Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BM7447

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
10/144
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Prematuur beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten op bezwaren. Beroep niet-ontvankelijk. Toepassing artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Schadevergoeding wegens vertraagde uitbetaling ANW-uitkering. Ingangsdatum wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 10/144 ANW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde [naam],

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb),

gevestigd te Amstelveen,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij brief van 21 april 2008 heeft eiser verweerder verzocht om over te gaan tot uitbetaling van de uitkering ingevolge de Algemene Nabestaandenwet (Anw) over de periode 2 oktober 1999 tot en met januari 2005. Voorts heeft eiser verzocht om vergoeding van de proceskosten ad € 1.500,00.

Bij brief van 15 december 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de Anw-uitkering zal worden herzien. Zodra bekend is gedurende welke periode eiser een WAO-uitkering, dan wel Wajong-uitkering heeft ontvangen, zal de Anw-uitkering nader worden vastgesteld. Bij brief van 18 december 2008 heeft eiser tegen deze brief bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 27 februari 2009 heeft verweerder de Anw-uitkering van eiser herzien over de periode van november 2001 tot en met januari 2005. Als gevolg van de herziening heeft eiser recht op een nabetaling van € 23.113,06 netto. Omdat de Anw-uitkering met vertraging is uitbetaald, zal de wettelijke rente worden vergoed. Hierover zal eiser een apart besluit ontvangen.

Bij besluit van 14 mei 2009 heeft verweerder aan eiser over de periode van 1 juni 2008 tot 28 februari 2009 een bedrag van € 1.695,09 aan wettelijke rente vergoed. Bij brief van 2 juni 2009 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij brief van 5 juni 2009 heeft verweerder het besluit van 14 mei 2009 herroepen en eiser een vergoeding van € 1.695,09 toegekend wegens verschuldigde wettelijke rente. Volgens verweerder had de Anw-uitkering eerst per september 2008 kunnen worden herzien. Over de periode van 1 juni 2008 tot 1 oktober 2008 is ten onrechte wettelijke rente berekend. Verweerder komt evenwel niet meer terug van die ingangsdatum.

Bij afzonderlijke brief van 5 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 14 mei 2009 ook aangemerkt als gericht tegen de brief van 5 juni 2009.

Bij besluit van 10 december 2009 heeft verweerder het bezwaar tegen de brief van 15 december 2008 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij afzonderlijk besluit van 10 december 2009 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2009 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding ad € 14.038,00 afgewezen.

Bij brief van 4 januari 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaren tegen het besluit van 14 mei 2009 en de brief van 5 juni 2009.

Bij brief van 26 januari 2009 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.

Bij besluit van 8 februari 2010 heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 14 april 2010. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde A.C. Bakker.

Motivering

1. De rechtbank stelt voorop dat eiser in zijn brief van 4 januari 2010 het beroep heeft beperkt tot het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaren van 2 en 30 juni 2009. Tijdens een telefoongesprek van 20 januari 2010 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij de besluiten van 10 december 2009, waar de rechtbank bij brief van 18 januari 2010 om had verzocht, niet zal inzenden, omdat zij geen betrekking hebben op het door hem ingestelde beroep.

2.1 Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Awb, zoals deze bepaling per 1 oktober 2009 luidt, is het beroep, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, niet aan een termijn gebonden.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, zoals deze bepaling per 1 oktober 2009 luidt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:12, derde lid, van de Awb, zoals deze bepaling per 1 oktober 2009 luidt, kan, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 6:20, eerste lid, van de Awb blijft het bestuursorgaan, indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, verplicht dit besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van het beroep geen belang meer heeft.

Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

Ingevolge artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.

2.2 De rechtbank stelt vast dat eiser eerst bij brief van 26 januari 2010 aan verweerder heeft meegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een beslissing op de bezwaren tegen het besluit van 14 mei 2009 en de brief van 5 juni 2009 te nemen. Derhalve is niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 6:12, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, dat bij niet tijdig beslissen het beroepschrift kan worden ingediend zodra twee weken zijn verstreken na de schriftelijke ingebrekestelling.

2.3 Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van een – zeer spoedeisende – situatie als bedoeld in artikel 6:12, vierde lid, van de Awb, waarin redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaren is daarom prematuur ingediend en dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3. Verweerder heeft hangende het beroep het besluit van 8 februari 2010 (hierna: het bestreden besluit) genomen. Uit eisers brief van 25 februari 2010 blijkt dat met dit besluit niet geheel aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen. Om deze reden wordt het beroep ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

4. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden wettelijke rente heeft vergoed over de periode van 1 juni 2008 tot en met 28 februari 2009.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat pas een herzieningsbesluit kon worden genomen nadat duidelijk was dat eiser niet in hoger beroep was gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 april 2008 en er duidelijkheid was verkregen over eisers recht op een Wajong uitkering. Verweerder ziet niet in dat over een periode eerder dan juni 2008 wettelijke rente is verschuldigd. Pas eind mei 2008 is komen vast te staan dat eiser vanaf 25 oktober 2000 geen recht had op een WAO uitkering. Op het verzoek om schadevergoeding is beslist in het besluit van 10 december 2009 betreffende het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2009.

6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder naast de kosten van € 14.038,00 ook een bedrag van € 661,00 aan ouderenaftrek 2009 en € 600,00 voor de hoorzitting van 20 (lees: 24) november 2009 dient te vergoeden. Totaal gaat het om een bedrag van € 15.299,00. Verder moet verweerder de hoge eigen bijdrage in het kader van de AWBZ vergoeden. Ook is verweerder gehouden de rente te vergoeden vanaf 1 november 2001. Verweerder heeft namelijk onrechtmatige besluiten genomen.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser op 21 april 2008 verweerder heeft verzocht om terug te komen van eerdere besluiten betreffende de hoogte van de Anw-uitkering over de periode 2 oktober 1999 tot en met januari 2005. Bij zijn verzoek had eiser een uitspraak van de rechtbank van 3 april 2008 (zaaknummer 06/2458 WAO) gevoegd. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen een besluit van het Uwv gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het primaire besluit van 7 februari 2001 herroepen. Bij laatstgenoemd besluit was eiser per 25 oktober 2000 een WAO-uitkering toegekend.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door niet aanstonds een besluit te nemen op het verzoek van eiser om herziening en dat eiser als gevolg daarvan schade heeft geleden, verband houdende met vertraagde uitbetaling van de uitkering.

9. De rechtbank acht wettelijke rente toewijsbaar vanaf het moment dat verweerder de uitkering uiterlijk zou hebben moeten uitkeren. Naar het oordeel van de rechtbank is in onderhavige zaak wettelijke rente verschuldigd vanaf de maand nadat verweerder had kunnen beslissen op eisers verzoek tot herziening, te weten de maand juni 2008. Voor een eerder moment, zoals door eiser is betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding. De besluiten die verweerder heeft genomen vóór het nemen van het besluit van 27 februari 2009, staan immers rechtens vast en zijn niet onrechtmatig gebleken. Nu gesteld noch gebleken is dat verweerder de wettelijke rente over de periode juni 2008 tot maart 2009 ten nadele van eiser onjuist heeft berekend, heeft verweerder de schadevergoeding terecht vastgesteld op een bedrag van € 1.695,09.

10. Op de verzoeken tot vergoeding van kosten ad € 14.038,00 en gederfde ouderenaftrek heeft verweerder beslist bij het besluit van 10 december 2009, waarin is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2009. Nu eiser geen beroep heeft ingesteld tegen dit besluit, is dit besluit rechtens onaantastbaar geworden. Dit betekent dat de rechtbank geen oordeel meer kan geven over de afwijzing van deze verzoeken.

11. Het verzoek om vergoeding van de eigen bijdrage in het kader van de AWBZ over het jaar 2009 wijst de rechtbank af, omdat deze schade als toekomstige schade nog niet geëffectueerd is.

12. Gelet op het vorenstaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling in de bezwaar- en beroepsprocedure is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van eiser niet ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.H. Franke, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Bankert, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2010 te Alkmaar.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.