Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BN4961

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
14.700652-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is met zijn auto vanuit stilstand weggereden terwijl verdachte wist dat zich op dat moment dicht naast zijn auto een persoon bevond. Bij gelegenheid van het wegrijden heeft hij de persoon geraakt, waardoor deze zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Volgt vrijspraak voor poging tot doodslag resp. zware mishandeling en poging tot zware mishandeling en een veroordeling voor artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Voorts sprake van bedreiging door met een personenauto met hoge snelheid over een parkeerterrein te rijden, terwijl op dat moment twee personen zich op het parkeerterrein bevonden. Mede gelet op de overige gebeurtenissen die avond, bewezen dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met zijn gedragingen de slachtoffers vrees aanjaagde.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14.700652-08 (P)

Datum uitspraak : 23 juni 2010

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [straatnaam, huisnummer, postcode en plaatsnaam].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

14 april 2010 en 09 juni 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. G. Lieffijn, advocaat te Den Helder, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

Primair hij op of omstreeks 07 november 2007 te De Koog, gemeente Texel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een door verdachte bestuurde auto (met aanmerkelijke snelheid) vanuit stilstand is weggereden, zulks terwijl genoemde [slachtoffer 1] zich dicht naast, dan wel links voor verdachtes auto bevond, waardoor die [slachtoffer 1] door die auto werd geraakt;

Subsidiair

hij op of omstreeks 07 november 2007 te De Koog, gemeente Texel, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gescheurde spier van de biceps van de rechterarm), heeft toegebracht, door opzettelijk met een door verdachte bestuurde auto (met aanmerkelijke snelheid) vanuit stilstand weg te rijden, zulks terwijl genoemde [slachtoffer 1] zich dicht naast, dan wel links voor verdachtes auto bevond, waardoor die [slachtoffer 1] door die auto werd geraakt;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 07 november 2007 te De Koog, gemeente Texel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door verdachte bestuurde auto (met aanmerkelijke snelheid) vanuit stilstand is weggereden, zulks terwijl genoemde [slachtoffer 1] zich dicht naast, dan wel links voor, verdachtes auto bevond, waardoor die [slachtoffer 1] door die auto werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Meest Subsidiair

hij op of omstreeks 07 november 2007 te De Koog, gemeente Texel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, een parkeerterrein (nabij het Texaco benzinestation) aan [straatnaam] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een door verdachte bestuurde auto (met aanmerkelijke snelheid) vanuit stilstand weg te rijden terwijl verdachte wist dat een persoon zich dicht naast, dan wel dicht (links) voor, verdachtes auto bevond, en (vervolgens) met die door hem, verdachte, bestuurde auto tegen die persoon aan te rijden, waardoor [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurde spier van de biceps van de rechterarm, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Uiterst Subsidiair

hij op of omstreeks 07 november 2007 te De Koog, gemeente Texel, op de weg, de parkeerplaats (nabij Texaco benzinestation) aan [straatnaam], terwijl hij wist dat een persoon zich dicht naast, dan wel dicht (links,) voor zijn auto bevond, met een door verdachte bestuurde auto (met aanmerkelijke snelheid) vanuit stilstand is weggereden en (vervolgens) met die door hem, verdachte, bestuurde auto tegen die persoon is aangereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 07 november 2007 te De Koog, gemeente Texel, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers

- nadat verdachte en/of een of meer andere personen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die zich op een parkeerplaats in een camper bevonden, eerder die avond met luide muziek had(den) lastig gevallen en/of

- nadat verdachte die [slachtoffer 1], die met de camper was weggereden, gedurende enige tijd hinderlijk had gevolgd en/of

- nadat verdachte, toen genoemde [slachtoffer 1] was gestopt op de parkeerplaats (nabij het Texaco benzinestation) aan [straatnaam] wederom zijn auto in de nabijheid van de camper had geparkeerd en vervolgens op/tegen (de deur van) de camper had geklopt of geslagen, waarna die [slachtoffer 1] de camper was uitgegaan en in de richting van verdachte was gerend of gelopen,

is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem bestuurde auto met een hoge, althans een aanmerkelijke, snelheid, zulks terwijl genoemde perso(o)n(en) zich op laatstgenoemde parkeerplaats buiten de camper bevond(en), een of meermalen op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toe- en/of ingereden en/of

heeft verdachte opzettelijk dreigend op laatstgenoemde parkeerplaats met een hoge, althans een aanmerkelijke, snelheid een of meer rondjes rond de camper en de zich op die parkeerplaats buiten de camper bevindende perso(o)n(en) gereden, hetgeen door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] als bedreigend werd ervaren;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 8 november 2007 wordt door [slachtoffer 1] aangifte gedaan van poging tot doodslag. De poging tot doodslag zou zijn gepleegd op 7 november 2007 met een personenauto van het merk Peugeot voorzien van het kenteken [kenteken].

[slachtoffer 1] verklaart op 7 november 2007 hinderlijk te zijn gevolgd door voornoemde personenauto. [slachtoffer 1] was voornemens hier aangifte van te doen, maar het dichtstbijzijnde politiebureau op Texel bleek gesloten te zijn. Vervolgens heeft [slachtoffer 1] zijn camper op het parkeerterrein aan [straatnaam] te De Koog geparkeerd. Kort hierop werd er hard op de camper geklopt. Toen [slachtoffer 1] uit de camper stapte, zag hij iemand weglopen, die vervolgens in de eerder genoemde Peugeot stapte en op de bestuurdersplaats ging zitten. [slachtoffer 1] is achter deze persoon aangerend in de richting van de Peugeot. Tegenover de politie heeft [slachtoffer 1] verklaard dat de personenauto vervolgens is weggereden op het moment dat hij, [slachtoffer 1], zich dicht naast de auto bevond. [slachtoffer 1] verklaart hierbij te zijn geraakt door de auto.

Vervolgens zou de auto heel hard, zonder licht, in de richting van de camper en de vrouw van die [slachtoffer 1] zijn gereden en een rondje om die camper hebben gereden. Hij zou zijn weg hebben vervolgd in de richting van [slachtoffer 1] en na een slinger te hebben gemaakt, [slachtoffer 1] heen in de richting van de uitgang zijn gereden, waarna hij de parkeerplaats verliet.

Ook de echtgenote van aangever, mevrouw [slachtoffer 2], heeft op 8 november 2007 een verklaring afgelegd bij de politie.

De verdachte is, als eigenaar/bestuurder van de Peugeot, op 8 november 2007 door de politie gehoord. Ook de andere inzittenden van de Peugeot, genaamd [getuige 1] en [getuige 2], zijn gehoord door de politie.

De verdachte heeft toegegeven dat hij op 7 november 2007 met zijn auto de camper enige tijd heeft gevolgd. Toen de verdachte de camper, dit maal toevallig, zag staan op het parkeerterrein aan [straatnaam], besloot hij samen met zijn vrienden ‘belletje te trekken’. De verdachte is naar de camper toegelopen en heeft een harde klop gegeven op de camper. Toen hij terugliep naar zijn auto, schreeuwden de andere inzittenden van de Peugeot dat er een man achter hem aan kwam. De verdachte verklaart dat hij, op het moment dat de man zich naast de auto bevond, vooruit over een stoepje is weggereden. Toen hij wegreed hoorde de verdachte een klap op de auto. De verdachte ontkent tegen [slachtoffer 1] aan te zijn gereden.

De verdachte heeft verklaard de afslag in de richting van de uitgang te hebben gemist, waarna hij een rondje heeft gereden om de camper heen. Vervolgens heeft hij het parkeerterrein verlaten.

De verdachte betitelt de gebeurtenissen als een uit de hand gelopen kwajongensstreek. Hij heeft aangevoerd dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen vrees heeft willen aanjagen en dat zijn opzet niet gericht is geweest op enige bedreiging.

Op 9 juni 2009 hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris nogmaals een verklaring afgelegd. [slachtoffer 1] verklaart dat hij als gevolg van de aanrijding met de auto van de verdachte letsel heeft opgelopen aan zijn rechterarm, te weten een gescheurde spier van de biceps van de rechterarm.

De rechtbank zal met betrekking tot feit 1 dienen te beoordelen of uit de gedragingen en de omstandigheden van het geval volgt, dat de verdachte het opzet, al dan niet in voorwaardelijk vorm, heeft gehad [slachtoffer 1] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voorts staat ter beoordeling van de rechtbank de vraag of de auto van de verdachte [slachtoffer 1] daadwerkelijk heeft geraakt bij het wegrijden. Indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, dient te worden vastgesteld of dit aan de schuld van de verdachte te wijten is en verder of het letsel van [slachtoffer 1] het gevolg is van die aanrijding.

Voorts dient te rechtbank te beoordelen of, gelet op de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op 7 november 2007, kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke vorm, vrees heeft aangejaagd.

B. Standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht niet bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad [slachtoffer 1] van het leven te beroven en verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken voor het onder 1 primair ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 7 november 2007 [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte bij het wegrijden [slachtoffer 1] heeft geraakt. Volgens de officier van justitie gaat de simulatie in de verkeersongevalanalyse uit van een onjuist feitencomplex. [slachtoffer 1] bevond zich op het moment van wegrijden niet naast, maar schuin voor de auto. Bovendien stond [slachtoffer 1] niet stil maar bewoog hij zich in de richting van de auto. Tot slot stond de auto met zijn voorwielen tegen een stoepje aan, waardoor bij het wegrijden het mogelijk is dat de wielen van de auto een draaiing hebben gemaakt.

De officier van justitie is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 1] geen zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen, maar door met zijn auto met hoge snelheid en onder de hiervoor geschetste omstandigheden weg te rijden terwijl hij wist dat [slachtoffer 1] zich dicht naast de auto bevond, heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte die kans ook aanvaard en op de koop toe genomen, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie is verder van mening dat, hoewel niet duidelijk kan worden vastgesteld hoe [slachtoffer 1] precies is gevallen, wel vaststaat dat het letsel van die [slachtoffer 1] het gevolg is geweest van een aanrijding met de auto van de verdachte. Vermoedelijk heeft [slachtoffer 1], nadat hij werd geraakt door de auto, een ongecontroleerde beweging gemaakt waardoor hij op de auto terecht is gekomen.

Feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 7 november 2007 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Uit de bewijsmiddelen volgt volgens de officier van justitie dat de verdachte door met zijn auto om de camper van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heen te rijden een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

C. Standpunt van de verdediging

Feit 1

Met de officier van justitie is de raadsman van mening dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het opzet heeft gehad [slachtoffer 1] van het leven te beroven en verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De raadsman bestrijdt voorts dat vast is komen te staan dat de verdachte met zijn auto tegen [slachtoffer 1] aan is gereden. [slachtoffer 1] bevond zich op het moment van wegrijden aan de zijkant van de auto. Gelet op de verkeersongevalanalyse is het niet mogelijk dat de verdachte [slachtoffer 1] bij het vooruit wegrijden zou kunnen raken. Dat er bij de verkeersongevalanalyse is uitgegaan van een statische persoon doet daar naar de mening van de raadsman niets aan af. De verdachte behoefde in de visie van de verdediging dan ook niet in aanmerking te nemen dat hij door vooruit weg te rijden [slachtoffer 1] mogelijk in gevaar zou brengen. De verdachte heeft zich ook geen moment gerealiseerd dat dat gevaar kon ontstaan. Het (voorwaardelijk) opzet op het zwaar lichamelijk lestel was naar de mening van de raadsman derhalve niet aanwezig.

De raadsman heeft betoogd dat nu is gebleken dat een aanrijding van [slachtoffer 1] niet mogelijk is geweest, ook niet kan worden bewezen dat de verdachte het letsel van [slachtoffer 1] heeft veroorzaakt. De raadsman voert een ander scenario aan waardoor het letsel van [slachtoffer 1] mogelijk zou kunnen worden verklaard. De raadsman acht het niet uitgesloten dat [slachtoffer 1] op het moment dat de auto wegreed het portier vast had of een klap tegen de auto heeft gegeven als gevolg waarvan hij letsel heeft bekomen. Ten aanzien van het letsel heeft de raadsman nog opgemerkt dat er geen duidelijk gedateerde geneeskundige verklaring in het dossier aanwezig is.

Gelet op het feit dat alternatieve scenario’s denkbaar zijn, acht de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1 ten laste gelegde feiten en dient de verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

Feit 2

De raadsman bestrijdt dat zijn cliënt opzettelijk dreigend rond heeft gereden. De verdachte is een confrontatie met [slachtoffer 1] juist uit de weg gegaan. Uit angst om door [slachtoffer 1] gepakt te worden, is de verdachte in paniek op de vlucht geslagen en heeft hij een rondje om de camper gereden. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte meerdere rondjes om de camper heeft gereden. Het enige verwijt dat de verdachte daarbij valt te maken is dat hij wat onhandig heeft gestuurd.

Gelet op het voorgaande verzoekt de raadsman de verdachte ook van het onder 2 ten laste gelegde feit vrij te spreken.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Feit 1

1. Vrijspraak

Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde is de rechtbank met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat ook het onder 1 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet kan worden bewezen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 subsidiair en meer subsidiair als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte het opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1].

De rechtbank overweegt dat op het moment dat de verdachte met zijn auto wegreed terwijl [slachtoffer 1] zich dicht naast dan wel schuin voor de auto bevond, er een kans bestond dat de verdachte die [slachtoffer 1] zou raken. Doch de kans dat [slachtoffer 1] daarbij zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, kan naar het oordeel van de rechtbank – gelet op zowel de verkeersongevalanalyse als de plaats waar [slachtoffer 1] zich op het moment van wegrijden bevond – niet als een aanmerkelijke kans worden beschouwd.

De rechtbank oordeelt dat gelet op het voorgaande de verdachte van zowel het onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair als het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

2. Bewijs; schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Op 7 november 2007 stond de verdachte met zijn personenauto op het parkeerterrein (nabij het Texaco benzinestation) aan [straatnaam] te De Koog in de gemeente Texel. De verdachte is op enig moment in zijn personenauto gestapt en vanuit een stilstaande positie met een aanzienlijke snelheid weggereden. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat zijn auto vlak tegen een opstaande, stenen rand stond geparkeerd en dat hij via deze rand vooruit is weggereden. Op het moment dat de verdachte wegreed, bevond [slachtoffer 1] zich dicht naast de auto. De verdachte was hiervan op de hoogte. Bij gelegenheid van het wegrijden is die [slachtoffer 1] door de auto van de verdachte geraakt. Als gevolg van deze aanrijding heeft [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurde spier van de biceps van de rechterarm bekomen.

De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor beschreven verkeersgedrag van de verdachte – het uit stilstand met aanzienlijke snelheid wegrijden over een stoepje, wetende dat zich dicht naast de auto een persoon bevindt – als zeer onvoorzichtig moet worden aangemerkt.

De rechtbank merkt voorts op dat het feit dat bewezen wordt geacht dat [slachtoffer 1] bij gelegenheid van het wegrijden door de door de verdachte bestuurde auto is geraakt, impliceert dat er sprake is geweest van een aanrijding. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman op dit punt.

2. Behandeling van de verweren

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat – mede gelet op de verkeersongevalanalyse – het niet mogelijk is dat de verdachte met zijn auto tegen de verdachte aan is gereden.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat op grond van de bevindingen, zoals opgenomen in het proces-verbaal verkeersongevalanalyse niet de conclusie kan worden getrokken, dat [slachtoffer 1] niet door de auto kan zijn geraakt. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat [slachtoffer 1] naar de auto toe kwam en dat verdachte via een opstaande rand is weggereden. Deze omstandigheden zijn in de verkeersongevalanalyse, waarbij wordt uitgegaan van een simulatie – niet verdisconteerd.

De rechtbank verwerpt eveneens het verweer van de raadsman, dat niet kan worden vastgesteld dat het letsel van [slachtoffer 1] is ontstaan als gevolg van een aanrijding met de auto van de verdachte. Gelet op de medische informatie acht de rechtbank het causale verband tussen het door verdachte veroorzaakte verkeersongeval en het letsel aanwezig.

Het feit dat [slachtoffer 1], die ten tijde van zijn aangifte bij de politie reeds melding maakte van klachten aan zijn arm en heup, zich niet terstond met die klachten tot een arts wendde, doet aan het causale verband niet af.

De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht, op grond waarvoor getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de verklaring van de orthopedisch chirurg H. van der Hoeven. Het gegeven dat deze verklaring niet is gedateerd, doet aan de inhoud ervan naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk. De chirurg meldt in de verklaring dat [slachtoffer 1] op 12 mei 2010 een bezoek bracht aan de polikliniek orthopedie van de Bergmankliniek te Bilthoven, dat hij naar deze kliniek werd verwezen in verband met blijvende klachten aan de schouder en dat echografie van de schouder een afwezige bicepspees liet zien, passend bij een proximale bicepspeesruptuur.

Feit 2

Op 7 november 2007 heeft de verdachte in De Koog op Texel met zijn personenauto de camper van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedurende enige tijd hinderlijk gevolgd. Op het moment dat zij op een parkeerterrein stonden heeft de verdachte zijn auto in de buurt van de camper van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geparkeerd en heeft hij harde muziek gedraaid. De camper is vervolgens weggereden en is op een ander parkeerterrein gaan staan. De verdachte is met zijn auto de camper gevolgd en heeft zijn auto nogmaals in de nabijheid van de camper geparkeerd. Wederom is de camper weggereden. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben vervolgens de camper geparkeerd bij het parkeerterrein aan [straatnaam] te De Koog bij het Texaco benzinestation. Toen de verdachte de camper daar zag staan heeft de verdachte zijn auto eveneens op dit parkeerterrein geparkeerd. De verdachte is vervolgens uitgestapt en heeft – naar eigen zeggen – bij wijze van ‘belletje trekken’ een harde klop tegen de camper gegeven.

De verdachte heeft voorts met een aanzienlijke snelheid een rondje om de camper gereden , terwijl hij wist dat die [slachtoffer 1] zich buiten de camper bevond. Voorts is de verdachte met een aanzienlijke snelheid in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die zich ook buiten de camper op het parkeerterrein bevond, gereden. Vlak voordat hij bij [slachtoffer 1] was, heeft de verdachte een slinger gemaakt met zijn auto en is hij doorgereden richting de uitgang van het parkeerterrein. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben dit als bedreigend ervaren.

Gelet op alle gebeurtenissen die in de avond van 7 november 2007 hebben plaatsgevonden, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met zijn gedragingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vrees aanjaagde. Dat de verdachte in paniek was op het moment dat hij wegreed – zoals de raadsman heeft aangevoerd – doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De rechtbank overweegt daartoe mede dat de verdachte zichzelf in die situatie heeft gebracht.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Meest Subsidiair hij op 07 november 2007 te De Koog, gemeente Texel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, een parkeerterrein nabij het Texaco benzinestation aan [straatnaam], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig, met een door verdachte bestuurde auto met aanmerkelijke snelheid vanuit stilstand weg te rijden, terwijl verdachte wist dat een persoon zich dicht naast verdachtes auto bevond, en met die door hem, verdachte, bestuurde auto tegen die persoon aan te rijden, waardoor [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurde spier van de biceps van de rechterarm, werd toegebracht.

2.

hij op 07 november 2007 te De Koog, gemeente Texel, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers

- nadat verdachte en andere personen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die zich op een parkeerplaats in een camper bevonden, eerder die avond met luide muziek hadden lastig gevallen en

- nadat verdachte die [slachtoffer 1], die met de camper was weggereden, gedurende enige tijd hinderlijk had gevolgd en

- nadat verdachte, toen genoemde [slachtoffer 1] was gestopt op de parkeerplaats (nabij het Texaco benzinestation) aan [straatnaam] wederom zijn auto in de nabijheid van de camper had geparkeerd en vervolgens tegen de camper had geklopt of geslagen, waarna die [slachtoffer 1] de camper was uitgegaan en in de richting van verdachte was gerend,

is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem bestuurde auto met een aanmerkelijke snelheid, zulks terwijl genoemde personen zich op laatstgenoemde parkeerplaats buiten de camper bevonden, op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toe gereden en heeft verdachte opzettelijk dreigend op laatstgenoemde parkeerplaats met een aanmerkelijke snelheid een rondje rond de camper en de zich op die parkeerplaats buiten de camper bevindende personen gereden, hetgeen door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als bedreigend werd ervaren.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor beide feiten dient te worden vrijgesproken. Voorts heeft de raadsman betoogd dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats is, aangezien het gedrag van de verdachte reeds door het voorval is beïnvloed.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

Bij de bepaling van de duur en de vorm van de straf heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig rijgedrag, dat heeft geresulteerd in een aanrijding met het slachtoffer [slachtoffer 1]. Tengevolge van die aanrijding heeft [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel bekomen. [slachtoffer 1] ondervindt nog dagelijks de gevolgen van dit letsel en is niet meer in staat om zijn werkzaamheden volledig uit te voeren.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn medemens onvoldoende in acht heeft genomen.

Voorts hebben de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bedreigd en geïntimideerd gevoeld door de handelingen van de verdachte.

De slachtoffers hebben ter terechtzitting verklaard dat zij sinds het gebeuren niet meer op Texel durven te komen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet

op het op naam van de verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd

23 maart 2010, waaruit blijkt dat verdachte na 7 november 2007 door de Kantonrechter te Den Helder wegens overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 tot een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete is veroordeeld.

Al het voorgaande overwegende en rekening houdende met het lange tijdsverloop sedert november 2007 acht de rechtbank anders dan de officier van justitie oplegging van een gedeeltelijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op haar plaats. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van na te noemen werkstraf alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, passend en geboden is.

9. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.500,- wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering worden toegewezen.

10.Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12.Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 meest subsidiair en onder 2 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 50 (vijftig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Ontzegt de verdachte wegens het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de ontzegging van de rijbevoegdheid ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere ontzeg¬ging van de rijbevoegd¬heid in mindering is ge¬bracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2007 tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.500,- (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2007 tot aan de dag van algehele voldoening en bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Jongkind-Jonker, voorzitter,

mr. M.E. Francke en mr. R. Hirzalla, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juni 2010.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.