Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BL6706

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
291965 - EJ VERZ 09-48
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekster verzoekt de kantonrechter op grond van 4:29 en 4:30 BW te bepalen dat verweerders hebben mee te werken aan het vestigen van het vruchtgebruik op de goederen behorende tot de nalatenschap van erflater, althans de daartoe behorende woning en inboedel, alsmede op de andere goederen uit de nalatenschap. Verzoek toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2010, 55
NJF 2010, 250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 291965 \ EJ VERZ 09-48 \RvK

Uitspraakdatum: 11 februari 2010

Beschikking in de zaak van:

[naam], wonende te [...],

verwerende partij [verder ook te noemen: [verzoekster]]

gemachtigde: mr. M.J.P. Schipper, advocaat te Heerhugowaard

[toevoeging: 4HD1740]

tegen

1. [verweerder s[...], wonende te Alkmaar,

2. [verweerder s[...], wonende te Alkmaar

verwerende partijen [verder ook te noemen: de kinderen [...]]

gemachtigde: mr. B. Breederveld, advocaat te Alkmaar

Het procesverloop

Op 6 maart 2009 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen met betrekking tot de nalatenschap van [de overledene] [...], laatstelijk gewoond hebbende te [...]. Het verzoek is ingediend door mevr. [naam], wonende te [...].

Daar hebben verweerders bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 12 mei 2009, op gereageerd.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2009, alwaar verzoekster en verweerder sub 1 in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.

Ter terechtzitting hebben partijen hun verzoek- respectievelijk verweerschrift toegelicht aan de hand van pleitnotities.

Vervolgens is de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een schikking te beproeven.

Nadat partijen hebben bericht de zaak te willen voortzetten is een nadere mondelinge behandeling bepaald, welke is gehouden op 14 januari 2010. Op die terechtzitting zijn verschenen verzoekster en verweerders in persoon, bijgestaan door hun gemachtigden.

Ter terechtzitting hebben partijen wederom hun standpunten nader toegelicht, de gemachtigde van verzoekster aan de hand van pleitnotities.

De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast.

Vervolgens is heden uitspraak bepaald.

De uitgangspunten

1. Erflater was ten tijde van zijn overlijden, buiten elke gemeenschap van goederen, in de tweede echt gehuwd met [verzoekster]. [verzoekster] is geboren op 5 juli 1951. De huwelijkse voorwaarden houden kort gezegd een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen in, maar ook een regeling voor vermogensdeling althans verrekening bij overlijden. De partij wiens vermogen het kleinste is, heeft als langstlevende het recht om vermogensverrekening te vorderen als ware er een algehele gemeenschap van goederen geweest. Bij leven hadden erflater en [verzoekster] in gezamenlijke eigendom een woning gelegen aan de [adres]

2. Verweerders, (de kinderen [...]) zijn de kinderen van erflater uit zijn eerste huwelijk. Van andere afstammelingen van erflater is niet gebleken.

3. Erflater heeft laatstelijk over zijn nalatenschap beschikt bij testament d.d. 7 januari 1992. Uit dit testament vloeit voort dat het zakelijk recht van vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap aan [verzoekster] is gelegateerd. Daarbij is bepaald dat dit vruchtgebruik zal eindigen bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd van de vruchtgebruikster. Onder de last van dit legaat zijn de kinderen [...] benoemd tot erfgenamen.

Het geschil

4. Het verzoek van [verzoekster] komt er kort gezegd op neer, dat zij de kantonrechter op de voet van art. 4:29 en 4:30 Burgerlijk Wetboek (BW) verzoekt te bepalen dat de kinderen [...] hebben mee te werken aan het vestigen van het vruchtgebruik op de goederen behorende tot de nalatenschap van erflater, althans de daartoe (gedeeltelijk) behorende woning en inboedel, alsmede op de andere goederen uit de nalatenschap.

5. [verzoekster] legt aan haar verzoek op de voet van art. 4:29 BW ten grondslag dat de kinderen [...] ten aanzien van de woning en inboedel zonder meer verplicht zijn tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik.

