting is echter niet onomstotelijk - dat wil zeggen door overlegging van een kentekenbewijs of iets dergelijks - gebleken, dat deze persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

5. VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE STRAF

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van deze rechtbank van 8 september 2009 in de zaak met parketnummer 14.811029-09 aan de verdachte opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gerekwireerd de vordering af te wijzen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 12 oktober 2009 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 23 september 2009 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Haarlem reeds is bevolen de eerder opgelegde voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen. Gelet hierop zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de bewaring van de personenauto Peugeot 106 met het kenteken [kenteken] ten behoeve van de rechthebbende.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering strekkende tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd, bij voormeld vonnis van de Kinderrechter te Alkmaar van 8 september 2009 in de zaak met parketnummer 14.811029-09.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.O.P. Roché, voorzitter,

mr. M.E. Francke en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 augustus 2010.