Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BN4964

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
03-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
14.810126-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verkort vonnis; korte periode dealen in cocaïne; deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gecombineerd met een taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Zitting houdende te Haarlem

Sector straf

Parketnummer : 14.810126-10

Datum uitspraak : 3 augustus 2010.

Tegenspraak

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[straatnaam en huisnummer], [postcode en woonplaats],

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 juni 2010 en 20 juli 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat ter terechtzitting een vordering van de officier van justitie strekkende tot aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2009 tot en met 11 maart 2010 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Heiloo en/of Bergen (NH) en/of Castricum en/of (elders) in het arrondissement Alkmaar (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 12 maart 2010 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 544,56 gram, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is., dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak , dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 11 maart 2010 in het arrondissement Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne;

2.

hij op 12 maart 2010 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

5. Bewijsoverweging

A. De periode

In tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte ook in de periode, voorafgaand aan de maand februari 2010, in cocaïne heeft gedeald.

Verdachte heeft verklaard, ook ter terechtzitting, in februari 2010 met het dealen te zijn begonnen, hetgeen wordt ondersteund door de inhoud van het afgeluisterde telefoongesprek, door verdachte gevoerd op 10 maart 2010.

B. Medeplegen

Op basis van de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken en de inhoud van de SMS-berichten, één en ander zoals vermeld in de bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn neef [medeverdachte] in cocaïne heeft gedeald.

Feit 2

Na de aanhoudingen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 12 maart 2010 heeft de politie de woning aan de [adres] te Alkmaar doorzocht. Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, zijn bij deze doorzoeking een geldbedrag in relatief kleine coupures en diverse verpakkingen met cocaïne aangetroffen.

Zowel verdachte als de medeverdachte [medeverdachte] bleken bij hun fouillering in het bezit te zijn van een sleutel van de woning aan de [adres] te Alkmaar. Uit de beelden van de camera, in het kader van een observatie geplaatst met zicht op de voordeur van genoemd perceel, is gebleken dat verdachte op 6 maart 2010 te 15:53 samen met [medeverdachte] de woning betreedt om deze vervolgens samen met [medeverdachte] weer te verlaten om 18:36 uur.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande en op grond van het feit dat zij bewezen acht dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne, bewezen dat verdachte op 12 maart 2010, eveneens tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad op het adres [adres] te Alkmaar.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Feit 2

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en daarnaast een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de periode, welke zijn cliënt reeds in voorarrest heeft doorgebracht

De raadsman verzoekt voorts om de werkstraf zoals die door de officier van justitie is gevorderd, te matigen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het bijzonder in beschouwing genomen de ernst van het feit en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft gedurende een korte periode uit geldelijk gewin gedeald in

cocaine.

Tegenover de politie heeft verdachte verklaard iedere dag cocaïne te hebben verkocht en dat hij denkt daarmee wekelijks € 600,00 à € 700,00 te hebben verdiend.

Het is algemeen bekend dat cocaïnegebruik ernstige schade kan toebrengen aan de gebruikers ervan en dat cocaïneverslaving kan leiden tot overlast voor anderen en schade voor de maatschappij als geheel, vooral indien verslaafden overgaan tot het plegen van delicten om het gebruik te kunnen bekostigen.

Verdachte dealde cocaïne in samenwerking met zijn medeverdachte. De rol van verdachte was ondergeschikt aan de rol van zijn medeverdachte.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat tevens meegewogen dat de periode waarin verdachte cocaïne heeft gedeald korter is dan de periode die hem onder 1 ten laste is gelegd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 15 maart 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een misdrijf als het onderhavige is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder gelet op het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport,

gedateerd 27 mei 2010 van M. van Heezik als reclasseringswerker verbonden aan

Reclassering Nederland.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, behoort te worden opgelegd, een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

9. Beslag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen goederen:

- verbeurd worden verklaard:

1 Euro 555,-

4 2.00 STK Telefoontoestel NOKIA

- worden onttrokken aan het verkeer:

2 9.00 STK Cocaine (9 snowseals)

3 18.00 STK Cocaine (18 kleine snowseals)

6 1.00 STK Hashish (zakje hashish)

7 3.00 STK Cocaine (3 bolletjes cocaine)

- worden teruggegeven aan de verdachte:

5 1.00 STK Telefoontoestel SONY ERICSSON

8 1.00 STK Sleutelbos met 2 sleutels aan hanger

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman kan zich vinden in het standpunt van de officier van justitie

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel, dat het in beslag genomen geldbedrag van € 555,- dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat dit geldbedrag door middel van het onder 1 bewezen verklaarde is verkregen.

De rechtbank is van oordeel, dat de in beslag genomen telefoontoestellen van het merk NOKIA dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde met behulp van de voorwerpen is begaan.

De rechtbank is van oordeel, dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

2 9.00 STK Cocaine (9 snowseals)

3 18.00 STK Cocaine (18 kleine snowseals)

7 3.00 STK Cocaine (3 bolletjes cocaine)

dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu deze voorwerpen tot tot het begaan van het onder 1 bewezen verklaarde zijn bestemd en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang

De rechtbank is van oordeel, dat het in beslag genomen zakje hashish dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu de hash aan verdachte toebehoort, het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang en deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan verdachte wordt verdacht zijn aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel, dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

5 1.00 STK Telefoontoestel SONY ERICSSON

8 1.00 STK Sleutelbos met 2 sleutels aan hanger

dienen te worden teruggegeven aan: verdachte.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

Verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders onder 1 en onder 2 ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek

STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 9 (negen) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde voorts tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 40 (veertig) dagen.

Bepaalt dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Verklaart verbeurd:

1 Euro 555,-

4 2.00 STK Telefoontoestel NOKIA

Beveelt onttrekking aan het verkeer van:

2 9.00 STK Cocaine (9 snowseals)

3 18.00 STK Cocaine (18 kleine snowseals)

6 1.00 STK Hashish (zakje hashish)

7 3.00 STK Cocaine (3 bolletjes cocaine)

Beveelt terruggave aan de veroordeelde van:

5 1.00 STK Telefoontoestel SONY ERICSSON

8 1.00 STK Sleutelbos met 2 sleutels aan hanger

Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Jongkind-Jonker, voorzitter,

mr. H.E.C. de Wit en mr. R. Hirzalla, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B.A. Schenk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2010 .