Ten aanzien van het verzoek tot vestiging van een vruchtgebruik op de andere goederen, waaronder de banksaldi, als bedoeld in art. 4:30 BW, legt [verzoekster] ten grondslag dat zij als echtgenote van erflater voor haar verzorging behoefte heeft aan de vestiging van het vruchtgebruik. [verzoekster] beschikt eenvoudigweg niet over voldoende inkomsten.

6. De kinderen [...] hebben verweer gevoerd, op welk verweer -voor zover van belang- bij de boordeling van het geschil wordt ingegaan.

De beoordeling

De woning en de inboedel

7. Tegen het verzoek voeren de kinderen [...] aan dat, anders dan artikel 4:29 BW bepaalt, niet de hele woning tot het vermogen van erflater behoort, maar slechts het halve onverdeelde aandeel in de woning. Aangezien er bovendien van de zijde van de kinderen [...] geen bezwaar tegen toedeling van de woning aan [verzoekster] bestaat, mist art. 4:29 BW toepassing. Dit verweer wordt verworpen. Het begrip “tot de nalatenschap van de erflater behorende woning” dient ruim te worden uitgelegd en omvat tevens het tot de nalatenschap behorende onverdeelde aandeel in de woning. Verder kan worden aangenomen dat [verzoekster] niet de enige rechthebbende is op de (voormalig) echtelijke woning. Niet valt in te zien waarom de woning eerst verdeeld zou moeten worden voordat het onderhavige verzoek toewijsbaar kan zijn. Het (mogelijke) voornemen tot verkoop van de woning over te gaan, staat evenmin aan toewijzing van het verzoek in de weg. Dit omdat partijen (nog) geen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden waaronder dit zou moeten gebeuren en er geen concreet uitzicht is op verkoop van de woning binnen een afzienbare termijn.

8. Vervolgens voeren de kinderen [...] aan dat, nu er een testamentair vruchtgebruik wordt gevestigd, er geen ruimte meer is voor de vestiging van een vruchtgebruik op grond van de wet (art. 4:29 en 4:30 BW). De kantonrechter overweegt dat de vestiging van een vruchtgebruik op grond van de wet, voor zover dit ziet op de periode vòòrdat [verzoekster] 60 jaar wordt, slechts met zich brengt dat dit zonder rechtsgevolg blijft, hetgeen echter niet aan toewijzing van het verzoek in de weg staat.

9. Het verzoek voor zover dit betreft de (voormalig) echtelijke woning is daarom toewijsbaar als na te melden. Hetgeen partijen hierover verder hebben aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, onbesproken blijven.

10. De kinderen [...] zullen ook moeten meewerken aan het vestigen van een recht van vruchtgebruik op de inboedel van de woning zoals die is weergegeven in productie 6 bij het verzoek. Vanzelfsprekend heeft het vestigen van een recht van vruchtgebruik geen zin indien [verzoekster] eigenaresse is van de betreffende zaak. Aan deze beschikking hoeven de kinderen [...] dan ook niet te voldoen indien en voor zover tussen hen en [verzoekster] vast staat dat [verzoekster] de eigenaresse van de betreffende zaak is.

De andere goederen

11. Bij de beoordeling van de vraag of de kinderen [...] verplicht zijn mee te werken aan de verstrekking van een verzorgingsvruchtgebruik in de zin van art. 4:30 BW dient, blijkens de tekst van dat artikel, rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden (vgl. HR 8 juni 2007, NJ 2008, 220, m.nt. mr. S. Perrick). Tot die omstandigheden dienen, mede gelet op hetgeen in art. 4:33 lid 2 en lid 5 BW is bepaald, in ieder geval te worden gerekend:

- de omvang van het verzorgingsniveau dat in de gegeven omstandigheden als ‘passend’ kan worden aangemerkt;

- het eigen inkomen van [verzoekster];

- het inkomen dat zij, mede gelet op haar leeftijd, werkervaring en opleiding, redelijkerwijs kan verwerven.

12. Voor de bepaling van het ‘passende verzorgingsniveau’ dient naar het oordeel van de kantonrechter mede acht geslagen te worden op het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, alsmede op de duur van de samenleving. Echter, art. 4:30 BW beoogt de langstlevende echtgenoot niet meer dan een vangnet te bieden in de vorm van een passende voorziening indien en voor zover de verzorging van die echtgenoot niet is gewaarborgd. [verzoekster] kan derhalve geen aanspraak maken op onverkorte voortzetting van het oude leefpatroon (Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, blz. 1723-1724). Voorts is in genoemd arrest bepaald dat rekening dient te worden gehouden met in redelijkheid te verwachten toekomstige ontwikkelingen.

13. [verzoekster] heeft (onbetwist) gesteld dat haar inkomen € 1.095,- per maand bedraagt (€ 225,- aan partnerpensioen en € 870,- aan uitkering), waartegenover een bedrag aan vaste lasten van € 1.190,- per maand staat. Hiermee is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gebleken van behoeftigheid. De kans dat [verzoekster] inkomsten kan verwerven acht de kantonrechter, mede gelet op haar leeftijd, gering. De AOW-uitkering die [verzoekster] bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd kan ontvangen, bedraagt, uitgaande van de huidige regelgeving € 1.048,09 per maand. Dit resulteert in een vermindering van het inkomen, zodat ook dan sprake blijft van behoeftigheid. Het verzoek tot meewerken aan de vestiging van het vruchtgebruik over de overige goederen van de nalatenschap is derhalve eveneens toewijsbaar.

14. De kantonrechter heeft, zoals hierboven blijkt, uitdrukkelijk geen rekening gehouden met de gevolgen van een mogelijke verkoop(opbrengst) van de (echtelijke) woning. Dit omdat niet is gebleken dat die verkoop binnen afzienbare termijn zal plaatsvinden. Voor het geval alsnog tot verkoop wordt overgegaan, zal dat waarschijnlijk gevolgen hebben voor de vermogenspositie van [verzoekster], echter welke gevolgen dat zal hebben is nu niet te overzien. Indien de kinderen [...] dan vinden dat [verzoekster] niet meer behoeftig is, kunnen zij de kantonrechter verzoeken het vruchtgebruik over een of meer goederen te beëindigen.

15. Ter zitting heeft [verzoekster] de volgende, nieuwe, vraagpunten naar voren gebracht en de kantonrechter gevraagd daarop te beslissen:

a.vanuit de nalatenschap zijn successierechten betaald. Moeten de successierechten tot de nalatenschap worden gerekend of niet;

b.zijn de kinderen [...] het ermee eens dat tot de nalatenschap nog een schuld van €1.680, aan de broer van erflater hoort;

c.voor wiens rekening zijn de kosten van de hypotheekrente tot het moment dat het vruchtgebruik is gevestigd?

De kantonrechter zal deze vragen onbeantwoord laten. Deze punten dienen te worden meegenomen in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap en de vereffening van de nalatenschap, welke beiden nog niet hebben plaatsgevonden. Geheel ten overvloede wijst de kantonrechter [verzoekster] op artikel 78 van de Successiewet 1956, dat een antwoord lijkt te geven op haar eerste vraag.

16. De kinderen [...] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt de kinderen [...] om hun medewerking te verlenen aan de vestiging van een levenslang vruchtgebruik op de tot de nalatenschap van de erflater, althans de daartoe (gedeeltelijk) behorende woning en inboedel, alsmede op de andere goederen, binnen 30 dagen na betekening van deze beschikking en onder verbeurte van een dwangsom van

€ 250,- per dag, daartoe hoofdelijk verbonden, met een maximum van € 25.000,-, met bepaling dat indien en voor zover het maximum aan dwangsommen is bereikt, deze beschikking in de plaats treedt van al die rechtshandelingen die de kinderen [...] ter uitvoering hiervan dienen te verrichten om te komen tot vestiging van het in deze bedoelde vruchtgebruik, althans in de akte van vruchtgebruik;

veroordeelt de kinderen [...] in de proceskosten, die tot heden voor [verzoekster] worden vastgesteld op een bedrag van € 710,- [inclusief BTW indien en voor zover door de kinderen [...] verschuldigd], waaronder begrepen een bedrag van € 600,- voor salaris van de gemachtigde van [verzoekster] [waarover de kinderen [...] geen BTW verschuldigd zijn].

en veroordeelt de kinderen [...] om daarvan te voldoen:

€ 27,50 van deze verschotten aan [verzoekster],

en

€ 682,50 aan de griffier op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor salaris en overige verschotten na toezending van de daarvoor bestemde acceptgiro.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Gisolf, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 11 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter