Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BM1417

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
117954 / HA RK 10-21
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Wraking voorzieningenrechter sector bestuur. Verzoeker ontvankelijk. Afwijzing verzoek tot wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Wrakingskamer

zaaknummer: 117954 / HA RK 10-21

Datum uitspraak: 14 april 2010

BESLISSING op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ingediend door:

[naam verzoeker],

wonende te Alkmaar,

hierna te noemen: verzoeker.

1 PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij verzoekschrift, met producties, ter griffie ingekomen via de publieksbalie op 2 maart 2010 en nader toegelicht bij diverse E-mailberichten, op de daarin omschreven gronden de wraking verzocht van mr. [naam rechter] (hierna te noemen: de rechter) als behandelend rechter in de procedure met zaaknummer 10/70 WWB, betreffende een verzoek om voorlopige voorzieningen ingediend door de heer [verzoeker] gericht tegen een besluit van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Alkmaar, waarin op 2 maart 2010 een zitting werd gehouden en waarin uitspraak werd bepaald op 18 maart 2010.

Nadat het verzoekschrift aan de griffier ter hand is gesteld, is het ter kennis van de rechter gebracht. De rechter heeft op 24 maart 2010 schriftelijk gereageerd op het verzoek. In die reactie heeft hij gemotiveerd laten weten niet te berusten in de wraking. De schriftelijke reactie van de rechter is aan verzoeker toegezonden.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 31 maart 2010. De rechter heeft bericht niet te zullen verschijnen.

Verzoeker heeft zijn verzoek, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities en ander stukken, toegelicht. Als informant is van de zijde van verzoeker gehoord de heer [naam informant].

Vervolgens heeft de voorzitter de behandeling ter zitting gesloten en bepaald dat de beslissing uiterlijk op 14 april 2010 zal worden gegeven.

2 BEOORDELING VAN HET VERZOEK

2.1. De rechtbank stelt het volgende voorop. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking indien, afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor onpartijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met de uiterlijke schijn van vooringenomenheid.

2.2. Verzoeker heeft de gronden van de wraking opgegeven in zijn vorengenoemde E-mailberichten en hij heeft deze ter zitting van de wrakingskamer toegelicht.

De wrakingsgronden hebben betrekking op het behandelen door de rechter van de procedure die verzoeker tegen het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Alkmaar had aangespannen. Daarbij ging het om de uitbetaling van, kort gezegd, op de wet gegronde uitkeringsgelden over de maand december 2009. Inhoudelijk kunnen de wrakingsgronden worden onderscheiden in twee onderdelen, die hierna afzonderlijk en achtereenvolgend zullen worden behandeld.

Grond 1.

De rechter heeft geen kennis willen nemen van stukken die verzoeker in het geding wilde brengen, respectievelijk ter zitting onder de aandacht van de rechter willen brengen door voorlezing en/of het over leggen daarvan.

Grond 2.

De rechter was nors en vertoonde tijdens de zitting "onzakelijk en jegens verzoeker onwaardig" gedrag.

2.3. Zoals al ter zitting besproken, passeert de wrakingskamer het primair door de rechter ingenomen standpunt strekkende tot niet- ontvankelijkheid.

Weliswaar heeft de rechter op goede grond geconstateerd dat verzoeker niet alle feiten en omstandigheden heeft voorgedragen zodra deze hem bekend zijn geworden. De algemeen secretaris van deze kamer heeft verzoeker echter, nadat verzoeker op 2 maart 2010 op summiere wijze melding had gedaan van zijn wrakingsverzoek, in overleg met de voorzitter van deze kamer benaderd en in de gelegenheid gesteld zijn verzoek toe te lichten, van welke gelegenheid verzoeker tijdig gebruik heeft gemaakt. Verzoeker kan dan ook in dat, aldus aangevulde, verzoek worden ontvangen.

2.4. De wrakingskamer stelt het volgende voorop.

Verzoeker heeft, zowel in de hoofdzaak als in de wrakingszaak, onderbouwd door vele bescheiden uitvoerig zijn standpunt toegelicht, inhoudende dat de gemeente Alkmaar in het verleden zeer laks is geweest met het betalen van de aan verzoeker rechtens toekomende uitkering. In het bijzonder is daarbij aan de orde geweest het gegeven dat die uitkering op een bepaaldelijk door verzoeker aangegeven bankrekening diende te worden overgemaakt en niet op een opgeheven rekening. Verzoeker heeft betoogd, samengevat, dat de gemeente Alkmaar daarin ernstig en stelselmatig in gebreke is gebleven, met zeer nadelige gevolgen voor verzoeker.

2.5. Wat betreft de betaling van verzoekers uitkering over de maand december 2009 was de gemeente Alkmaar volgens verzoeker wederom in gebreke en om die reden heeft hij een procedure aangespannen, namelijk een verzoek om voorlopige voorziening tot het betalen van de desbetreffende uitkering. Uit hetgeen verzoeker heeft betoogd en ook overigens uit de stukken blijkt, vinden de grieven van verzoeker in belangrijke mate hun grond in de aard van de procedure zoals die in de zaak van verzoeker tegen de gemeente Alkmaar aan de orde was. Feit is dat in die procedure slechts de betaling over december 2009 speelde. Dat brengt met zich dat uitsluitend de gegevens die relevant waren voor een in dat kader te nemen beslissing een rol speelden.

Verzoeker wilde echter, zo bleek ook ter zitting van de wrakingskamer, bij gelegenheid daarvan ook de gehele onderliggende problematiek uit de doeken doen.

Dat is weliswaar niet onbegrijpelijk maar daarvoor is, zeker in het kader van een voorlopige voorziening, geen ruimte in de agendering. Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat bij een voorlopige voorzieningenzitting een strak tijdschema wordt gehanteerd, zodat een ieder de voor zijn of haar zaak benodigde ruimte krijgt. De wrakingskamer merkt in dat verband op dat de onderhavige zitting toch nog 35 minuten in beslag heeft genomen, terwijl vast stond dat de betaling over december 2009, waarom het ging, inmiddels was verricht. Het is aan de behandelend rechter om te oordelen in hoeverre hij partijen buiten het te behandelen onderwerp om de gelegenheid geeft voor nadere toelichting en in hoeverre hij kennis wil nemen van stukken die voor de onderhavige kwestie niet rechtstreeks van belang zijn.

De rechter heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 2 maart 2009, in samenhang met de toelichting van verzoeker, beslist dat hij van de stukken die buiten de omvang van het geding vallen en dus voor de te nemen beslissing in kort geding niet relevant zijn, geen kennis wilde nemen. Deze beslissing is ook toegelicht. Kennelijk hebben verzoeker en de rechter ten aanzien van de communicatie hierover een verschillende beleving. Volgens verzoeker had de rechter toegankelijker moeten zijn met het aannemen van stukken en het aanhoren van zijn het relaas. Naar het oordeel van de wrakingskamer is die enkele beleving van verzoeker niet voldoende voor de slotsom van schijn van vooringenomenheid.

2.6. Het vorenstaande leidt de wrakingskamer tot de conclusie dat het verzoek tot wraking als ongegrond moet worden afgewezen. Naar het oordeel van de wrakingskamer leveren de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, niet een uitzonderlijke omstandigheid op die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor subjectieve vooringenomenheid van de rechter. Er zijn geen aanwijzingen aannemelijk geworden waaruit zou kunnen volgen dat de rechter zijn beslissingen heeft gegeven op grond van persoonlijke, jegens verzoeker of zijn zaak vooringenomen, opvattingen. Evenmin vormen deze een toereikende grondslag voor de slotsom dat een bij verzoeker bestaande vrees voor onpartijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is.

3 BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;

- bepaalt dat de behandeling van de onderliggende zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van de Sector Bestuur van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mr. M. Zijp en mr. P.G. Vroom, leden van de wrakingskamer,

in tegenwoordigheid van J.J.M. Jeurissen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2010.