Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BM3530

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
.: 305696 \ CV EXPL 09-4050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijslevering. Gedaagde wilt ex-werknemer van Martin Schilder als getuige oproepen teneinde te bewijzen dat hij de factuur contant heeft voldaan aan de ex-werknemer bij Martin Schilder. Martin Schilder heeft echter geweigerd gedaagde de benodigde gegevens te verstrekken om de ex-werknemer als getuige te kunnen oproepen uit privacyoverwegingen. De kantonrechter oordeelt dat het beroep op privacybescherming te algemeen is geformuleerd, en daardoor Martin Schilder haar verplichting krachtens art. 21 Rv niet is nagekomen. Gedaagde wordt geacht in het bewijs te zijn geslaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaak/rolnr.: 305696 \ CV EXPL 09-4050 WG

Uitspraakdatum: 24 maart 2010

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam],

gevestigd te Alkmaar,

eisende partij,

verder ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: L.C.J. Huting, gerechtsdeurwaarder te Alkmaar,

tegen

[naam],

wonende te Alkmaar,

gedaagde partij,

verder ook te noemen: [gedaagde],

in persoon procederende.

Het procesverloop

-De kantonrechter verwijst naar het op 25 november 2009 in deze zaak uitgesproken tussenvonnis.

-Naar aanleiding van dat tussenvonnis hebben beide partijen een akte genomen.

-De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

-Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De verdere beoordeling

1.Bij voormeld tussenvonnis d.d. 25 november 2009 is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat hij de factuur van € 322,32 contant heeft voldaan aan [naam], een (toenmalige) medewerker bij [eiser]. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen ervan uit te gaan dat [eiser] zo nodig de haar bekende gegevens van genoemde [naam] aan [gedaagde] ter beschikking zou stellen.

2.[gedaagde] heeft vervolgens meegedeeld dat hij als getuige wil laten horen de genoemde heer [naam]. [eiser] heeft echter geweigerd hem de benodigde gegevens te verstrekken teneinde [naam] als getuige te kunnen oproepen. [eiser] bevestigt dat zij die gegevens uit privacyoverwegingen niet aan [gedaagde] ter beschikking wil stellen.

3.De kantonrechter overweegt het volgende. Partijen dienen krachtens artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Daaronder zijn begrepen de gegevens van eventueel te horen getuigen, voor zover de andere partij daarover niet beschikt en hij die wel nodig heeft om, zoals hier, deze getuige op te roepen. Die verplichting geldt niet voor zover daar gewichtige redenen voor zijn. Het beroep op privacybescherming van [naam] is dermate algemeen geformuleerd, dat dit niet als gewichtige reden geldt. Het zou er immers toe leiden dat wederpartijen van ondernemingen in veel gevallen de mogelijkheid wordt ontnomen bewijs te leveren.

4.Nu [eiser] haar verplichting krachtens artikel 21 Rv niet is nagekomen, zal de kantonrechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] een contante betaling heeft gedaan aan de heer [naam], destijds werknemer bij [eiser]. Dat [eiser] deze betaling niet in haar boeken heeft teruggevonden, maakt niet dat die betaling niet plaatsgevonden kan hebben. [gedaagde] heeft er daarom een gerechtvaardigd belang bij [naam] als getuige te horen en hem zelf ten overstaan van de kantonrechter vragen te stellen. Nu [eiser] kennelijk de privacybelangen van haar (ex-)werknemers zwaarder vindt wegen dan het belang van waarheidsvinding, brengen de beginselen van behoorlijk procesorde mee dat [gedaagde] geacht wordt in het bewijs te zijn geslaagd. De kantonrechter zal er daarom van uit gaan dat de door [gedaagde] gestelde (en te bewijzen) contante betaling aan [eiser] in de persoon van [naam] inderdaad heeft plaatsgevonden. [eiser] heeft daarom niets meer van [gedaagde] te vorderen.

5.Het gevorderde wordt afgewezen en [eiser] dient als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten die tot heden voor [gedaagde] worden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 24 maart 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter