Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BL6691

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
304931 CV EXPL 09-3793
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor de totstandkoming van een huurovereenkomst is vereist dat partijen overeenstemming bereiken over de essentiële onderdelen van een huurovereenkomst. Geen overeenstemming Toewijzing ontruiming nu er geen huurovereenkomst tot stand is gekomen. Tevens toewijzing van gebruiksvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

[...]ector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 304931 CV EXPL 09-3793

Uitspraakdatum: 10 februari 2010

Vonnis in de zaak van:

1.[eiser sub 1]

2.[[eiser sub 2]],

beiden wonende te [woonplaats]

eisende partijen in de hoofdzaak en in het incident,

verder ook (in enkelvoud) te noemen: [eisers],

gemachtigde: mr. H. Kroon, advocaat te Amsterdam,

tegen

[naam],

wonende te Broek op Langedijk,

gedaagde partij in de hoofdzaak en in het incident ,

verder ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. F.M. Wagener, advocaat te Alkmaar.

Het procesverloop

in de hoofdzaak en in het incident

- [eisers] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 30 juli 2009.

- [gedaagde] heeft bij antwoord verweer gevoerd.

- Bij akte van 7 oktober 2009 heeft [eisers] een provisionele voorziening gevorderd.

- De kantonrechter heeft op 21 oktober 2009 een tussenvonnis uitgesproken.

- Naar aanleiding van dat tussenvonnis heeft op 30 november 2009 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan aantekeningen zijn gemaakt. Voorafgaand aan die comparitie en tijdens die comparitie hebben partijen nadere producties overgelegd. De gemachtigden van partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities.

- De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

- Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

in de hoofdzaak en in het incident

1.1[eisers] is eigenaar van een perceel grond met daarop gebouwde opstallen gelegen aan [adres]. In september 2008 is [eisers] in contact gekomen met [gedaagde]. [gedaagde] was op zoek naar een bedrijfsruimte en partijen zijn met elkaar in overleg getreden over het aangaan van een huurovereenkomst. [eisers] heeft daarbij een deel van genoemd perceel aan [gedaagde] te huur aangeboden. Het [gedaagde] te huur aangeboden deel van het perceel, plaatselijk bekend [adres], [...], zal hierna ook worden aangehaald als “de bedrijfsruimte”.

1.2Bij brief d.d. 27 september 2008 heeft [gedaagde] aan [eisers] geschreven, voor zover hier van belang:

“Geachte dhr. en mevr. [eisers],

Hierbij mijn (huur)bieding voor uw bedrijfspand aan [adres].

Huuraanbod omvat;

-gehele bedrijfspand, uitgezonderd …

-buitenterrein

-haven

-kraan

Huurprijs met ieder jaar index verhoging euro 73000.00 per jaar

Huurprijs 5 jaar vast euro 82500.00 per jaar

Recht van 1e koop mocht BAM vastgoed zich terug trekken”

Handgeschreven staat op die brief (productie 6 bij dagvaarding):

“Afspraak:

Bij koop kraan ad € 25.000 vermindering huur ad € 5.000 per jaar = € 77.500 5 jaar vast.

Akkoord S. [eisers]”

1.3In oktober 2008 heeft [gedaagde] de bedrijfsruimte zoals omschreven in de brief d.d. 27 september 2008 in gebruik genomen. In verband met dat gebruik heeft [eisers] aan [gedaagde] een factuur d.d. 28 oktober 2008 gestuurd en daarbij aan [gedaagde] in rekenin[...]cht “huur pand [adres]” en “waarborgsom 3 maanden huur”. [gedaagde] heeft de gefactureerde bedragen aan [eisers] voldaan.

1.4Bij brief d.d. 13 november 2008 heeft de gemachtigde van [eisers] aan [gedaagde] een concepthuurovereenkomst gestuurd en hem meegedeeld, voor zover hier van belang, dat zij heeft begrepen dat [eisers] en [gedaagde] op een constructieve en goede wijze hebben overlegd over een huurovereenkomst, dat [eisers] blij is dat dit allemaal in goed overleg heeft kunnen plaatsvinden en dat [eisers] hoopt dat op de kortst mogelijke termijn de huurovereenkomst met [gedaagde] kan worden ondertekend. Vervolgens deelt de gemachtigde mee dat een huurtermijn van vier jaar voor [eisers] essentieel is en dat dit een aantal juridische aspecten meebrengt (te weten; vereiste goedkeuring van de kantonrechter). Tenslotte heeft de gemachtigde van [eisers] aan [gedaagde] meegedeeld dat, indien om welke reden dan ook geen huurovereenkomst van vier jaar tot stand komt, [eisers] ontruiming van de onroerende zaak zal vorderen.

1.5Op 20 november 2008 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden. Bij brief d.d. 20 november 2008 heeft [eisers] aan [gedaagde] geschreven, voor zover van belang:

“Naar aanleiding van ons prettige gesprek van hedenmiddag wil ik de punten nog even opschrijven zoals ik ze begrepen heb.

1)Het gehuurde zal door of vanwege huurder overwegend worden bestemd om te worden gebruikt als: scheepswerf, bestaande uit opslag-/werkruimte.…

2)Huurovereenkomst is voor 4 jaar

geen indexering

Nieuwe huurprijs wordt € .......

3)Het gehuurde omvat:

-haven

-buitenterrein uitgezonderd parkeerterrein voorliggend aan winkel

-er wordt een tekening van het gehuurde bijgevoegd

4)…

5)Vergoeding over de borg. Wordt nvm onderzocht.

6)Opnemen in de huurovereenkomst: …

7)Bijzondere bepalingen: procesverbaal wordt bijgevoegd..

Sideletter: 2) huuraanpassing. Deze wordt gehandhaafd indien de Ballast Nedam voornemens is het pand [...] te slopen. Mocht het zo zijn dat Ballast niet overgaat tot koop, de huur met terugwerkende kracht wordt gesteld op € 77.500,= excl. BTW zonder indexering voor onbepaalde tijd.”

Op zijn beurt heeft [gedaagde] naar aanleiding van dat gesprek een aantal opmerkingen op papier gezet. Dit stuk bevat, voor zover hier van belang, de volgende tekst:

“Opmerkingen op mogelijke huurovereenkomst dijk 10

Opgemaakt 20 november 2008 door [...]

1) …

2) Met de heer en mevrouw [eisers] is afgesproken:

3) -huurovereenkomst voor 5 jaar

-…

…”

1.6Bij brief d.d. 24 november 2008 heeft [gedaagde] aan [eisers] geschreven:

“Naar aanleiding van ons gesprek inzake de huurovereenkomst treft u hierbij mijn aanbod voor de huur bij 4-jarig contract.

Het eerste jaar euro 77.500

Het tweede jaar euro 77.500

Het derde jaar euro 67.812

Het vierde jaar euro 20.062

Onze toelichting inzake deze berekening treft u tevens aan.

In uw schrijven d.d. 20 november 2008 staat volgens mij een verschrijving.) zie correctie rode pen.

Graag ontvang ik zo spoedig mogelijk uw antwoord inzake bovengenoemd aanbod.”

Daarbij heeft [gedaagde] een schriftelijke toelichting gegeven met, voor zover hier van beland, de tekst:

[lezers]

Zoals besproken kan ik niet akkoord gaan met de huurprijs van E 77.500 voor de periode van 4 jaar. Mijn aanbod was gebaseerd op een periode van 5 jaar.

Voor mijn huurprijs van 4 jaar de volgende onderliggende berekening:

…”

1.7Bij brief d.d. 27 november 2008 heeft [eisers] aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier van belang:

“Naar aanleiding van jullie schrijven dd 24 november 2008 en …

De huursom blijft voor 4 jaar € 77.500 per jaar …

…”

1.8Bij brief d.d. 15 december 2008 aan de gemachtigde van [eisers] heeft [gedaagde], voor zover hier van belang over de concepthuurovereenkomst het volgende geschreven:

“-Mijn huurovereenkomst met de fam. [eisers] d.d. 27 september 2008, t.w. 5-jarig contract en huurprijs euro 77.500 per jaar blijft van kracht.

