Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BM2953

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
118732 / KG ZA 10-114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van commissie in kort geding toegewezen, onder de voorwaarde dat eiseres voorafgaand aan of gelijktijdig met de betaling een bankgarantie ten gunste van gedaagde stelt tot hetzelfde bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

NB / HW

KG nummer: 118732 / KG ZA 10-114

datum: 29 april 2010

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

de besloten vennootschap HOLLAND JACHTBOUW ZAANDAM B.V.,

statutair gevestigd en kantoor houdende te Zaandam,

EISERES IN KORT GEDING bij dagvaarding van 31 maart 2010,

advocaat mr. H. de Coninck-Smolders te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap DUTCH YACHT BUILDERS B.V.,

statutair gevestigd en kantoor houdende te Enkhuizen,

GEDAAGDE IN KORT GEDING,

advocaat mr. M. Bonefaas te Hoorn.

Partijen zullen verder worden genoemd "HJB" respectievelijk "DYB".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 19 april 2010 heeft HJB gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

DYB heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van HJB de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

2.1 Zowel HJB als DYB drijft een onderneming die zich (onder meer) bezighoudt met het ontwerpen, vervaardigen en verkopen van (zeil)jachten.

2.2 Partijen hebben op 13 januari 2006 een overeenkomst met elkaar gesloten, die als volgt luidt:

"Hierbij komen partijen het volgende overeen:

Holland Jachtbouw Zaandam BV brengt een opdracht aan van een ca. 43 meter motorjacht, ontwerp Cor D. Rover, met als opdrachtgever [voornaam 1] en/of [voornaam 2] [naam 1] of nader te noemen bedrijf.

Wanneer deze mogelijke opdracht zal worden gebouwd door Dutch Yacht Builders, er een vastgestelde courtage van 1,5% - over de totale contractsom zal worden betaald aan Holland Jachtbouw Zaandam BV.

Het bedrag zal worden voldaan aan Holland Jachtbouw Zaandam BV volgens de bouwcontracttermijnen."

2.3 DYB heeft thans een motorjacht naar het ontwerp van Cor D. Rover in aanbouw met een lengte van 43,5 meter. Volgens een uittreksel uit het kadaster is het motorjacht eigendom van [bedrijfsnaam 1] Shipping B.V. [hierna: [bedrijfsnaam 1]]. De bestuurders van [bedrijfsnaam 1] zijn de heren P.M. en M.F. [naam 1].

2.4 Op 4 februari 2010 heeft HJB - met daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank - ten laste van DYB conservatoir derdenbeslag gelegd onder [bedrijfsnaam 1], op al hetgeen zij aan DYB verschuldigd is of zal worden.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 HJB vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, DYB veroordeelt tot betaling van een bedrag van primair [euro] 180.000,- en subsidiair [euro] 125.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van DYB in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de beslagkosten.

3.2 Daaraan heeft HJB, verkort en zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. In het voorjaar van 2005 hebben de heren [voornaam 1] en [voornaam 2] [naam 1] contact opgenomen met HJB voor de bouw van een motorjacht. HJB heeft daartoe een bestek opgesteld en een kostencalculatie gemaakt, maar na het voeren van onderhandelingen is geen overeenstemming bereikt over het sluiten van een bouwovereenkomst. Vervolgens heeft HJB de heren [naam 1] met DYB in contact gebracht. HJB en DYB hebben - zoals in de branche gebruikelijk is - een overeenkomst met elkaar gesloten op basis waarvan DYB een commissie aan HJB dient te betalen wanneer zij overgaat tot het bouwen van een motorjacht in opdracht van (een van) de heren [naam 1] en / of een van hun vennootschappen. DYB heeft een jachtbouwovereenkomst gesloten met [bedrijfsnaam 1], waarvan de heren [naam 1] bestuurders zijn. DYB is op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst derhalve commissie verschuldigd aan HJB. DYB weigert informatie aan HJB te verstrekken over de inhoud van de jachtbouwovereenkomst met [bedrijfsnaam 1], maar HJB vermoedt dat de contractsom minimaal 12 miljoen euro bedraagt, zodat DYB aanspraak heeft op een commissie van (minimaal)

[euro] 180.000,-. HJB heeft een spoedeisend belang bij het verkrijgen van betaling van dat bedrag, omdat zij al lange tijd op betaling wacht en DYB in financieel zwaar weer verkeert, zodat niet kan worden uitgesloten dat zij binnenkort zal failleren, aldus HJB.

3.3 DYB heeft verweer gevoerd. Daarop wordt bij de gronden van de beslissing, voor zover van belang, ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1 Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts plaats is indien het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, terwijl in de afweging van belangen van partijen mede betrokken dient te worden het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling.

4.2 DYB heeft erkend dat zij thans een zeiljacht van circa 43 meter naar het ontwerp van Cor D. Rover in aanbouw heeft. HJB heeft gesteld dat de opdrachtgever van DYB een vennootschap van de heren [naam 1] is, te weten [bedrijfsnaam 1]. DYB heeft met een beroep op een geheimhoudingsbeding in de jachtbouwovereenkomst niet willen prijsgeven wie de opdrachtgever voor de bouw van het jacht is.

In het kader van het door HJB ten laste van DYB gelegde derdenbeslag heeft [bedrijfsnaam 1] op 2 maart 2010 een verklaring derdenbeslag afgelegd. Daarin verklaart [bedrijfsnaam 1] (onder meer) dat zij op 28 maart 2007 een jachtbouwovereenkomst met DYB heeft gesloten en dat zij bij oplevering van het motorjacht nog een bedrag van [euro] 497.632,95 aan DYB is verschuldigd. Gelet op voornoemde omstandigheden acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat DYB het jacht in opdracht van [bedrijfsnaam 1] bouwt.

4.3 DYB heeft het standpunt ingenomen dat het enkele feit dat HJB haar in contact heeft gebracht met de heren [naam 1], niet meebrengt dat zij recht heeft op betaling van commissie. Volgens DYB was immers afgesproken dat een vrijwel tot stand gekomen opdracht zou worden aangebracht, hetgeen niet het geval bleek.

Er is nog uitvoerig onderhandeld voordat de jachtbouwovereenkomst werd gesloten en daarbij heeft [bedrijfsnaam 2] International Inc. [hierna: [bedrijfsnaam 2]] bemiddeld. Daarvoor heeft DYB commissie aan [bedrijfsnaam 2] betaald. DYB ziet niet in waarom zij ook nog commissie aan HJB zou moeten betalen.

4.4 Uit de tekst van de overeenkomst van 13 januari 2006 blijkt dat HJB DYB in contact heeft gebracht met de heren [voornaam 1] en [voornaam 2] [naam 1] en dat DYB een courtage van 1,5% over de totale contractsom aan HJB is verschuldigd wanneer de mogelijke opdracht van (een van) de heren [naam 1] en / of een van hun vennootschappen door DYB wordt uitgevoerd. Een verdergaande verplichting voor HJB dan het aanbrengen van de klant, zoals door DYB bepleit, kan niet uit de overeenkomst worden afgeleid. HJB heeft onweersproken gesteld dat het in de jachtbouwbranche gebruikelijk is dat commissie wordt betaald voor zowel het aanbrengen van een klant als voor de bemiddeling bij de totstandkoming van een overeenkomst, en dat deze commissie kan oplopen tot 5% van de totale contractsom. HJB heeft een commissie van 1,5% bedongen en volgens HJB komt de commissie die is betaald aan [bedrijfsnaam 2], die kennelijk heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de opdracht, neer op 1,3% van de aanneemsom. Dit laatste heeft DYB niet bestreden. In dit licht bezien is de betaling van een commissie van 1,5% voor het aanbrengen van een klant ook niet onredelijk. Voldoende aannemelijk is derhalve dat de tussen partijen gesloten overeenkomst alleen ziet op het aanbrengen van een klant door HJB.

4.5 Nu aan DYB door [bedrijfsnaam 1], waarvan de heren [naam 1] bestuurders zijn, de opdracht is verstrekt een jacht van circa 43 meter naar het ontwerp van Cor D. Rover te bouwen, is DYB commissie aan HJB verschuldigd geworden ter grootte van 1,5% van de aanneemsom. HJB heeft gesteld dat de totale contractsom minstens 12 miljoen euro bedraagt. Dit is door DYB met een beroep op het geheimhoudingsbeding bestreden. Gelet op de overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten, kan DYB zich daar echter niet achter verschuilen. Aldus heeft DYB de stelling dat met de bouw minimaal 12 miljoen euro is gemoeid onvoldoende gemotiveerd bestreden, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan.

4.6 Gelet op het vorenstaande is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat DYB uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst een courtage van ten minste [euro] 180.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan HJB verschuldigd is.

4.7 DYB heeft aangevoerd dat HJB geen spoedeisend belang heeft bij toewijzing van deze vordering in kort geding. Dit verweer wordt verworpen. HJB heeft onweersproken gesteld dat zij slechts twee opdrachten per jaar uitvoert, zodat aannemelijk is dat zij de gevorderde commissie nodig heeft om haar (personeels)kosten te dekken. Daarbij komt dat DYB zelf heeft gesteld dat HJB in financieel zwaar weer verkeert, zodat ook zijzelf er kennelijk van uitgaat dat HJB het geld nodig heeft. HJB heeft derhalve een voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening.

4.8 Ten slotte heeft DYB aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen in verband met het restitutierisico. Nu het gaat om betaling van een aanzienlijk bedrag en gegeven de huidige economische omstandigheden, kan voorshands niet worden uitgesloten dat HJB bij een andersluidend oordeel in de bodemprocedure een door DYB betaald bedrag niet zal kunnen terugbetalen. HJB heeft zich ter zitting evenwel bereid verklaard een bankgarantie ten gunste van DYB te verstrekken ter grootte van het toe te wijzen bedrag. De voorzieningenrechter zal de vordering van HJB daarom toewijzen onder de voorwaarde dat gelijktijdig met of voorafgaand aan de betaling een bankgarantie ten gunste van DYB wordt of is gesteld tot hetzelfde bedrag. Daarmee is het restitutierisico afgedekt. Deze voorwaarde komt te vervallen indien DYB niet binnen een maand nadat zij aan haar betalingsverplichting heeft voldaan, een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt.

4.9 DYB wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de beslagkosten. Deze worden aan de zijde van HJB begroot op:

- vastrecht euro] 3.960,00

- explootkosten dagvaarding [euro]73,89

- salaris advocaat [euro]816,00

- explootkosten beslaglegging [euro]217,43

- salaris advocaat ivm beslag [euro]452,00

------------------------------------------

Totaal [euro] 5.519,32.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt DYB om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan HJB te betalen een bedrag van [euro] 180.000,- [zegge: honderdtachtig duizend euro], te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 maart 2010 tot de dag der algehele voldoening, onder de voorwaarde dat HJB gelijktijdig met of voorafgaand aan de betaling een bankgarantie ten gunste van DYB stelt tot hetzelfde bedrag;

- bepaalt dat de voorwaarde van het stellen van een bankgarantie door HJB komt te vervallen indien DYB niet binnen een maand nadat zij aan haar betalingsverplichting heeft voldaan een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt;

- veroordeelt DYB in de kosten van het geding, waaronder begrepen de beslagkosten, tot op heden aan de zijde van HJB begroot op [euro] 5.519,32.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. H. Warnink, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken door mr. J. Blokland ter openbare terechtzitting van 29 april 2010 in tegenwoordigheid van mr. N. Boots, griffier.