Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BN4884

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
10/47
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan vergunninghouder een bouwvergunning verleend voor het geheel oprichten van een hardhouten loopbrug op het perceel X te Grootschermer. Met de brug wordt een verbinding gemaakt tussen een woonperceel en de Eilandspolder. Bouwplan past niet binnen de bestemmingen van de twee vigerende bestemmingsplannen. De welstandscommissie heeft voorts een verouderd bouwplan getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/47

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

1. Stichting Open Polders (eiseres),

2. [eiser 2] (eiser),

gevestigd onderscheidenlijk woonachtig te [plaats],

hierna samen: eisers,

gemachtigde mr. T.C. Leemans,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schermer,

verweerder.

Aan het geding neemt tevens deel [naam], vergunninghouder,

gemachtigde mr. E.C.W. van der Poel.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 7 april 2009, bekendgemaakt op 15 april 2009, heeft verweerder aan

[naam] een bouwvergunning verleend voor het geheel oprichten van een hardhouten loopbrug op het perceel [adres] in [plaats], kadastraal bekend gemeente Schermer sectie [X], nummers [X] en [Y]. Het hiertegen door eisers bij brief van 26 mei 2009 gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 27 oktober 2009, verzonden

11 november 2009, ongegrond verklaard. Namens eisers is tegen dit besluit bij brief van

22 december 2009 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 20 mei 2010. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door R.P.L. Mastbergen, secretaris en penningmeester van de Stichting. Eiser is in persoon verschenen. Eisers zijn ter zitting bijgestaan door hun voornoemde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde drs. E.T.A.M. Willebrands. Ter zitting is tevens verschenen [naam], bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Motivering

1. In dit geding staat ter beoordeling of verweerder de bezwaren van eisers tegen het besluit van 7 april 2009, waarbij aan vergunninghouder een bouwvergunning is verleend voor het plaatsen van een loopbrug, terecht en op goede gronden ongegrond heeft verklaard.

2. Het bouwplan behelst het plaatsen van een loopbrug met een lengte van vijftien meter. De brug, welke met vier in het water geplaatste pijlers zal worden ondersteund, overspant de [naam] in [plaats] en verbindt het perceel [adres], met kadastraal nummer [X] (dorpszijde) en het perceel, met kadastraal nummer [Y] (polderzijde) met elkaar.

3. Ingevolge artikel 44, eerste lid, Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien:

a. (..);

b. (..);

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld (..).

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 45, eerste lid, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. (..);

f. (..);

g. (..).

4.1 Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen “Dorpskernen” en “Landelijk Gebied 2003”. De bestemmingsplangrens ligt in het midden van de [naam]. De brug is beoogd op ingevolge het bestemmingsplan “Dorpskernen” als “Woondoeleinden (W)” en “Water” bestemde gronden en ingevolge het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2003” als “Agrarische doeleinden met op natuurbehoud gerichte agrarische exploitatie” en “Water” bestemde gronden.

4.2 Het bestemmingsplan “Dorpskernen”

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het bestemmingsplan “Dorpskernen” – voor zover hier van belang – zijn de gronden op de kaart aangewezen voor “Woondoeleinden (W)” bestemd voor het wonen.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, van het bestemmingsplan “Dorpskernen” mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a. hoofdgebouwen;

b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van het bestemmingsplan “Dorpskernen” zijn de gronden op de kaart aangewezen voor “Water” bestemd voor de wateraanvoer en –afvoer, alsmede voor de waterberging en ter plaatse van “het Zwet” te Schermerhorn tevens voor ligplaats van ten hoogste één woonschip.

Ingevolge artikel 30, tweede lid, van het bestemmingsplan “Dorpskernen” mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen en aanlegsteigers worden gebouwd, alsmede ter plaatse van de nadere aanwijzing (b) botenhuizen.

4.3 Het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2003”

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2003” zijn de gronden met de bestemming “Water” bestemd voor water met de voor de waterhuishouding en het verkeer op en over het water noodzakelijke bouwwerken.

Ingevolge artikel 2.12, tweede lid, mogen op en in deze gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd en in stand gehouden onder de volgende voorwaarden.

a. De hoogte van bouwwerken uitgezonderd bruggen mag niet hoger zijn dan 4,5 m gemeten ten opzichte van de hoogte van de aangrenzende oever.

b. De breedte en lengte van een aanlegsteiger mag niet meer dan 1 m resp. 6 m bedragen.

c. Bij kruising van het verkeer over het water dient een doorvaart- c.q. schaatshoogte van ten minste 1,4 m te worden aangehouden en een doorvaarbreedte van ten minste 3 m.

Ingevolge artikel 2.12, derde lid, wordt tot een gebruik van gronden strijdig met de bestemming, zoals bedoeld in artikel 4.1, lid 1, in ieder geval gerekend het gebruik als ligplaats voor woonvaartuigen.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2003” zijn de gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden met op natuurbehoud gerichte agrarische exploitatie” met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.8, bestemd voor de uitoefening van het op natuurbehoud gericht agrarisch bedrijf, waarbij veredelingsactiviteiten niet zijn toegestaan, met de daartoe noodzakelijke bebouwing uitgezonderd kassen, alsmede voor water.

Tevens zijn deze gronden bestemd:

- voor het behoud en/of herstel dan wel ontwikkeling van de aldaar voorkomende dan wel eigen landschappelijke en natuurlijke waarden;

- het behoud van de openheid van het landschap.

Voorts zijn deze gronden aangewezen als stiltegebied en zijn de bodemaspecten van bijzondere betekenis.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwplan past binnen de vigerende bestemmingsplannen. De brug is op grond van de bestemmingen “Water” toegestaan. De brug landt op beide oevers voorts op bestaande verhardingen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 maart 2007 (LJN: BA1085) stelt verweerder dat de uiteinden van de brug daardoor aan beide zijden zijn te beschouwen als “bij een ander bouwwerk behorend bouwwerk of ander werk” en dat daarmee wordt voldaan aan de voorschriften van beide bestemmingsplannen. Het bouwplan is voorts voorgelegd aan de Welstandscommissie en door de commissie met redelijke eisen van welstand niet in strijd geacht. In het door eisers overgelegde advies van de Welstandscommissie Dorp Stad & Land ziet verweerder geen aanleiding om van het advies van de Welstandscommissie af te wijken. Het bouwplan voldoet verder aan de voorschriften van de bouwverordening en de constructieve voorschriften van het Bouwbesluit, alsmede aan de algemene regels.

6. Eisers stellen zich – voor zover hier van belang – op het standpunt dat de door verweerder aangehaalde (redenering uit de) uitspraak van de rechtbank Haarlem van

14 maart 2007 in het onderhavige geval niet kan worden herhaald reeds omdat sprake is van andersluidende bestemmingsplanvoorschriften. De brug is verder niet in overeenstemming met de bestemming “Agrarische doeleinden met op natuurbehoud gerichte agrarische exploitatie” omdat geen sprake is van de uitoefening van een agrarisch bedrijf en met de brug de openheid van het landschap wordt aangetast. Eisers stellen dat het bouwwerk niet voldoet aan redelijke eisen van welstand en dat verweerder het advies van de Welstandscommissie niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Daartoe is redengevend dat de Welstandscommissie niet de juiste tekening heeft beoordeeld, er sprake is van discrepantie tussen de verschillende elkaar opvolgende welstandsadviezen en er niet is getoetst aan de juiste welstandscriteria.

7. De rechtbank stelt vast, hetgeen tussen partijen ook niet (meer) in geschil is, dat de verschillende onderdelen van het bouwplan dienen te worden getoetst aan de voorschriften behorende bij de bestemming(en) waarin die delen van het bouwplan zijn gelegen. Voor het onderhavige bouwplan betekent dit een toetsing aan twee bestemmingsplannen en de voorschriften behorende bij vier bestemmingen. De brug is grotendeels beoogd boven de gronden waarop ingevolge beide vigerende bestemmingsplannen de bestemming “Water” rust. Gelet op de van toepassing zijnde voorschriften is op dergelijke gronden een brug toegestaan. De rechtbank stelt dan ook vast dat het bouwplan, voor zover daarop de bestemming “Water” van toepassing is, met de bestemmingsplannen niet in strijd is.

Op de delen van de brug gelegen aan/in en boven de percelen [X] en [Y] (de zogenoemde uiteinden van de brug) vigeren de bestemmingsplannen “Landelijk Gebied 2003” en “Dorpskernen”, meer specifiek de bestemmingen “Agrarische doeleinden met op natuurbehoud gerichte agrarische exploitatie” respectievelijk “Woondoeleinden”. Ten aanzien van de vraag of het bouwplan voor wat betreft de uiteinden van de brug al dan niet in overeenstemming is met de geldende voorschriften, overweegt de rechtbank als volgt.

8. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat op de beide oevers bestaande verhardingen zijn gelegen niet maakt dat sprake is van “een bij een ander bouwwerk behorend bouwwerk of ander werk”. De onderhavige, van toepassing zijnde planvoorschriften bieden, anders dan in het geval beoordeeld in de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 maart 2007, voor een dergelijke conclusie geen enkel aanknopingspunt. Getoetst dient derhalve te worden of op de bestemmingen “Agrarische doeleinden met op natuurbehoud gerichte agrarische exploitatie” en “Woondoeleinden” een brug mag worden geplaatst.

9. Ten aanzien van het gedeelte van de brug waarop de bestemming “Woondoeleinden” rust, overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat met de onderhavige brug is beoogd het in de Eilandspolder gelegen perceel [Y] te ontsluiten, met name om het verzorgen van de op dat perceel aanwezige schapen in de lammertijd voor eiser eenvoudiger te maken. Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat de loopbrug dan ook niet ten behoeve van de aan het perceel [X] gegeven woonbestemming zal worden gerealiseerd. Nu de mogelijkheid tot het realiseren van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, daartoe wel is beperkt, laat het bestemmingsplan de beoogde brug, voor zover is beoogd op gronden met de bestemming “Woondoeleinden” niet toe.

10. De loopbrug is aan de andere zijde van de [naam] beoogd op en boven gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden met op natuurbehoud gerichte agrarische exploitatie”. Het bouwwerk is ook op deze gronden niet toegestaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het onderhavige geval op geen enkele wijze is gebleken dat een brug als de onderhavige behoort tot de bij het op natuurbehoud gericht agrarisch bedrijf behorende noodzakelijke bebouwing, zoals in de planvoorschriften is vereist. De omstandigheid dat een loopbrug - naar eiser onbetwist heeft gesteld – het verzorgen van schapen en lammeren een stuk eenvoudiger en minder inspannend zal maken, maakt het plaatsen van de brug niet noodzakelijk. Gebleken is immers dat het perceel [Y] al sinds vele jaren succesvol middels een boot of ponton wordt ontsloten. De omstandigheid dat het perceel inmiddels voor een langere periode aan eiser in pacht is gegeven maakt het voorgaande niet anders.

11. Ten aanzien van verweerders stelling ter zitting dat in het geval een bestemmingsplan voor het gedeelte van de brug dat boven water is beoogd een brug toestaat, de omstandigheid dat het bouwwerk daarnaast mede zal worden geplaatst op gronden waarop een andere bestemming geldt waarmee de brug niet in overeenstemming is, niet maakt dat het beoogde bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder kan in zijn betoog niet worden gevolgd. Niet alleen dient, zoals hiervoor ook is overwogen, een (bouw)werk te worden getoetst aan de (voorschriften van de) bestemming waarop het is beoogd, het volgen van de redenering van verweerder zou tevens inhouden dat op elke locatie waar de bestemming water een brug niet uitsluit ook daadwerkelijk een brug zou kunnen worden gerealiseerd. Dát kan niet de bedoeling van de planwetgever zijn geweest. Indien van verweerders lezing zou worden uitgegaan zou voorts het positief aanwijzen van een locatie voor een brug (over water) in een bestemmingsplan zinledig zijn.

12. Het bouwplan is gelet op het voorgaande in strijd met het bestemmingsplan. De onderhavige bouwvergunning zal dan ook slechts na het verlenen van planologisch besluit - een ontheffing dan wel een projectbesluit - kunnen worden verleend. Verweerder had de aanvraag om bouwvergunning, gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Woningwet mede moeten aanmerken als een verzoek om een planologisch besluit. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 46, derde lid, van de Woningwet.

13. De rechtbank overweegt voorts het volgende. Bij besluit van 7 april 2009 is aan vergunninghouder bouwvergunning (geregistreerd onder nummer 20090018) verleend voor het bouwplan, neergelegd in de bouwtekening met plotdatum 8 januari 2009. Deze tekening is gewaarmerkt als behorend bij de bouwvergunning. De rechtbank stelt naar aanleiding van een daartoe strekkend betoog van eisers voorts vast, hetgeen door verweerder ter zitting ook is erkend, dat de Stichting Welstandszorg Noord-Holland in haar advies aan verweerder van 2 april 2009 niet de bouwtekening heeft beoordeeld met plotdatum 8 januari 2009, maar een tekening met plotdatum 2 oktober 2007. Nu aan de commissie een verouderde bouwtekening ter beoordeling is voorgelegd is de rechtbank van oordeel dat verweerder het advies van 2 april 2009 van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had kunnen leggen. Daarbij heeft de rechtbank mede betrokken dat de bouwtekeningen onderling van elkaar verschillen en de verschillen niet dermate gering zijn dat het advies van 2 april 2009 kan worden geacht zich tevens over de tekening met plotdatum 8 januari 2009 uit te strekken. Nu verweerder het advies van 2 april 2009 aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, ontbeert het besluit een deugdelijke motivering.

14. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond. Het besluit zal worden vernietigd nu dit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Woningwet alsmede met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dat vereist dat een beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

15. Nu het beroep gegrond is verklaard wijst de rechtbank onder toepassing van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb verweerder aan het betaalde griffierecht van € 297,00 aan eisers te vergoeden.

16. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers voor de behandeling van hun beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechtbank de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,00. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het griffierecht ten bedrage van € 297,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eisers redelijkerwijs gemaakte proceskos-ten ten bedrage van € 644,00;

- bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. H.P. Kijlstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2010 te Alkmaar.

griffier voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.