Wilt u dit in het contract verwerken.

-Mijn huuraanbod d.d. 24 november 2008 trek ik hierbij in.

-…”

1.9[eisers] heeft in februari 2009 een bedrag van € 30.741,68 (overeenkomend met vier huurtermijnen) aan [gedaagde] geretourneerd.

1.10[eisers] heeft vervolgens als voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter te Alkmaar gevorderd dat [gedaagde] de bedrijfsruimte zal ontruimen. Bij vonnis d.d. 4 juni 2009 heeft de voorzieningenrechter die vordering afgewezen. Verder heeft de voorzieningenrechter bepaalt dat [gedaagde] zolang hij de bedrijfsruimte in gebruik heeft een gebruiksvergoeding van € 7.685,42 inclusief BTW per maand dient te betalen.

1.11In juli 2009 heeft [eisers] een aantal conservatoire (derden)beslagen ten laste van [gedaagde] doen leggen.

Het geschil

in de hoofdzaak en in het incident

2.1[eisers] vordert, zakelijk weergegeven, in de hoofdzaak bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

een verklaring voor recht dat tussen partijen geen huurovereenkomst betreffende de bedrijfsruimte tot stand is gekomen;

subsidiair:

te verklaren dat de huurovereenkomst tussen partijen zal zijn ontbonden per datum van het in deze te wijzen vonnis;

meer subsidiair:

te bepalen dat de huurovereenkomst tussen partijen zal zijn geëindigd per datum van het in deze te wijzen vonnis;

primair en (meer) subsidiair:

-[gedaagde] te veroordelen de bedrijfsruimte te ontruimen op straffe van een dwangsom;

-te bepalen dat [gedaagde] aan [eisers] verschuldigd is de achterstallige maandelijkse vergoeding over de maanden november 2008, december 2008, januari 2009, februari 2009 en juli 2009, zijnde € 38.427,10 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2009;

-te bepalen dat [gedaagde] aan [eisers] verschuldigd zal zijn de maandelijkse vergoeding van € 7.685,42 zolang [gedaagde] de bedrijfsruimte in gebruik heeft;

- [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten, de kosten van het gelegde conservatoir (derden)beslag en in de proceskosten

2.2Als voorlopige voorziening heeft [eisers] gevorderd, kort gezegd, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de maandelijkse gebruiksvergoeding van € 7.685,42 te rekenen vanaf 1 november 2008 totdat in deze bodemzaak een vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen, te vermeerderen met wettelijke rente. Daarnaast vordert [eisers] veroordeling van [gedaagde] te betalen een waarborgsom van € 23.056,26, kosten rechtens.

2.3Zakelijk weergegeven stelt [eisers] hiertoe primair dat tussen partijen tijdens de onderhandelingen nooit een huurovereenkomst tot stand is gekomen omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de looptijd daarvan. Voor zover er wel een huurovereenkomst tot stand is gekomen, dient die te worden ontbonden dan wel beëindigd omdat [gedaagde] in verzuim is met de betaling van de door de voorzieningenrechter vastgestelde gebruiksvergoeding. Voor het geval moet worden aangenomen dat een huurovereenkomst is ontstaan met een looptijd korter dan twee jaar, verzoekt [eisers] de kantonrechter op basis van artikel 7:301 Burgerlijk Wetboek (BW) voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst is geëindigd, dan wel deze te beëindigen Daarnaast vordert [eisers] de betaling van de achterstallige gebruiksvergoeding. Omdat [gedaagde] zijn financiële verplichtingen niet nakomt, heeft [eisers] er tevens belang bij dat [gedaagde] een waarborgsom betaalt.

2.4[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] en voert hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende aan. Tussen partijen is wel degelijk (omstreeks 3 oktober 2008) een huurovereenkomst tot stand gekomen met een looptijd van vijf jaar. [gedaagde] heeft de bedrijfsruimte betrokken en ook de eerste huurfactuur en de waarborgsom voldaan. Ook de huur van januari 2009 is gewoon voldaan. Hoewel reeds een huurovereenkomst tot stand gekomen, heeft nog wel (onverplicht) overleg plaatsgevonden over aanpassing van de huurovereenkomst, maar dat overleg heeft niets opgeleverd. In februari 2009 heeft [eisers] een bedrag van € 30.741,68 (zijnde vier huurtermijnen) aan [gedaagde] geretourneerd. [gedaagde] heeft een aantal huurtermijnen onbetaald gelaten en deze verrekend met een vordering tot schadevergoeding die [gedaagde] op [eisers] heeft. Die schade is ontstaan doordat [eisers], ondanks aanmaning, nalatig is met het opheffen van een aantal gebreken aan de bedrijfsruimte. [gedaagde] heeft die gebreken op eigen kosten moeten laten herstellen en moet dit voor een deel nog laten doen. [gedaagde] wil de kosten daarvan krachtens artikel 7: 206 BW te verrekenen met de huur. De betaling van de huurpenningen wordt opgeschort tot de kosten van [gedaagde] geheel zijn verrekend. Wegens het verzuim van [eisers], kan [gedaagde] zelf niet in verzuim zijn. Nu [eisers] de waarborgsom aan [gedaagde] heeft geretourneerd, heeft hij afstand gedaan van zijn recht een waarborgsom te vragen. Bij een voorlopige voorziening gedurende de looptijd van de bodemzaak, heeft [eisers] geen spoedeisend belang.

De beoordeling

in de hoofdzaak

bevoegdheid

3.1De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is van het geschil kennis te nemen omdat naar zijn voorlopig oordeel het onderwerp van het geschil is het (al dan niet) bestaan van een huurovereenkomst.

huurovereenkomst of niet

3.2De kern van het geschil draait om de vraag of tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens [gedaagde] is er wel een huurovereenkomst tot stand gekomen en wel omstreeks 3 oktober 2008. Volgens [eisers] is dit niet het geval. Ter onderbouwing van zijn standpunt voert [gedaagde] aan dat partijen er in eerste instantie van uit gingen dat is afgesproken dat hij het pand zou gaan gebruiken en dat hij daarvoor een vergoeding zou betalen. Voor de huurprijs heeft [gedaagde] bij brief van 27 september 2008 een voorstel gedaan. Volgens [gedaagde] behoorde tot de te huren zaken een kraan (zie de brief d.d. 27 september 2008 r.o. 1.2). Echter, het bleek dat die kraan niet van [eisers] was maar dat die behoorde tot de boedel in het faillissement van de vorige gebruiker van de bedrijfsruimte. Op 3 oktober 2008 heeft [gedaagde] bij de curator in dat faillissement een bieding op de kraan gedaan voor een bedrag van € 25.000,-. [gedaagde] en [eisers] hebben toen overlegd over de investering in de kraan, waarbij [eisers] het voorstel heeft gedaan de investering in de kraan te verdisconteren in de huurprijs. De huurprijs zou dan over een periode van 5 jaar met € 5.000,- per jaar worden verminderd. Die afspraak is niet schriftelijk vastgelegd maar de vader van [gedaagde] heeft deze afspraak met de hand geschreven op de brief d.d. 27 september 2008, aldus nog steeds [gedaagde]. Daartegen heeft [eisers] aangevoerd dat het [gedaagde] van meet af aan duidelijk was dat [eisers] ontwikkelingsplannen voor het perceel grond had en dat hij uitdrukkelijk aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat een huurovereenkomst uitsluitend tot stand zou komen indien het gehuurde over vier jaar geheel vrij van huur zou zijn.

3.3De kantonrechter overweegt het volgende. Voor de totstandkoming van een huurovereenkomst is vereist dat partijen overeenstemming bereiken over de essentiële onderdelen van een huurovereenkomst. Gelet op de stellingen van partijen is in dit geval beslissend of [gedaagde], op grond van de hem op of omstreeks 3 oktober 2008 bekende feiten en omstandigheden, uit de gedragingen en verklaringen van [eisers] redelijkerwijs mocht afleiden dat op alle essentiële punten van de huurovereenkomst overeenstemming was bereikt. De stellingen van [gedaagde] volgend en ervan uitgaand dat [eisers] door zijn voorstel over de kraan ook akkoord was met de huurprijs, zou uit dat voorstel kunnen worden afgeleid dat [eisers] akkoord is gegaan met een huurovereenkomst voor vijf jaar. Dat is echter anders indien, zoals [eisers] stelt, het [gedaagde] van meet af aan duidelijk was dat [eisers] ontwikkelingsplannen voor het perceel grond had en hij uitdrukkelijk aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat een huurovereenkomst uitsluitend tot stand zou komen indien het gehuurde over vier jaar geheel vrij van huur zou zijn. Onder die omstandigheden zou het namelijk in de rede liggen dat [eisers] uitdrukkelijk aan [gedaagde] kenbaar maakte zijn standpunt hierover te hebben gewijzigd.

3.4Of het [gedaagde] van meet af aan duidelijk was dat [eisers] ontwikkelingsplannen voor het perceel grond had en hij uitdrukkelijk aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat een huurovereenkomst uitsluitend tot stand zou komen indien het gehuurde over vier jaar geheel vrij van huur zou zijn, is in geschil. Zijnerzijds stelt [gedaagde] namelijk dat [eisers] pas in oktober 2008 met de mededeling kwam dat hij in onderhandeling met Ballast Nedam was over de verkoop van het perceel. De kantonrechter constateert echter dat [gedaagde] geen verklaring heeft gegeven waarom hij dan in zijn brief d.d. 27 september 2008 de zin “Recht van 1e koop mocht BAM vastgoed zich terug trekken” heeft opgenomen. Immers, uit die zinsnede blijkt dat [gedaagde] toen al wist dat [eisers] het betreffende perceel (mogelijk) zou verkopen aan een projectontwikkelaar. Daaruit vloeit verder voort dat [gedaagde] toen ook wist dan wel redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [eisers] er belang bij had dat het perceel grond bij verkoop dan vrij van huur zou zijn. Nu [gedaagde] dit onbesproken heeft gelaten, gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde], zoals [eisers] stelt, van meet af aan wist dat [eisers] slechts een huurovereenkomst wilde sluiten indien het gehuurde bij verkoop aan een projectontwikkelaar vrij van huur zou zijn. [gedaagde] kon en mocht onder die omstandigheden redelijkerwijs uit het voorstel van [eisers] om de huurprijs gedurende vijf jaar aan te passen niet afleiden dat [eisers] zijn eerder ingenomen standpunt op dat punt had laten varen. Er is dan ook geen huurovereenkomst tot stand gekomen.

3.5De kantonrechter merkt daarbij op dat partijen er, gelet op de tussen hen gevoerde correspondentie, ook na 3 oktober 2008 steeds van uit lijken te zijn gegaan dat er geen huurovereenkomst tot stand was gekomen. Niet gebleken is immers dat [gedaagde] zich voor 15 december 2008 heeft beroepen op de totstandkoming van een huurovereenkomst omstreeks 3 oktober 2008. Aan hem kan weliswaar worden toegegeven dat [eisers] wel facturen voor huur heeft gestuurd en dat een door [eisers] ondertekende akte van geldlening vermeldt dat de bedrijfsruimte aan [gedaagde] is verhuurd, maar die bewoordingen ziet de kantonrechter veeleer als een algemene term die ziet op het gebruik van de bedrijfsruimte. Dit te meer omdat toen nog de verwachting van partijen was dat een huurovereenkomst tot stand zou komen. Een andere uitleg van die woorden is ook niet te rijmen met de consequente opstelling van [eisers] in de (overige) correspondentie over de duur van de te sluiten huurovereenkomst.

ontruiming

3.6Nu uit het voorgaande voortvloeit dat tussen partijen geen huurovereenkomst tot stand is gekomen, leidt dat ertoe dat de gevorderde ontruiming van de bedrijfsruimte kan worden toegewezen. De bedrijfsruimte is immers aan [gedaagde] in gebruik gegeven in de verwachting dat binnen een redelijke termijn een huurovereenkomst tot stand zou komen en dat gebruik op zich is niet te kwalificeren als een huurovereenkomst (met de daaraan verbonden huurbescherming). Nu de onderhandelingen tussen partijen zijn afgebroken en er daardoor geen uitzicht (meer) is op de totstandkoming van een huurovereenkomst tussen partijen, is de grondslag aan het gebruik komen te ontvallen. Gesteld noch gebleken is bovendien dat die ontruiming in strijd is met de normen van redelijkheid en billijkheid.

3.7De kantonrechter merkt nog wel op dat [gedaagde] veranderingen aan de bedrijfsruimte heeft aangebracht. Hij zal daarom niet in staat zijn de bedrijfsruimte in oorspronkelijke staat op te leveren. In zoverre wordt het gevorderde afgewezen. Voor zover [eisers] door de wijze van opleveren schade zal leiden, zullen partijen dat in de schadevergoedingssfeer moeten oplossen. De kantonrechter zal geen dwangsom aan deze veroordeling verbinden omdat [eisers] zelf de mogelijkheid heeft de ontruiming te (laten) effectueren. Hetgeen partijen verder hebben aangevoerd over het al dan niet beëindigen of beëindigd zijn van de huurovereenkomst kan buiten beschouwing blijven.

gebruiksvergoeding

3.8Over de gebruiksvergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit het petitum van de dagvaarding blijkt dat [eisers] niet de veroordeling van [gedaagde] tot betaling vordert maar dat hij vordert “te bepalen” dat een gebruiksvergoeding verschuldigd is. De kantonrechter begrijpt dit als een vordering tot het geven van een verklaring van recht hierover. Niet in geschil is dat als gebruiksvergoeding een bedrag van € 7.685,42 inclusief BTW per maand moet worden gehanteerd. Verder staat onbetwist vast dat de gebruiksvergoeding over de maanden november 2008, december 2008, januari 2009, februari 2009 en juli 2009 onbetaald zijn. Weliswaar heeft [eisers] eerdere betalingen teruggestort, maar gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] daaruit heeft afgeleid of mocht afleiden dat [eisers] helemaal geen recht meer wilde doen gelden op die gebruiksvergoeding.

3.9[gedaagde] voert als verweer tegen het gevorderde dat hij de verschuldigde gebruiksvergoeding overeenkomstig artikel 7:206 BW wil verrekenen met zijn schadevergoedingsvordering wegens de gebreken aan de bedrijfsruimte. Dat verweer faalt. Er is immers geen huurovereenkomst tot stand gekomen. Omdat niet is gesteld waarom [eisers] op dit punt toerekenbaar tekortgeschoten zou zijn en [gedaagde] geen andere grond voor verrekening heeft aangevoerd, faalt zijn verrekenverweer. De kantonrechter merkt daarbij op dat ook overigens niet eenvoudig is vast te stellen of er grond is tot verrekening te komen omdat de noodzaak tot vervanging van het dak en de overige (voorgenomen) herstellingen voorshands nog niet is gebleken. Dat [eisers] reeds betaalde gebruiksvergoeding heeft teruggestort, leidt er wel toe dat de wettelijke rente over de tot en met februari 2009 verschuldigde vergoeding eerst toewijsbaar is per datum van dagvaarding. De wettelijke rente over de per 1 juli 2009 vervallen gebruiksvergoeding zal telkens worden toegewezen per de eerste dag van de betreffende maand. Het gevorderde wordt toegewezen als na te melden.

3.10De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Weliswaar kan worden aangenomen dat [gedaagde] vanaf de datum van dagvaarding betreffende de voorlopige voorziening zonder recht of titel in de bedrijfsruimte verblijft, maar onvoldoende is gesteld en gebleken dat [eisers] na die datum kosten heeft gemaakt die niet zijn begrepen in de proceskosten. Voor zover [eisers] kosten van juridische bijstand heeft gemaakt betreffende de periode daarvoor, zijn die niet gemaakt in verband met een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatig handelen van [gedaagde].

3.11[gedaagde] dient als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten, waarin begrepen de kosten in verband met de gelegde conservatoire (derden)beslagen, te worden veroordeeld.

in het incident

4.1De gevorderde voorlopige voorziening heeft twee elementen. Te weten, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van (i) de gebruiksvergoeding vanaf 1 november 2008 en (ii) de betaling van een waarborgsom.

4.2Nu in de hoofdzaak onder 3.9 is beslist dat [gedaagde] een gebruiksvergoeding verschuldigd is, zal de kantonrechter [gedaagde] ook veroordelen tot betaling daarvan. Er is ook geen reden de betaling van de gebruiksvergoeding op te schorten. Die veroordeling wordt beperkt tot de daar genoemde maanden en totdat de bedrijfsruimte door [gedaagde] is ontruimd. Voldoende aannemelijk is dat [eisers] een spoedeisend belang heeft bij betaling daarvan.

4.3De gevorderde betaling van de waarborgsom wordt afgewezen. Een aan de betaling daarvan liggende grondslag uit overeenkomst of uit de wet is niet gebleken. Dit te meer omdat [eisers] er zelf voor heeft gekozen de reeds betaalde waarborgsom in februari 2008 aan [gedaagde] te retourneren.

4.4Over de proceskosten in het incident overweegt de kantonrechter dat de noodzaak voor de gevorderde voorziening niet is gebleken. De voorzieningenrechter heeft reeds in zijn vonnis van 4 juni 2009 [gedaagde] veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding. [eisers] kon de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de gebruiksvergoeding ook vorderen in de hoofdzaak. Slechts nieuw in het incident is dat [eisers] ook betaling van een waarborgsom vordert. Die vordering wordt echter afgewezen. De kantonrechter ziet daarin aanleiding [eisers] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten. Gelet op de samenhang met de hoofdzaak zullen de tot op heden door [gedaagde] gemaakte kosten worden begroot op nihil.

De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak

Verklaart voor recht dat tussen [eisers] en [gedaagde] geen huurovereenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van het door [gedaagde] gebruikte perceel, plaatselijk bekend [adres], [...].

Veroordeelt [gedaagde] om het door hem gebruikte perceel, plaatselijk bekend [adres], [...] binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis, met de zijnen en al het zijne te ontruimen en ontruimd te houden, onder afgifte van de sleutels en ter algehele beschikking van [eisers] te stellen met machtiging van [eisers] om, indien [gedaagde] na verloop van veertien dagen na betekening van het vonnis met ontruiming in gebreke blijft, dat zelf te doen bewerkstelligen desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie.

Bepaalt dat [gedaagde] aan [eisers] verschuldigd is de gebruiksvergoeding ad € 7.685,42 per maand over de maanden november 2008, december 2008, januari 2009 en februari 2009 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 juli 2009 tot de dag der voldoening en dat [gedaagde] per juli 2009 verschuldigd is de gebruiksvergoeding van € 7.685,42 per maand, welke vergoeding hij is verschuldigd zolang hij het perceel, plaatselijk bekend [adres], [...], in gebruik heeft en welke vergoeding uiterlijk de eerste van iedere maand aan [eisers] moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldag van de respectieve termijn tot de dag van algehele voldoening daarvan.

Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die tot heden voor [eisers] worden vastgesteld op een bedrag van € 1.872,98 [inclusief BTW indien en voorzover door [gedaagde] verschuldigd], waaronder begrepen een bedrag van € 1.000,00 voor salaris van de gemachtigde van [eisers] [waarover [gedaagde] geen BTW verschuldigd is] en € 579,00 wegens kosten conservatoir (derden)beslag.

Verklaart dit vonnis betreffende haar veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

In het incident.

Veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] tegen kwijting te betalen een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 7.685,42, betreffende de maanden november 2008, december 2008, januari 2009 en februari 2009 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 juli 2009 tot de dag der voldoening, alsmede tot betaling van een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 7.685,42 vanaf 1 juli 2009 totdat in de bodemprocedure bij vonnis in kracht van gewijsde zal zijn beslist, elke termijn te vermeerderen met de wettelijke vanaf de eerste dag van de maand waarop de gebruiksvergoeding betrekking heeft tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt [eisers] in de proceskosten, die tot heden voor [gedaagde] worden vastgesteld op nihil.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 10 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter