Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BN2102

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
120711 / KG ZA 10-210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

geen onrechtmatig handelen jegens eisers door publicatie boek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

CVZ/JB

KG nummer: 120711/KG ZA 10-210

datum: 22 juli 2010

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

1. (EISER SUB 1),

wonende te Winkel, gemeente Niedorp,

2.de besloten vennootschap G-POWER B.V.,

gevestigd te Alkmaar

EISERS IN KORT GEDING,

advocaat mr. A.M. Verbrugge te Haarlem,

tegen:

1. (GEDAAGDE SUB 1),

wonende te Oudorp, gemeente Alkmaar,

2.de besloten vennootschap I-BELIEF B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

GEDAAGDEN IN KORT GEDING,

advocaat mr. C.H.P. de Boer te Alkmaar.

Partijen zullen verder (gezamenlijk) worden genoemd "eisers" respectievelijk "gedaagden".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 12 juli 2010 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Gedaagden hebben de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van eisers de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

2.1 Eiser sub 1 en gedaagde sub 1 zijn broer en zus. Via hun vennootschappen (eiseres sub 2 en gedaagde sub 2) zijn zij vennoten van de vennootschap onder firma HGA v.o.f. (hierna: HGA) HGA is een groot- en kleinhandel in minerale olieproducten. Zij exploiteert onder meer al vele jaren een tankstation aan de (straatnaam) te Alkmaar.

2.2 Tot 16 december 2009 werd HGA geëxploiteerd in de vorm van een commanditaire vennootschap en trad hun vader, (naam 1), via zijn vennootschap Hofa Pioniers B.V. op als commanditair vennoot.

2.3 In de statuten van de vennootschap is onder meer het volgende bepaald:

"VERBODEN HANDELINGEN

Artikel 5

1. Het is een vennoot niet toegestaan zich tijdens de duur van de vennootschap, zonder toestemming van zijn mede-vennoten, direct of indirect voor eigen rekening of voor rekening van anderen of voor gezamenlijke rekening met anderen, buiten de vennootschap om een andere onderneming te drijven of te doen drijven dan die der vennootschap, daarbij rechtstreeks of zijdelings belang te hebben of daarbij betrokken te zijn of bij een zodanige onderneming enige functie te aanvaarden of daarin of daarvoor direct of indirect werkzaam te zijn, hetzij tegen hetzij zonder vergoeding, of anderen daarin of daarvoor voor hem direct of indirect werkzaam te doen zijn.

2. Het in het eerste lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de vennoot die op grond van het bepaalde in lid 4 van dit artikel, in artikel 6 lid 3, in artikel 11 lid 3 en artikel 13 lid 1 ophield vennoot te zijn wanneer de zaken van de vennootschap door de andere vennoten worden voortgezet krachtens artikel 13, zulks met dien verstande dat het verbod dan slechts geldt gedurende één jaar na de dag waarop de desbetreffende vennoot ophield lid der vennootschap te zijn en dan ook voor de beherende vennoten uitsluitend voor een onderneming welke gelijksoortig of aanverwant is aan die der onderhavige vennootschap. Het in dit lid omschreven concurrentiebeding zal slechts van toepassing zijn op een gebied, dat ligt binnen een straal van vijftig kilometer, gemeten vanuit het punt waar de onderneming van de vennootschap feitelijk wordt uitgeoefend.

3. (...)

4. Bij overtreding van een van bovengenoemde bepalingen zal de overtreder ten behoeve van de andere vennoten een boete verbeuren van tien duizend euro ((euro) 10.000,--), benevens voor wat betreft de overtreding van de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel een boete van driehonderd euro per dag of een gedeelte van een dag dat de overtreding duurt, de andere vennoten te voldoen, onverminderd het recht van deze laatsten om schadevergoeding te vorderen, indien de schade het bedrag van de boete overtreft en tevens om in verband met de bepalingen van de leden 1 en/of 3 van dit artikel de vennootschap aan de in overtreding zijnde vennoot op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste veertien dagen."

2.4 Een tussen partijen en stichting administratiekantoor Hofa Pioniers Beheer B.V. op 8 augustus 2002 gesloten aandeelhoudersovereenkomst houdt voor zover hier van belang het volgende in:

"Artikel 5

Geheimhouding en concurrentiebeding

5.1 (...)

5.2 Het is aan iedere aandeelhouder en DGA verboden gedurende de overeenkomst en tot twee jaar na beëindiging van de overeenkomst zonder toestemming van HGA C.V. een bedrijf gelijksoortig of aanverwant aan het bedrag van HGA C.V. te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven danwel direct of indirect financieel belang bij een dergelijk bedrijf te hebben danwel op enigerlei wijze daarvoor arbeid te verrichten of diensten aan te verlenen binnen een straal van dertig kilometer van de feitelijke plaats(en) van vestiging van de onderneming."

2.5 Gedaagde sub 1 heeft een boek gepubliceerd onder de titel "Waarom de DOOD een illusie is" (hierna: het boek). Het boek is op 8 mei 2010 gepresenteerd. Op de website van gedaagde sub 2 wordt aandacht besteed aan het boek en de schrijfster ervan. Ook wordt het boek onder meer vanaf 9 mei 2010 verkocht in de tankshop van HGA.

2.6 Bij brief van 4 juni 2010 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het boek en gedaagden gesommeerd de verkoop van het boek te staken en het uit de handel te nemen.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 Eisers vorderen - kort samengevat - in de eerste plaats primair dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden zal gebieden het boek uit de handel te nemen, dan wel hen zal gebieden de pagina's over eiser sub 1 uit de handel te nemen, een en ander op straffe van een dwangsom, dan wel subsidiair dat hen wordt opgedragen het boek en/of de gewraakte pagina's niet langer vanuit de tankshop van HGA te verkopen. Daarnaast vorderen eisers een verbod van gedaagden om reclame te maken voor het boek op de website van HGA en om op de website van gedaagde sub 2 te verwijzen naar HGA.

Een en ander op straffe van een dwangsom. Ten slotte vorderen eisers dat gedaagden veroordeeld worden tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding aan eisers. Alles met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.

3.2 Eisers leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. De rode draad in het boek van gedaagde sub 1 zijn haar ervaringen met haar gezinsleden en op de achtergrond het familiebedrijf HGA. Gedaagde sub 1 heeft zich over haar broer, eiser sub 1, daarbij echter alleen op de pagina's 157 en 158 in het boek in negatieve zin uitgelaten en bovendien onjuiste uitlatingen gedaan. Hierdoor wordt eiser sub 1 aangetast is zijn eer en goede naam. Zijn belang dient zwaarder te wegen dan de aan gedaagden toekomende vrijheid van meningsuiting. Daarnaast is het boek onrechtmatig jegens eisers doordat klanten van HGA via het boek kennis kunnen nemen van de verwikkelingen achter de schermen bij het bedrijf, als gevolg waarvan de zakelijke belangen van HGA en derhalve van eisers geschaad worden. Door deze omstandigheden valt niet uit te sluiten dat HGA door (de verkoop van) dit boek schade lijdt omdat klanten besluiten weg te blijven. Ook lijden zij schade omdat de gehele opbrengst van de verkoop van het boek aan gedaagden ten goede komt, zonder winstafdracht. Tot slot is het uitgegeven van het boek door gedaagde sub 2 in strijd met de zakelijke afspraken zoals neergelegd in artikel 5 lid 1 van de statuten van HGA, waaruit blijkt dat een vennoot geen ander bedrijf mag voeren. Ook hiermee wordt onrechtmatig gehandeld door gedaagden en zijn zij gehouden de daaruit voortvloeiende schade aan eisers te vergoeden. Een en ander aldus eisers.

3.3 Gedaagden hebben nadrukkelijk betwist dat er sprake is van onrechtmatig handelen. Gedaagde sub 1 heeft aangevoerd dat zij haar familieleden reeds vorig jaar op de hoogte heeft gesteld dat zij bezig was met dit boek en hen toestemming heeft gevraagd om familiefoto's in het boek te mogen publiceren, welke toestemming haar ook is verleend zonder verdere protesten, ook door eiser sub 1. Daarbij hebben zij benadrukt dat het boek de ervaringen van gedaagde sub 1 bevat Het is 'haar waarheid' die in het boek wordt weergegeven. In die zin moeten ook de pagina's 157 en 158 van het boek gezien worden die gaan over haar belevenissen met haar broer, eiser sub 1. Gedaagden hebben zich op het standpunt gesteld dat eiser sub 1 ook niet kort na ontvangst van het boek geprotesteerd heeft maar pas ongeveer een maand later en dat zij vermoeden dat de oorzaak voor dit protest gezocht moet worden in een ander zakelijk geschil.

Ten aanzien van de verkoop van het boek in de tankshop hebben gedaagden betwist dat hierdoor schade geleden wordt door HGA en/of haar vennoten. In dat verband hebben zij verklaard dat sinds jaar en dag bij HGA niet alleen brandstof verkocht wordt, maar dat daarnaast in de tankshop ook verschillende artikelen worden verkocht, zoals bepaalde levensmiddelen, boeken, kranten en tijdschriften. Zij hebben aangevoerd dat ten aanzien van die artikelen er een bepaalde winstafdracht plaatsvindt aan HGA en dat die winstafdracht aan HGA ook plaatsvindt over de verkoopopbrengst van dit boek, voor zover exemplaren verkocht worden via HGA. Voorts hebben zij benadrukt dat het boek bedoeld is voor een specifiek lezerspubliek en dat iemand die niet in de spirituele wereld geïnteresseerd is het boek niet zal kopen. Het is niet aannemelijk dat klanten HGA zullen gaan mijden omdat daar een dergelijk boek verkocht wordt. Tot slot hebben gedaagden betwist dat in strijd met artikel 5 van de statuten wordt gehandeld. Het gaat daar immers om een concurrentieverbod dat ziet op een verbod een ander tankstation te exploiteren. De publicatie en verspreiding van een persoonlijk boek is geen handeling die op grond van het concurrentieverbod verboden is.

3.4 Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna op de verschillende standpunten van partijen nader worden ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1 De vraag die in dit kort geding ter beantwoording voorligt, is of de inhoud en daarmee de publicatie van het boek "Waarom de DOOD een illusie is" onrechtmatig is jegens eisers.

4.2 Het belang van eisers is erin gelegen dat zij niet door publicaties of uitlatingen in het boek in hun eer en goede naam worden aangetast. Het belang van gedaagden is erin gelegen dat gedaagde sub 1 de vrijheid moet hebben haar spirituele levensvisie te uiten en anderen daarin te laten delen.

4.3 Uitgangspunt is dat de toewijzing van de vorderingen van eisers in beginsel een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van gedaagden op de vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt, indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van gedaagden onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of een uitlating in strijd is met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid dienen de wederzijdse belangen te worden afgewogen. Bij die belangenafweging moet rekening worden gehouden met de aard van de gedane mededelingen, met de aard van de feiten waarop deze mededelingen betrekking hebben, waaronder de mate van intimiteit ervan en het maatschappelijk belang dat gedaagden met hun uitlatingen beogen. Tot slot dienen de gewraakte uitlatingen in hun samenhang en context te worden beoordeeld. Bij de toetsing van de wederzijdse belangen, die in één keer geschiedt, brengt het oordeel dat een van beide rechten zwaarder weegt dan het andere mee dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het vorenbedoelde tweede lid van artikel 10 EVRM.

4.4 In de eerste plaats dient de aard van de uitlatingen beoordeeld te worden.

Desgevraagd heeft eiser sub 1 aangegeven dat zijn bezwaar zich voornamelijk richt tegen de alinea op bladzijde 158, met de volgende inhoud:

"Het lijkt echter op een familieoorlog, omdat jij menigeen in jouw te spelen kaarten laat kijken. Ik weet dat het slechts je ego is die je laat zien en diep van binnen wil je deze oorlog eigenlijk niet. Toch creëer je zelf steeds weer escalerende situaties en zwiept er een heleboel mensen mee op. Die dan wakker liggen van jouw in gang gezette akkefietjes. Je bijt je er inderdaad in vast en kan niet loslaten. Maar door loslaten ontstaat er juist ruimte en door wat afstand inzicht."

Voor al deze uitlatingen staat voorop dat het om de mening ("de waarheid") van gedaagde sub 1 gaat, die zij ook als zodanig heeft gebracht. Eiser sub 1 wordt niet gevolgd in zijn stelling dat door deze uitlatingen zijn eer en goede naam worden aangetast. Door dit te stellen geeft eiser sub 1 de bewuste alinea te veel gewicht alsof het vaststaande feiten zouden zijn en verliest hij uit het oog dat het enkel de persoonlijke ervaringen zijn van gedaagde sub 1. Daarbij laat eiser sub 1 na om aan te geven in hoeverre gedaagde sub 1 naast de werkelijkheid zou zitten. Van onnodig grievende of negatieve uitlatingen die de intimiteit van eiser sub 1 aantasten is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Te meer niet wanneer de bewuste alinea wordt gezien in de context van het hoofdstuk waarin deze staat. Immers de pagina's 157 en 158 staan in een reeks hoofdstukken met de titel 'Ik ga op vakantie en neem mee.. waarin gedaagde sub 1 allerlei gedachten ophaalt van haar familieleden, dus ook van eiser sub 1. In het hoofdstuk over eiser sub 1 wordt bijvoorbeeld ook zijn humor geprezen en heeft zij hem "lief gewoon om wie hij is". Niet aannemelijk is dat eisers aldus in hun functioneren worden belemmerd. De belangen van eisers wegen dan ook niet zo zwaar dat een inbreuk op het recht van vrijheid van meningsuiting (publicatie van het boek) is gerechtvaardigd. Van onrechtmatige uitlatingen jegens eisers is dan ook geen sprake.

4.5 Weliswaar is door eisers nog aangevoerd dat er verschillende verwijzingen zijn naar HGA in het boek, als gevolg waarvan eisers in hun zakelijke belangen worden geschaad, maar hierin worden eisers niet gevolgd. Ten aanzien van eiseres sub 2 bestaat er in het boek geen directe verwijzing, zodat zij reeds om die reden door de publicatie van het boek niet in haar eer en goede naam wordt aangetast. De verwijzingen naar het familiebedrijf HGA zijn sporadisch in het boek aanwezig, maar deze verwijzingen worden gebruikt in de context van de ervaringen en belevingswereld van gedaagde sub 1 die centraal staan in het boek en de uitlatingen zijn niet van dien aard dat de verwachting bestaat dat hierdoor voor HGA en/of haar vennoten schade te verwachten valt.

4.6 De primaire vordering zal daarom worden afgewezen.

4.7 Ten aanzien van de subsidiaire vordering om gedaagden te verbieden het boek en/of de bewuste pagina's nog langer via HGA te verkopen wordt het volgende overwogen. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat sinds jaar en dag in de tankshop verschillende andere artikelen, zoals bepaalde levensmiddelen, kranten, boeken en tijdschriften worden verkocht. Onder deze omstandigheden dient het boek beschouwd te worden als een van de vele andere artikelen die verkocht worden en ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het gevraagde verbod uit te spreken. Weliswaar is door eisers nog gesteld dat er sprake is van oneerlijke concurrentie door gedaagden omdat er geen winstafdracht over de verkoop van het boek plaatsvindt, maar dit is door gedaagden gemotiveerd weersproken. In het licht van die betwisting hebben eisers dit deel van hun stelling verder onvoldoende concreet gemaakt zodat hieraan voorbij gegaan zal worden.

4.8 Ten aanzien van het gevorderde verbod om reclame te maken c.q. te verwijzen naar het boek op de website van HGA is door gedaagden onweersproken aangevoerd dat op de website van HGA voor allerlei artikelen uit de tankshop van HGA reclame gemaakt wordt. Reeds om die reden en mede gelet op hetgeen hiervoor in 4.4 is overwogen zal ook deze vordering worden afgewezen.

4.9 Het gevorderde verbod om op de website van gedaagde sub 2 te verwijzen naar HGA moet worden gezien in samenhang met het verwijt dat door gedaagde sub 2 gehandeld wordt in strijd met artikel 5 lid 1 van de statuten van HGA. Zowel artikel 5 van de statuten als artikel 5 van de aandeelhoudersovereenkomst ziet op een concurrentieverbod voor de verschillende vennoten. Artikel 5 lid 1 dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden gelezen in samenhang met lid 2 van genoemd artikel en in samenhang met artikel 5 van de aandeelhoudersovereenkomst. Uit de strekking van deze bepalingen volgt genoegzaam dat niet bedoeld is een algemeen verbod tot het voeren van enige andere vennootschap vast te leggen, maar dat bedoeld is dat het zonder voorafgaande toestemming niet is toegestaan een soortgelijk bedrijf te voeren en/of daarbij betrokken te zijn als HGA. Nu HGA zich bezighoudt met de groot- en kleinhandel in minerale olieproducten kan niet worden aangenomen dat de activiteiten van gedaagde sub 2 in strijd met genoemde bepalingen zijn. Ook de verwijzing op de website van gedaagde sub 2 naar HGA, zijnde één van de verkooppunten van het boek, wordt niet onrechtmatig geoordeeld. Daarom wordt ook dit deel van de vordering afgewezen.

4.10 Uit het voorgaande volgt dat geoordeeld wordt dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen jegens eisers. Reeds om die reden dient ook de vordering tot betaling van een voorschot ter vergoeding van schade die zij hebben geleden als gevolg van het gestelde onrechtmatig handelen te worden afgewezen.

4.11 Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

weigert de gevorderde voorzieningen;

veroordeelt eisers in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van

gedaagden begroot op (euro) 263,-- aan verschotten en op (euro) 816,- aan

salaris advocaat.

Gewezen door mr. J. Blokland, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2010 in tegenwoordigheid van C. Vis-van Zanden, griffier.