Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BL6505

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
04-03-2010
Zaaknummer
116259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen bestuur en Raad van toezicht van woningbouwvereniging leidt tot schorsingsbesluit.

Vraag of voor een dergelijk zwaar middel voldoende grond bestond wordt in kort geding ontkennend beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

CVZ/AS

zaak- en rolnummer: 116259/KG ZA 09-490

datum: 26 februari 2010

in de zaak van:

1. HET BESTUUR VAN DE VERENIGING WONINGBOUWVERENIGING "BETER WONEN",

gevestigd te Wieringen,

alsmede haar leden:

2.[eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3.[eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4.[eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

EISERS IN CONVENTIE IN KORT GEDING,

VERWEERDERS IN RECONVENTIE IN KORT GEDING,

advocaat mr. P.D. van de Reep te Alkmaar,

tegen:

1.DE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE VERENIGING WONINGBOUWVERENIGING "BETER WONEN",

gevestigd te Wieringen,

alsmede de individuele leden van deze Raad van Toezicht:

2.[gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3.[gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4.[gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

5.[gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats],

6.[gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats],

GEDAAGDEN IN CONVENTIE IN KORT GEDING,

EISERS IN RECONVENTIE IN KORT GEDING,

advocaat mr. M. van Langeveld te Tilburg,

Partijen zullen verder worden genoemd "het bestuur" respectievelijk "de raad van toezicht" dan wel "de raad".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 4 januari 2010 heeft het bestuur in conventie gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

De raad van toezicht heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van het bestuur de originele dagvaarding en van beide zijden pleitnotities, overgelegd.

Vervolgens zijn tussen partijen een aantal afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn neergelegd in een proces-verbaal. Een van de afspraken hield in dat partijen via mediation zouden proberen te komen tot een oplossing van het tussen hen bestaande geschil. De voorzieningenrechter zou op verzoek van partijen een bemiddelaar aanwijzen.

In dit verband heeft de voorzieningenrechter onder meer contact gehad met een medewerker van het Ministerie van VROM (hierna: VROM) die hem op de hoogte heeft gesteld van een aantal ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan na de zitting.

Deze informatie is teruggekoppeld naar de advocaten van partijen in een brief van de voorzieningenrechter van 13 januari 2010. In die brief is partijen verzocht kenbaar te maken of zij nog steeds eenparig om de benoeming van een bemiddelaar verzoeken.

Hierop is door beide partijen gereageerd, waarna aan partijen is bericht dat, gelet op de onderscheiden stellingname van partijen op dat moment, geen basis aanwezig leek voor zinvolle bemiddeling. Vervolgens is aan de eisende partij verzocht kenbaar te maken wat zij verder wilde met de zaak.

Bij brief van 25 januari 2010 heeft de advocaat van het bestuur laten weten dat de raad van toezicht opnieuw voornemens was tot schorsing van bestuursleden over te gaan, dat deze schorsing niet los gezien kon worden van de eerdere schorsing en dat daarom verzocht werd de zaak nog enige tijd aan te houden, totdat de nieuwe schorsingsbesluiten konden worden voorgelegd, dan wel tot na de geplande algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van 5 maart 2010.

Op 4 februari 2010 is vervolgens verzocht een datum te bepalen voor voortzetting van de behandeling. Vervolgens is bepaald dat de voortzetting van de behandeling zou plaatsvinden op 19 februari 2010.

In de aanloop naar laatstgenoemde zitting is van de zijde van het bestuur een conclusie van eis en van de zijde van de raad van toezicht een conclusie van eis in reconventie toegezonden. De daarin vervatte vorderingen zijn ter zitting van 19 februari 2010 ingesteld. Over en weer zijn de vorderingen toegelicht aan de hand van nader in het geding gebrachte producties en is tegen de vorderingen verweer gevoerd.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

in conventie en in reconventie

2.1 Partijen zijn respectievelijk het bestuur en de raad van toezicht van de woningbouwvereniging Beter Wonen (hierna: Beter Wonen) gevestigd te Wieringen.

2.2 Het huidige bestuur is in maart/april 2009 aangetreden. Het bestuur bestaat uit de heren R. Eiser sub 2 (voorzitter, hierna: Eiser sub 2), P. Eiser sub 3 (hierna: Eiser sub 3) en D. Eiser sub 4 (hierna: Eiser sub 4).

2.3 De raad van toezicht is in april 2009 aangetreden.

2.4 In februari 2009 was door het Centraal Fonds Volkshuisvesting (hierna: CFV) aan het eerdere bestuur verzocht een onafhankelijke onderzoekscommissie in te stellen in verband met signalen die het CFV eind 2008 hadden bereikt over een mogelijke bestuurs- en toezichtcrisis bij Beter Wonen.

2.5 Het bestuur heeft aan dit verzoek gevolg gegeven en een commissie ingesteld bestaande uit de heren F.C. van Veen (voorzitter), A.F. Bovenschen en P.D. van Tijn.

2.6 De commissie heeft op 7 december 2009 gerapporteerd. Dit rapport is bij brief van 14 december 2009 aangeboden aan het bestuur.

2.7 Op 13 december 2009 heeft de raad van toezicht besloten tot schorsing van Eiser sub 2. Ter onderbouwing van zijn besluit noemt de raad een aantal punten, welke er in het kort op neer komen dat Eiser sub 2 de raad ernstig belemmerde in de uitvoering van zijn toezichthoudende taak.

2.8 Op 14 december 2009 heeft de raad van toezicht de twee overgebleven bestuursleden in kennis gesteld van zijn besluit tot schorsing van Eiser sub 2. Tevens heeft de raad hen in kennis gesteld van zijn besluit tot schorsing van een bestuursbesluit van 23 november 2009 waarbij voor 18 december 2009 een algemene ledenvergadering is uitgeroepen.

2.9 De raad heeft ook aan de individuele leden van de vereniging bekend gemaakt dat de ALV op 18 december 2009 niet zou plaatsvinden. Voorts is dit besluit kenbaar gemaakt in een advertentie in de lokale media.

2.10 Eiser sub 3 en Eiser sub 4 hebben een hernieuwde oproep voor de algemene ledenvergadering op 18 december 2009 doen uitgaan, eveneens via een advertentie in de lokale media.

2.11 Op 18 december 2009 heeft deze vergadering plaatsgevonden. Hoewel uitgenodigd was de raad van toezicht niet ter vergadering aanwezig. In de vergadering is onder meer gesproken over de schorsing van Eiser sub 2. De vergadering heeft besloten de schorsing op te heffen. Voorts heeft de vergadering erop aangedrongen dat het bestuur en de raad in het belang van Beter Wonen hun onderlinge geschillen langs de weg van mediation zouden proberen op te lossen.

2.12 De raad van toezicht heeft, na te hebben kennisgenomen van de (concept)notulen van de vergadering, aangegeven de besluiten van deze ALV niet te erkennen, op de grond dat de vergadering niet rechtsgeldig is gehouden. Daarbij heeft de raad de vernietiging dan wel de vernietigbaarheid van de genomen besluiten ingeroepen.

2.13 Bij brief van 18 december 2009 heeft de raad Eiser sub 3 en Eiser sub 4 in kennis gesteld van zijn voornemen om ook deze bestuursleden te schorsen, op de grond dat zij de genoemde algemene ledenvergadering in strijd met het schorsingsbesluit van de raad toch doorgang hebben laten vinden. Eiser sub 3 en Eiser sub 4 zijn in de gelegenheid gesteld over dit voornemen te worden gehoord. Deze hoorzitting werd uiteindelijk vastgesteld op 4 januari 2010 om 20.00 uur. Vervolgens heeft het bestuur de raad gedagvaard in kort geding. De eerste zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2010.

2.14 Van genoemde zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Dit houdt onder meer het volgende in:

"Na voortzetting van de zitting hebben partijen verklaard dat zij overeengekomen zijn een bemiddelaar in te schakelen teneinde langs die weg te trachten de tussen hen gerezen geschillen op te lossen. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een bemiddelaar aan te wijzen, aangezien zij verwachten dat zij het daarover in onderling overleg niet, althans niet op korte termijn, over eens zullen kunnen worden. Afgesproken wordt een bemiddelaar aan te wijzen die bekend is met het besturen van een woningbouwvereniging en met het spanningsveld dat daarbij kan ontstaan tussen het bestuur en de raad van toezicht van die vereniging. Partijen hebben verklaard te zullen instemmen met de door de voorzieningenrechter aan te wijzen persoon.

Voorts zijn partijen overeengekomen dat de heer Eiser sub 2 zijn voorzitterstaken weer zal gaan uitoefenen, zoals hij dat tot het moment van de schorsing door de raad van toezicht op 13 december 2009 heeft gedaan en dat zo spoedig mogelijk een Algemene Ledenvergadering zal worden uitgeroepen waarop de leden zich (onder meer) zullen kunnen uitspreken over het functioneren van de heer Eiser sub 2 als voorzitter van de vereniging. De raad van toezicht heeft toegezegd dat de voorgenomen schorsing van de overige bestuursleden de heren Eiser sub 3 en Eiser sub 4, over welk voornemen op de vergadering van 4 januari 2010 zou worden gesproken, niet aan de orde gesteld zal worden."

2.15 Op 8 januari 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de raad van toezicht en VROM, directoraat generaal Wonen, Wijken en Integratie. Hierbij is (onder meer) gesproken over (een deel van) de bevindingen in het onderzoeksrapport.

2.16 Vervolgens heeft op 11 januari 2010 tussen VROM/WWI en het bestuur een bespreking plaatsgevonden over hetzelfde onderwerp. VROM/WWI heeft in die bespreking bij Peters en Eiser sub 3 aangedrongen op vrijwillige terugtred als bestuurder in afwachting van de uitkomsten van een aanvullend onafhankelijk onderzoek naar een tweetal bevindingen in het onderzoekrapport. Eiser sub 2 en Eiser sub 3 hebben aan VROM/WWI gemotiveerd aangegeven waarom zij geen aanleiding zagen hun bestuurstaken (tijdelijk) neer te leggen.

2.17 Op 22 januari 2010 heeft het bestuur een brief ontvangen van VROM/WWI. Deze brief houdt het volgende in:

"Op 11 januari j.l. heeft u met mij en dhr. Nieuwenhuizen een gesprek gehad over

de situatie bij Beter Wonen. Bij dit gesprek was de heer Van der Star van het CFV aanwezig. Aanleiding voor dit gesprek was het conflict tussen de Raad van

Toezicht en het Bestuur, alsmede het onderzoeksrapport van de commissie Van

Veen dat betrekking heeft op het beleid dat de woningbouwvereniging Beter

Wonen op Wieringen de afgelopen jaren heeft gevoerd op het gebied van

nieuwbouw en onderhoud. Voorafgaand aan dit gesprek (op 8 januari j.l.) heeft de onderzoekscommissie het rapport op het ministerie toegelicht. Aansluitend heeft een gesprek plaatsgevonden met een aantal leden van de Raad van Toezicht van Beter Wonen. Vooraleerst hecht ik eraan om te stellen dat WWI niet treedt in het geschil tussende Raad van Toezicht en het bestuur. Als er geen onderzoeksrapport had gelegen, dan had WWI er bij partijen op aangedrongen om voluit mee te werken aan de door de rechter voorgestelde en door partijen overeengekomen bemiddeling. Maar er ligt een onderzoeksrapport. Daar komt nog bij dat er sprake is van drie

meldingen bij het Meldpunt Integriteit Woningcorporaties c.q. de OMInlichtingen- en Opsporingsdienst die betrekking hebben op Beter Wonen.

Het rapport roept onder meer bij twee punten vragen op waarbij mogelijk de

integriteit in het geding is:

• De aankoop van het onroerend goed De Kule 25 te Den Oever, daar waar

mogelijk sprake is van een prijsopdrijving middels een ABC-constructie

welke in de vastgoedwereld wordt aangemerkt als een ongebruikelijke

transactie (p. 30)"

opdracht aan en de in rekening gebrachte kosten door de huisarchitect

(...) in de plannen De Kule en/of Kapellehof II (...) (p. 14)."

Ik acht het onontkoombaar dat in ieder geval deze zaken nader worden uitgezocht. De noodzaak voor vervolgonderzoek op deze punten is door u bevestigd in het gesprek op 11 januari j.l. In dit gesprek kwam vervolgens nog een andere kwestie aan de orde die naar uw mening ook zou moeten worden meegenomen in het vervolgonderzoek vanwege mogelijke andere onrechtmatigheden (schone grond verklaring gemeente). Betreffend onderzoek zal een forensisch karakter dienen te krijgen, gericht op het handelen van een aantal personen. Voor twee van deze personen geldt dat ze thans lid zijn van uw bestuur. De vraag die zich nu voordoet is of het acceptabel is dat deze twee personen (de heren Eiser sub 2 en Eiser sub 3) blijven besturen gedurende het onderzoek.

Ik acht dat niet acceptabel. Enerzijds is het van belang dat het onderzoek kan worden uitgevoerd zonder dat objecten van onderzoek daar invloed op kunnen uitoefenen. Anderzijds is het van belang dat betreffende bestuurders pas weer bestuurshandelingen kunnen verrichten nadat is vastgesteld dat ze niets te verwijten valt.

Om die reden is in het gesprek van 8 januari j.l. voorgesteld dat de twee bestuurders die het betreft zich tijdelijk terugtrekken voor de duur van het onderzoek. Door zelf deze stap te zetten, wordt voorkomen dat eventuele vervolgstappen gaan interfereren met het conflict met de Raad van Toezicht. Het conflict staat in feite los van de bevindingen in het onderzoeksrapport en de noodzakelijke follow-up.(...)

Nu is aangegeven dat de heren Eiser sub 2 en Eiser sub 3 niet vrijwillig hun bestuurstaken neerleggen hangende het onderzoek, is het van belang om ervoor te zorgen dat op een andere wijze wordt zeker gesteld dat het vervolgonderzoek ongehinderd kan worden uitgevoerd en mogelijke andere risico's op korte termijn zoveel mogelijk worden vermeden.

Ik heb derhalve aan uw Raad van Toezicht medegedeeld dat ik mij kan vinden in het voornemen om de heren Eiser sub 2 en Eiser sub 3 te schorsen voor de duur van het vervolgonderzoek en op grond van het geconstateerde in het onderzoeksrapport.

Ik ga er vanuit dat de Raad van Toezicht stappen zet om - voor de duur van het vervolgonderzoek - het bestaan van een volwaardige bestuursfunctie te waarborgen. Ik ga er derhalve van uit dat er sprake zal zijn van een vorm van interim-bestuur. Het interim-bestuur acht ik de aangewezen opdrachtgever voor het vervolgonderzoek. Deze maatregelen zullen in overleg met het ministerie en het CFV worden genomen.

Ik heb de Raad van Toezicht stellig afgeraden om zelf op enig moment (tijdelijk)bestuursverantwoordelijkheid te nemen. Het departement hecht zeer aan functiescheiding als het gaat om bestuur en intern toezicht en met name het overnemen van bestuursverantwoordelijkheid door interne toezichthouders wordt als zeer ongewenst beschouwd."

2.18Bij brief van 25 januari 2010 heeft de raad van toezicht het bestuur het volgende meegedeeld:

"naar aanleiding van het verschijnen van het onderzoeksrapport van de commissie-Van Veen - dat wij op 22 december j.l. van u hebben ontvangen - vraagt de raad van toezicht het bestuur van Beter Wonen om als opdrachtgever op korte termijn een reactie te geven op het rapport alsmede op de bevindingen en aanbevelingen van de commissie-Van Veen. Een en ander was reeds geagendeerd voor het overleg dat tussen bestuur en RvT zou plaatsvinden op 4 januari jI.

Inmiddels heeft het ministerie van VROM/WWI - naar aanleiding van gesprekken met de commissie Van Veen, het bestuur en de RvT - al wel haar bevindingen en aanbevelingen opgesteld. Wij hebben van het ministerie begrepen dat u daarvan middels een brief op de hoogte bent gebracht. De RvT ontvangt graag een afschrift van de brief die het bestuur hierover van het ministerie van VROM/WWI heeft ontvangen, alsmede de brief die het bestuur aan het ministerie heeft gestuurd. Gezien de bevindingen en aanbevelingen van de commissie-Van Veen willen wij uw schriftelijke reactie op het rapport alsmede uw correspondentie met VROM/WWI graag op korte termijn met u bespreken."

2.19Het bestuur heeft hierop gereageerd bij brief van 27 januari 2010 en de raad onder meer het volgende meegedeeld:

"Het onderzoeksrapport heeft u - reeds eerder dan 22 december jl.- rechtstreeks

toegezonden gekregen van de heer Van der Star van het CFV, die dit aan het bestuur heeft bevestigd. Dat deze handelwijze onjuist is, is evident. Het bestuur is immers opdrachtgever van het onderzoek. Vervolgens heeft u reeds overleg gehad met het CFV, buiten het bestuur om, over het rapport. Althans over 1 punt in het rapport, de grondaankoop van "De Kule". Daarna heeft u, wederom zonder dat het bestuur op de hoogte werd gesteld, overleg gehad met VROM aangaande voornoemd punt. Vervolgens is door VROM met de onderzoekscommissie gesproken over, wederom uitsluitend, voornoemd punt én de in dat verband door de RvT geuite wens om twee bestuursleden te schorsen. Hieropvolgend werd het bestuur verordonneerd bij VROM te verschijnen. Aldaar heeft geen inhoudelijke bespreking van voornoemd punt plaatsgevonden, laat staan van het gehele rapport. Het bestuur werd uitsluitend meegedeeld dat de RvT twee bestuursleden wenste te schorsen en werd de twee bestuursleden verzocht om het niet zover te laten komen (met het oog op de zaak die onder de rechter ligt), doch om hangende het onderzoek naar voornoemd punt vrijwillig hun bestuurstaken neer te leggen. Aldus is op geen enkel moment het rapport en de aanbevelingen inhoudelijk besproken, noch heeft VROM haar bevindingen over het rapport naar aanleiding van voormelde gesprekken aan ons op schrift gesteld c.q. kunnen stellen. Tot op heden is een inhoudelijke bespreking van het rapport niet aan de orde geweest.

Evenmin hebben wij als bestuur een schriftelijke reactie op het rapport geformuleerd.

Reeds vanaf voor het moment van verschijnen van het rapport (14 december jl.) heeft u ons 7 dagen per week beziggehouden met schorsingen, annuleren van een algemene ledenvergadering, voornemens tot schorsingen, een vanwege uw handelen noodzakelijk te voeren kortgedingprocedure, wederom voornemens tot schorsingen en de in dat verband door u gezochte interventie van VROM.

Alvorens wij tot een schriftelijke reactie kunnen komen c.q. u ons de gelegenheid geeft daartoe te kunnen komen, dienen wij het rapport eerst te bespreken met de

onderzoekscommissie. Wij merken daarnaast op dat u ervan op de hoogte bent dat het bestuur elke maandagmiddag vergadert en dat de bestuursleden (ook) elders hun werkzaamheden hebben. Voor uw telkenmale overhaaste acties is in dat perspectief geen plaats, noch bestaat daartoe op enige grond een noodzaak.

Een bespreking op maandag 1 februari a.s. kan dan ook niet aan de orde zijn. (...)

Ten slotte wijzen wij er op dat wij u hebben uitgenodigd om agendapunten te berichten ten behoeve van de begin maart te houden algemene ledenvergadering. Wij wensen mede in het belang van de handhaving van de democratische structuur van de vereniging niet aan uw verzoek gehoor te geven om de agendapunten voor de komende ALV af te stemmen."

2.20 Bij brief van 28 januari 2010 heeft de raad het bestuur onder meer het volgende meegedeeld:

"Dat u als bestuur vooralsnog weigert uw standpunt met betrekking tot de inhoud van het rapport van de commissie-Van Veen bekend te maken, kan door de raad van toezicht (RvT) niet anders worden opgevat dan dat u de ernst van de inhoud van het rapport niet inziet of wilt inzien. Voorzover u de ernst van het rapport wel inziet, bent u kennelijk weigerachtig om naar aanleiding daarvan te handelen, met name ten aanzien van de integriteitsvragen die een aantal kwesties in het rapport oproepen, zoals ook inmiddels door het ministerie van VROM/WWI is onderkend. Onbegrijpelijk is dat u eerst het rapport zou moeten bespreken met de commissie alvorens daarop een schriftelijke reactie te kunnen geven. In dit verband wijzen wij er op dat u reeds uitgebreid overleg heeft gehad met de commissie over het conceptrapport, naar aanleiding waarvan het eindrapport door de commissie werd aangeboden. Verder merken wij op dat een reactie van het bestuur op de inhoud van het rapport reeds was geagendeerd voor het overleg dat op 4 januari j.l. zou plaatsvinden tussen het bestuur en de RvT.

De inhoud van het rapport, alsmede de laconieke houding van u als bestuur ten aanzien van de inhoud daarvan, vormen voor de RvT in zijn hoedanigheid van toezichthoudend orgaan alle aanleiding om een forensisch vervolgonderzoek te laten plaatsvinden, mede in het licht van mogelijk strafbare feiten. Ook in dat voornemen wordt de RvT bevestigd door zowel VROM/WWI als het CFV. De RvT zal in dat onderzoek onder meer de grondaankopen en het aanbestedingsbeleid bij alle projecten van Woningbouwvereniging "Beter Wonen" over een langere periode betrekken. (...)Teneinde een vervolgonderzoek op de kortst mogelijke termijn te laten aanvangen en te waarborgen dat een dergelijk onderzoek zal kunnen plaatsvinden zonder beïnvloeding daarvan door het bestuur, verzoekt de RvT het bestuur hangende het onderzoek tijdelijk terug te treden. Mocht u aan dit verzoek niet willen voldoen, dan is de RvT voornemens om tot schorsing van het bestuur over te gaan."

2.21 Het bestuur heeft op 29 januari 2010 de raad schriftelijk voor zover van belang het volgende meegedeeld:

"Het bestuur betreurt het dat u als RvT niet inziet dat u debet bent aan de situatie zoals die is ontstaan.

Zoals aangegeven heeft u niet de moeite genomen om ons eerder te vragen om een reactie op de bevindingen van de onderzoekscommissie. 4 januari jl. zou geen overleg tussen bestuur en RvT zijn geweest in dat verband. Die bijeenkomst had u voorzien voor het horen van de heren Eiser sub 3 en Eiser sub 4 in het kader van uw voornemen tot schorsing van beide heren.

Wij betwisten - mede gelet op het hierboven staande - ten stelligste uw conclusie dat het bestuur weigert een standpunt in te nemen met betrekking tot de inhoud van het rapport en meer in het bijzonder ten aanzien van concreet de grondaankoop De Kule. Dit klemt te meer nu het bestuur juist ten aanzien van het onderwerp in verband waarmee integriteitsvragen zijn gerezen expliciet het belang erkent van zorgvuldig handelen. Voor de goede orde en expliciet in tegenstelling tot hetgeen u kennelijk aanneemt en suggereert in uw brief - is er geen sprake van een integriteitskwestie ten aanzien van de heren Eiser sub 2 en Eiser sub 3. Ook de onderzoekscommissie heeft aangegeven dat de aankoop van De Kule een strategisch juiste keuze is geweest van het toenmalige (7-koppige) bestuur, welke beslissing is geaccordeerd door de toenmalige Raad van Toezicht. Zowel het ministerie als de onderzoekscommissie heeft bovendien het bestuur meegedeeld dat van enige verdenking jegens de heer Eiser sub 2 en de heer Eiser sub 3 geen sprake is, doch dat kernpunt is dat mogelijk derden de woningbouwvereniging zouden hebben benadeeld. Reden waarom het bestuur er op bedacht is hier omzichtig mee om te gaan. Wij dienen te voorkomen dat op voorhand verdenking c.q. beschuldiging van personen ontstaat, zonder dat eerst goed is nagedacht over de wijze van aanpak van een vervolgonderzoek. Daar zijn wij als bestuur al mee begonnen. Wij zijn voornemens in samenwerking met VROM het vervolgonderzoek te starten. In dat verband is eveneens van belang dat de bevindingen van de onderzoekscommissie, "niet op straat komen te liggen", danwel naar de pers gelekt worden, alvorens nader onderzoek heeft plaatsgevonden. Wij betreuren het dan ook ten zeerste ervan kennis te hebben moeten nemen dat niet alleen een aantal raadsleden van de gemeente Wieringen over een afschrift van het rapport beschikt, maar ook dat de lokale pers nu al weet dat er begin volgende week weer bestuursleden geschorst zullen worden. Wellicht dat u daarover enige opheldering kan verschaffen.

Wij wensen gelet op het voorgaande, en teneinde het uitsluitend wisselen van standpunten op schrift te doorbreken, de kwestie op maandagavond om 19.30 uur ten kantore van Beter Wonen met u te bespreken op constructieve wijze, in die zin dat wij met u het plan van aanpak voor het vervolgonderzoek bespreken. Daarbij is van belang dat het onderzoeksrapport en datgene dat momenteel nog niet helder is buiten de media wordt gehouden. Wij verzoeken u nadrukkelijk de belangen van alle betrokken personen (toenmalig bestuur, toenmalige RvT, notaris, makelaar) èn de vereniging met zorgvuldigheid in het vizier te houden. (Wederom) schorsen van bestuursleden kan in dat kader evenmin aan de orde zijn. Wij laten ons ter bespreking vergezellen van onze advocaat, om escalatie te voorkomen. Uiteraard staat het U vrij om ook uw advocaat bij de bespreking aanwezig te laten zijn.

Voorts wijzen wij u erop dat het bestuur haar verantwoordelijkheid heeft genomen bij het initiëren van een onderzoek. (...) Ook nu zal het bestuur de verantwoordelijkheid op zich nemen en, zoals vermeld, in samenwerking met VROM, opdracht geven tot het vervolgonderzoek.

Hierbij gaan afschriften van de briefwisseling tussen VROM en het bestuur ten aanzien van het verzoek om bestuurstaken vrijwillig neer te leggen in verband met nader onderzoek naar de grondaankoop van De Kule. Zoals wij u al berichtten met onze brief van 27 januari jI. heeft geen inhoudelijke bespreking plaatsgevonden van het onderzoeksrapport, noch is daarover tussen het bestuur en VROM gecorrespondeerd.

Ten slotte verzoeken wij u aan te geven of u nog steeds bereid bent om tot mediation te komen met één van de door de voorzieningenrechter voorgestelde personen. Wat het bestuur betreft is het thans uit te laten voeren nader onderzoek daarin geen beletsel. Ook in dit verband benadrukken wij dat het belang van de vereniging is wat telt."

2.21 Op deze laatste brief heeft de raad van toezicht als volgt gereageerd:

"Wij zien hierin geen aanknopingspunten om af te wijken van hetgeen wij gesteld hebben in onze brieven van resp. 25 januari j.l. en 28 januari j.l. aan het bestuur. Graag zien wij vóór zondag 31 januari 12.00 uur uw schriftelijke reactie op het rapport-Van Veen per mail tegemoet.

Deze reactie willen wij vervolgens met u bespreken op 1 februari a.s. om 20.00 uur in café De Harmonie. Tevens vernemen wij in dat gesprek uw reactie op het voorstel van de RvT aan u als bestuur om vrijwillig terug te treden, dan wel het voornemen van de RvT om u als bestuur te schorsen hangende het vervolgonderzoek.

U heeft aangegeven uw advocaat bij dat gesprek aanwezig te laten zijn. Wij hebben daar geen bezwaar tegen."

2.22 Op 29 januari 2010 heeft ook de voorzitter van de onderzoekscommissie, Van Veen, de raad zijn standpunt in deze kwestie meegedeeld. Daarbij heeft hij onder meer het volgende aangevoerd:

Met zorg heb ik kennis genomen van uw voornemen om het Bestuur te dwingen om op maandag 1 februari 2010 met u te spreken over het Rapport Van Veen.

U veronderstelt kennelijk ook dat er brievenwisseling is geweest tussen de

vertegenwoordigers van het Ministerie van Volkhuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu beheer (VROM) en het Bestuur over dit rapport en dat is nog niet het geval geweest. Het heeft dus ook niet veel zin om daarover met het Bestuur van gedachten te wisselen.

(...)

Ik ben het oneens met de vertegenwoordigers van VROM, waar we als Commissie een gesprek hebben gehad over het Rapport en u daarna hebt gesproken met VROM om twee bestuursleden van BW tijdelijk 'buiten dienst' te stellen, hangende nadere onderzoeken. Ik heb dat persoonlijk met klem ontraden en ik ontraad u ook om een dergelijke actie te nemen.

Het is in niemands belang en zeker niet in het belang van BW.

Er moeten prioriteiten gesteld worden in deze volgorde:

1. Zo snel mogelijk moet het mediationtraject worden gevolgd en afgerond;

2. De door VROM gewenste onderzoeken moeten snel worden gedaan en afgerond;

3. Op de ALV op 5 maart 2010 dienen de leden kennis te nemen van wat allemaal gepasseerd is sinds de laatste ALV en daar een oordeel over kunnen uitspreken.

4. Het Bestuur het te voeren beleid met u doorspreekt, zodra het Rapport is bestudeerd en het Bestuur zich daar een oordeel over heeft kunnen vormen.

Intussen dient BW bestuurd te worden en is het daarom noodzakelijk dat het Bestuur de rust en de gelegenheid krijgt om dat ook te doen. Dat kan alleen maar door de bestuursleden allen in functie te laten.

De onderzoeken dienen met de nodige vertrouwelijkheid behandeld te worden, daar voortijdige publicaties hierover - in welke vorm dan ook - nadelig kunnen zijn voor het onderzoek en zelfs juridische konsekwenties kan hebben, zoals schadeclaims."

2.23 Een bespreking tussen de raad en het bestuur heeft op 1 februari 2010 niet plaatsgevonden, waarna de raad het bestuur op 2 februari 2010 heeft ingelicht over het door hem genomen schorsingsbesluit. Daarbij is het volgende aangevoerd:

"In december is het onderzoeksrapport-Van Veen verschenen, naar aanleiding van een opdracht van woningbouwvereniging Beter Wonen. Hierin zijn naar de mening van de raad van toezicht verschillende integriteitsvraagstukken naar boven gekomen die aanleiding geven tot vervolgonderzoek. Dat onderzoek zal ons inziens een forensisch karakter moeten hebben, gelet op de mogelijkheid van strafbare feiten. In die opvatting worden wij gesteund door het ministerie van VROM/WWI en het CFV.

Na overleg met de onderzoekscommissie, het bestuur van Beter Wonen en de raad

van toezicht van Beter Wonen heeft het ministerie van VROM/WWI aan twee leden van het bestuur - dhr. Eiser sub 2 en dhr. Eiser sub 3 - het dringende verzoek gedaan om hangende het vervolgonderzoek vrijwillig terug te treden, omdat zij mede object van onderzoek zullen zijn. In verschillende brieven aan het ministerie en aan de raad van toezicht van Beter Wonen heeft u als bestuur te kennen gegeven aan dat verzoek niet gevolg te zullen geven.

Inmiddels zijn na de aanbieding van het rapport meer dan zes weken verstreken. De

raad van toezicht heeft verschillende keren verzocht aan het bestuur om een

schriftelijke reactie te geven op c.q. een standpunt in te nemen ten aanzien van de

inhoud en bevindingen van het onderzoeksrapport. Tot op heden hebben wij uw

reactie niet ontvangen.

Ook hebben wij verschillende keren tevergeefs getracht om u te horen over de

inhoud en bevindingen van het rapport. Daarnaast heeft het bestuur in verschillende

brieven aan de raad van toezicht er blijk van gegeven de ernst van de

integriteitsvraagstukken die uit het rapport naar voren komen vooralsnog niet in te

(willen) zien.

Wij zijn van mening dat, gelet op het bovenstaande, een terugtreding van het gehele bestuur voor de duur van ten minste het vervolgonderzoek noodzakelijk is, zodat het vervolgonderzoek ongestoord kan plaatsvinden en de bestuurlijke integriteit van de woningbouwvereniging niet in het geding komt. Hierbij delen wij u mede dat de raad van toezicht naar aanleiding van het voorgaande besloten heeft u met onmiddellijke ingang te schorsen als bestuur van woningbouwvereniging Beter Wonen voor de duur van ten minste het vervolgonderzoek.

De raad van toezicht benadrukt dat het hiervoor bedoelde vervolgonderzoek niet

betekent dat tegen (leden van) het bestuur enige verdenking is gerezen. Omdat een

vervolgonderzoek mede bestuurshandelingen tot onderwerp zal hebben, dient daarbij (de schijn van) een verstrengeling van bij (leden van) het bestuur betrokken belangen te worden voorkomen.

Teneinde de bestuurlijke continuïteit van de vereniging te waarborgen zal

overeenkomstig het bepaalde in de statuten van Beter Wonen - door twee leden in

de raad van toezicht in het bestuur van de vereniging worden voorzien. De

betreffende leden van de raad van toezicht zullen zich daarbij professioneel laten

bijstaan en trachten te verrichten bestuurshandelingen te beperken tot het strikt

noodzakelijke in afwachting van een andere (interim) invulling van het bestuur. Op de eerstkomende ALV zal voor een interimoplossing een voorstel aan de leden worden gedaan. Op die ALV zal ook de schorsing van het bestuur aan de leden worden voorgelegd."

2.24 Op dit schorsingsbesluit heeft het bestuur bij brief van 3 februari 2010 als volgt gereageerd:

"Met uw schorsingsbericht van heden heeft u uw lang door u ingezette en door ons voorziene koers voortgezet.

(...) Meer in het bijzonder - en wij hebben u dat al eerder meegedeeld - gaat het erom dat mogelijk derden (en niet het toenmalige bestuur) de bedrijfsvereniging hebben benadeeld. Daarenboven is het nog altijd aan het bestuur zelf én de ALV om te oordelen of zij het verstandig acht bestuurstaken neer te leggen in het kader van een mogelijke belangenverstrengeling. Wel, wij kunnen u meedelen, zoals wij al eerder hebben gedaan, dat er voor ons geen reden is om de bestuurstaken neer te leggen. (...)

Wij erkennen uw onrechtmatig genomen schorsingsbesluit niet en zullen onze taken voortzetten. Ook zullen wij dit schorsingsbesluit wederom aan de rechter voorleggen."

2.25 Op 8 februari 2010 heeft overleg plaatsgevonden tussen de heer F. Gedaagde sub 4 (hierna: Gedaagde sub 4), een van de door de raad uit zijn midden aangewezen interimbestuurders, de adviseur van de raad de heer Parie en Eiser sub 4. In deze bijeenkomst is een voorstel van het bestuur besproken inhoudende dat de opdracht tot het geven van een nader onderzoek gezamenlijk zou worden gegeven door Eiser sub 4 en Gedaagde sub 4 na het samen formuleren van de onderzoeksvragen, waarbij voorrang zou worden gegeven aan de door VROM geformuleerde onderzoeksvragen, en dat Eiser sub 2 en Eiser sub 3 hun taken als bestuurder tot 1 maart 2010 niet zouden verrichten in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

2.26 Na intern beraad heeft de raad dit voorstel van de hand gewezen.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

in conventie

3.1 Het bestuur vordert (zoals gewijzigd ter zitting van 19 februari 2010) - verkort weergegeven - primair de vernietiging van het schorsingsbesluit van de raad van het gehele bestuur en subsidiair vernietiging van het schorsingsbesluit genomen ten aanzien van Eiser sub 4, met veroordeling van de raad in de kosten van het geding, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2 Het bestuur legt hieraan ten grondslag dat schorsing jegens haar onrechtmatig is omdat het besluit op ontoereikende gronden is genomen. Verder heeft de raad een aantal procedure-eisen niet in acht genomen. Zij heeft niet de moeite genomen het bestuur te vragen hoe zij dacht om te gaan met de bevindingen in het rapport van de onderzoekscommissie en heeft het bestuur niet gehoord over het voornemen tot schorsing. Zij heeft het bestuur voor een taak gesteld waaraan deze niet kon voldoen en die met het oog op de voorgenomen schorsing ook niet van belang was: een schriftelijke reactie op het gehele rapport binnen een week. Het uitblijven van die reactie levert geen grond op voor een ernstige maatregel als schorsing.

3.3 Verder is het bestuur van opvatting dat de raad met de brief van VROM/WWI "aan de haal" is gegaan. De raad miskent onder meer dat VROM/WWI erop heeft aangedrongen dat de bestuursleden Eiser sub 2 en Eiser sub 3 geen bestuurstaken zouden verrichten voor de duur van het vervolgonderzoek, maar dat dit onderzoek nog niet is gestart.

3.4 De raad van toezicht heeft verweer gevoerd. Voor zover voor de beslissing van belang wordt daarop hierna nader ingegaan.

in reconventie

3.5 De raad van toezicht vordert - verkort weergegeven - dat het bestuur veroordeeld zal worden gevolg te geven aan het schorsingsbesluit van de raad van 2 februari 2010, alsmede dat zij wordt veroordeeld om de raad ongehinderd de toegang tot het bedrijfspand van Beter Wonen te verlenen en ongehinderd in staat te stellen het bestuur over Beter Wonen te voeren, een en ander met veroordeling van het bestuur in de kosten dit geding, te vermeerderen met de rente en de nakosten.

3.5De raad van toezicht legt hieraan ten grondslag dat het bestuur het door de raad genomen schorsingsbesluit 2 februari 2010 naast zich neer heeft gelegd en dat zij de leden van de raad die als interim bestuurders zijn aangewezen niet in de gelegenheid stelt die taak uit te oefenen: aan de interim bestuurders is geen toegang verleend tot het gebouw van Beter Wonen en zij zijn niet in staat gesteld overleg te voeren met het personeel van Beter Wonen.

3.6Het bestuur heeft verweer gevoerd. Voor zover voor de beslissing van belang wordt daarop hierna nader ingegaan.

4.DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

in conventie

4.1 De raad van toezicht heeft op drie gronden betoogd dat het bestuur niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vorderingen. Daartoe heeft de raad in de eerste plaats aangevoerd dat het bestuur in strijd met de goede procesorde pas één dag voor de zitting van 19 februari 2010 haar gewijzigde conclusie van eis aan de voorzieningenrechter en de raad heeft doen toekomen, terwijl de nieuwe datum al meer dan een week bekend was.

4.2 Hieromtrent wordt het volgende overwogen. Gebleken is dat de raad van toezicht de eerder door haar ingezette lijn, die reeds had geleid tot het kort geding van 4 januari 2010, na die zitting onverminderd heeft voortgezet. Aangezien de eerdere zitting in kort geding erop gericht was de effectiviteit aan de toenmalige schorsing van Eiser sub 2 te ontnemen, was het voor de raad in dit geval voorzienbaar dat de vordering van het bestuur erop gericht zou zijn het effect aan de nieuwe schorsingsbesluiten te ontnemen. Door mr. Van Langeveld is desgevraagd ook beaamd dat hij met die mogelijkheid rekening heeft gehouden. De inhoud van de uitvoerige pleitnota en de overgelegde producties wekken geenszins de indruk dat de raad op enige wijze is belemmerd doordat zij geen kennis droeg van de gewijzigde eis. Niet gezegd kan dan ook worden dat de raad op enigerlei wijze in haar belangen is geschaad doordat die eis niet eerder dan de dag voor de zitting aan haar ter kennis is gebracht. Dit verweer faalt dus.

4.3 In de tweede plaats heeft de raad aangevoerd dat de vordering strekt tot vernietiging en dat een dergelijke vordering in kort geding niet kan worden toegewezen, omdat dit immers geen voorlopige maatregel betreft. In de derde plaats heeft de raad betoogd dat de vordering niet tegen de raad van toezicht maar tegen Beter Wonen had moeten worden ingesteld. De raad verwijst in dit verband naar het bepaalde in artikel 2:15 BW, waarin is vastgelegd dat een vordering tot vernietiging van een besluit van een orgaan van de rechtspersoon moet worden ingesteld tegen die rechtspersoon.

4.4 De voorzieningenrechter zal deze twee gronden gezamenlijk behandelen. Op zichzelf is juist dat de gewijzigde eis van de soort is die in kort geding niet kan worden toegewezen. Ter zitting is echter door het bestuur aangegeven dat het haar er om begonnen is dat de raad van toezicht wordt verboden de thans voorliggende schorsingsbesluiten verder te effectueren. Het is redelijk om de ingestelde vorderingen dienovereenkomstig op te vatten. Het betreft hier een aangehouden kort geding, waarin anders geformuleerde vorderingen voorlagen, die waren gericht tegen een eerdere schorsing c.q. voornemen daartoe van de betrokken bestuursleden. Juist doordat de wijziging zo laat is doorgevoerd zal de raad van toezicht in de dagen voorafgaand aan 19 februari 2010 in de veronderstelling hebben verkeerd dat de voortzetting er toe strekte op te komen tegen effectuering van de nieuwe schorsing. Het ter zitting gevoerde inhoudelijk verweer laat zich ook zonder verlies aan betekenis lezen als verweer tegen een dergelijke vordering, hetgeen meebrengt dat de raad, door de vordering aldus op te vatten niet in haar procesbelangen is geschaad.

4.5 De slotsom is dat het bestuur kan worden ontvangen in haar vorderingen.

In conventie verder en in reconventie

4.6 Centraal staat de vraag of valt te verwachten dat het door de raad genomen besluit tot schorsing van het gehele bestuur een toetsing op rechtmatigheid in een bodemprocedure zal doorstaan. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de door de raad gevolgde procedure en de door de raad gebezigde gronden.

procedure

4.7 In art. 13 van de statuten van Beter Wonen is voorgeschreven dat de raad van toezicht een bestuurslid niet schorst dan nadat deze de gelegenheid is geboden te worden gehoord. Een behoorlijke nakoming van die hoorplicht brengt mee dat de gronden waarop de raad voornemens is tot schorsing over te gaan aan de betrokkene ter kennis wordt gebracht en dat de betrokkene een redelijke termijn wordt gegeven om een reactie op die gronden voor te bereiden. De betrokkene dient de gelegenheid te krijgen om alles naar voren te brengen wat met het oog op een juiste beoordeling van de merites van het schorsingsvoornemen van belang zou kunnen zijn.

4.8 De hiervoor weergegeven gang van zaken wekt niet de indruk dat de raad van toezicht van de implicaties van dit procedurevoorschrift voldoende doordrongen is geweest. Om te beginnen heeft de raad van toezicht in de communicatie onvoldoende helderheid geschapen omtrent de gronden waarop schorsing van het gehele bestuur wordt overwogen. Dat voornemen is in de sub 2.20 weergegeven brief van 28 januari 2010 geuit en daar opgevoerd als dreigement om het bestuur te bewegen hangende het in die brief besproken vervolgonderzoek tijdelijk terug te treden. Gronden voor de schorsing worden in die brief niet genoemd. Die gronden worden wel genoemd in de brief van 2 februari 2010. Die brief bevat echter geen uiteenzetting van een voornemen tot schorsing, maar het schorsingsbesluit.

4.9 De slotsom kan dan ook geen andere zijn dan dat het bestuur niet in de gelegenheid is geweest om haar visie op de voorgenomen schorsing behoorlijk kenbaar te maken voordat tot die schorsing werd overgegaan.

materieel

4.10 Voor ingrijpen in kort geding is meer nodig dan alleen de constatering dat een procedurevoorschrift is geschonden. Inmiddels heeft de raad van toezicht immers kennis genomen van de opvattingen van het bestuur omtrent de schorsing en de daartoe gebezigde gronden en heeft zij te kennen gegeven dat die opvattingen geen aanleiding zijn om anders over de schorsing te denken dan op 2 februari 2010. Zij heeft daarbij benadrukt dat de inhoud van het rapport van de onderzoekscommissie op zichzelf geen aanleiding is geweest om over te gaan tot schorsing en heeft daaraan toegevoegd dat zij ook niet uit geweest is op schorsing van het bestuur, maar op vrijwillige terugtred door het bestuur. Verder heeft ze opgemerkt dat de inhoud van het rapport aanleiding geeft tot een vervolgonderzoek terwijl het bestuur (als college) daaraan weigert mee te werken.

4.11 Aan de orde is de vraag of te verwachten is dat de bodemrechter zal oordelen dat de door de raad aldus gepreciseerde gronden toereikend zijn om tot schorsing van het gehele bestuur over te gaan.

4.12 Bij de beantwoording van die vraag moet allereerst worden opgemerkt dat de raad, anders dan zij doet voorkomen, zich langs een omweg wel degelijk door de inhoud van het rapport heeft laten leiden. Zij motiveert de noodzaak tot schorsing immers met verwijzing naar de opstelling van het bestuur ten aanzien van het verzoek van VROM/WWI aan de bestuursleden Eiser sub 2 en Eiser sub 3 om vrijwillig terug te treden, welk verzoek is gegrond op een tweetal passages in het rapport van de onderzoekscommissie. Indirect is aldus wel degelijk van belang hoe over dat rapport moet worden gedacht. De opstelling van het bestuur ten aanzien van dat rapport kan immers niet los worden gezien van de vraag of de inhoud inderdaad aanleiding geeft tot de bedenkingen die in de sub 2.17 weergegeven brief van VROM/WWI worden geuit.

4.13 Verder verdient opmerking dat woningbouwcorporaties werken mede met publiek geld werken en een publiek belang dienen. Integriteit van hun bestuurders is van groot maatschappelijk belang. In geval omtrent die integriteit twijfel ontstaat dient daarop zodanig te worden gereageerd dat die twijfel wordt weggenomen.

4.14 De raad van toezicht heet op dat vlak uiteraard een rol. Die rol omvat enerzijds de zorg dat gesignaleerde aanwijzingen die grond voor die twijfel vormen worden onderzocht en dat op de resultaten van dat onderzoek, indien nodig, actie wordt ondernomen, anderzijds de zorg voor het belang van de betrokken bestuurders dat zij niet lichtvaardig worden beschuldigd. De raad van toezicht zal zich in de uitoefening van haar rol rekenschap behoren te geven van het feit dat zij opereert als orgaan van een vereniging, waarin de bevoegdheid om een oordeel te vormen uiteindelijk toekomt aan de algemene ledenvergadering.

4.15 Toepassing van die uitgangspunten op de onderhavige casus brengt mee dat de raad weliswaar betekenis mag toekennen aan de vraag hoe VROM/WWI het onderzoeksrapport leest, maar daarop niet blind mag varen. Zij heeft een eigen verantwoordelijkheid om zich een oordeel te vormen over de vraag of hetgeen in het rapport is opgenomen grond kan zijn om van bestuurders te eisen dat ze gevolg geven aan een verzoek van VROM/WWI om hangende een vervolgonderzoek terug te treden.

4.16 Voor zover dit oordeel in de stellingname van de raad van toezicht is begrepen, wordt het volgende opgemerkt.

4.17 Wat betreft het eerste punt uit de brief van VROM/WWI, aankoop De Kule 25 Den Oever, schrijft de commissie op pagina 22 van haar rapport dat zij het opmerkelijk vindt dat de bemiddelend makelaar het onroerend goed De Kule te Den Oever niet rechtstreeks namens Beter Wonen heeft aangekocht van de oorspronkelijke eigenaar voor een vraagprijs van euro 250.000,--, maar het op eigen naam van een vastgoedhandelaar heeft aangekocht voor een bedrag van euro 400.000,-- en het voor dezelfde prijs heeft doorverkocht aan Beter Wonen. Uit die beschrijving blijkt dat door die gang van zaken er mogelijk sprake is geweest van prijsopdrijving. Deze passages nopen inderdaad tot nader onderzoek, hetgeen door het bestuur ook niet wordt bestreden. Voor het uitspreken van twijfel aan de integriteit van de bestuursleden die las leden van het toenmalige bestuur bij deze transactie betrokken waren (Eiser sub 2 en Eiser sub 3) is echter tevens nodig dat er aanwijzingen bestaan voor betrokkenheid van deze personen bij de prijsopdrijving. Die zijn er niet.

4.18 Het tweede punt uit de brief van VROM/WWI betreft de omstandigheid dat de commissie nvoldoende onderbouwing heeft aangetroffen voor de door een architect aan Beter Wonen in rekening gebrachte kosten. Ook de acceptatie van facturen van een architect die naar accountantsmaatstaven onvoldoende zijn verantwoord, vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grond om zonder verder onderzoek twijfel uit te spreken aan de integriteit van een bestuurder. Op voorhand zou genoemde acceptatie hooguit kunnen worden aangemerkt als een aanwijzing voor slordig bestuur.

4.19 Voor zover de schorsing wordt gemotiveerd met verwijzing naar de houding van het bestuur ten opzichte van het rapport wordt allereerst opgemerkt dat de raad van toezicht niet kan volhouden dat het bestuur weigert mee te werken aan een vervolgonderzoek. Hooguit kan worden gezegd dat het bestuur niet in alle opzichten naar de pijpen van de raad van toezicht heeft willen dansen.

4.20 Verder wordt overwogen dat de houding van het bestuur ten opzichte van de ontstane situatie als geheel niet los kan worden gezien van de houding van de raad van toezicht ten opzichte van diezelfde situatie. Hoewel de raad ter zitting van 4 januari 2010 met het bestuur had afgesproken een mediationtraject in te gaan, heeft zij zich al in de week na de zitting gewend tot VROM/WWI, met als resutaat onder meer de sub 2.17 weergegeven brief. De raad heeft de steun van VROM/WWI vervolgens vooral gebruikt als nieuwe stof in reeds eerder gezochte conflict met het bestuur. Zij heeft zich daarbij niet beperkt tot pogingen om de door VROM/WWI voorgestane interim-situatie -terugtred van de bestuurders Eiser sub 2 en Eiser sub 3- te bereiken en is ook niet op haar schreden teruggekeerd nadat dit op 8 februari door het bestuur is voorgesteld. Zij is blijven koersen op het overnemen van het bestuur, daarmee de opvatting van VRM/WWI op dit punt in de wind slaand.

4.21 De raad heeft zich wat dit laatste betreft beroepen op art. 28 lid 3 van de staturen waarin is bepaald dat in gevallen waarin het bestuur komt te ontbreken, de raad van toezicht tijdelijk het bestuur waarneemt. Volgens haar kon in afwachting van de nog te houden algemene ledenvergadering niet anders in het bestuur kon worden voorzien dan door het aanwijzen van twee interim-bestuurders uit de raad.

4.22 De voorzieningenrechter deelt die opvatting niet. De omstandigheid dat de raad bij schorsing van het gehele bestuur door de statuten in de door haar geschetste positie werd gebracht is eens te meer een aanwijzing dat de raad niet uit is geweest op voorzichtigheid. De raad had bestuurslid Eiser sub 4 immers in functie kunnen laten, daarmee voorkomend dat het bestuur komt te ontbreken Ook had de raad, na te hebben geconstateerd dat het bestuur haar lichtvaardig genomen schorsingsbesluit niet opvolgde, kunnen deëscaleren door in stemmen met het door Eiser sub 4 op 8 februari 2010 namens het bestuur gedane voorstel dat Peters en Eiser sub 3 zouden terugtreden en dat er een interim-bestuur zou worden gevormd door bestuurslid Eiser sub 4 en raad van toezicht lid Gedaagde sub 4. Dan had dezelfde week de opdracht tot het nader onderzoek kunnen zijn verleend en hadden eerste bevindingen wellicht op 5 maart aan de algemene ledenvergadering kunnen worden gerapporteerd.

4.23 De raad heeft wat dit laatste betreft opgemerkt dat er op 8 februari 2010 geen vertrouwen meer bestond in Eiser sub 4 omdat hij in de periode voorafgaand aan de schorsing steeds vierkant achter zijn medebestuurders was blijven staan. Ook heeft de raad aangevoerd dat er geen vertrouwen bestond in een daadwerkelijke samenwerking ten aanzien van het vervolgonderzoek omdat gebleken was dat Eiser sub 4, als bestuurder en terwijl hij officieel geschorst was, op de dag van het overleg al een afspraak had met een onderzoeksbureau over een vervolgonderzoek. Een en ander kon in de geschetste omstandigheden echter geen reden zijn om niet in te gaan op het voorstel. Wat het eerste betreft: Eiser sub 4 had als bestuurslid het recht om een eigen oordeel te vormen omtrent de betekenis van de inhoud van het rapport voor de positie van zijn medebestuurders. De omstandigheid dat Eiser sub 4 achter zijn medebestuurders is blijven staan is in het licht van hetgeen omtrent de houding van de raad is opgemerkt niet onbegrijpelijk. Niet gezegd kan worden dat Eiser sub 4 aldus het rapport niet serieus nam. En wat het tweede betreft heeft Eiser sub 4 ter zitting een verklaring omtrent zijn gedragslijn gegeven, die meebrengt dat daarin geen grond voor gebrek aan vertrouwen gelegen kan worden geacht.

4.24 Op grond van al het vorenstaande, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat te verwachten is dat de bodemrechter zal oordelen dat de raad ook materieel gezien niet voldoende redenen had om tot schorsing van het gehele bestuur over te gaan en al helemaal niet om die schorsing na 8 februari te handhaven.

consequenties voor de vorderingen

4.25 Bij de vraag welke voorzieningen passend zijn is het volgende van belang:

* ter ziting zijn namens de raad van toezicht mededelingen gedaan die inhouden dat zij overweegt terug te treden indien de door haar gevolgde koers in rechte geheel of ten dele geen stand houdt. Dat brengt mee dat niet zeker is dat de eerder door het bestuur voorgestelde interim-voorziening nog steeds een begaanbare weg is;

* het is uit een oogpunt van zuiverheid wenselijk dat de bestuursleden Eiser sub 3 en Eiser sub 2 geen bemoeienis hebben met de inrichting van het vervolgonderzoek;

* op 5 maart 2010 is een algemene ledenvergadering gepland.

4.26 De voorzieningenrechter is van oordeel dat de raad van toezicht onder de geschetste omstandigheden moet worden verboden om de schorsing van het bestuur langer te effectueren. De voorzieningenrechter zal de vordering in conventie, opgevat als sub 4.4 omschreven, dan ook toewijzen. De voorzieningenrechter gaat er daarbij vanuit dat het bestuur conform het op 8 februari 2010 gedane voorstel in de interim situatie voorziet voor zover de opstelling van de raad van toezicht haar dat mogelijk maakt, en dat de bestuurders Eiser sub 2 en Eiser sub 3 geen bemoeienis zullen hebben met de opdracht tot en inrichting van het vervolgonderzoek.

4.27 De vordering in reconventie wordt afgewezen.

4.28 De raad van toezicht zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding, zowel in conventie als in reconventie.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

in conventie

- gelast de raad van toezicht het schorsingsbesluit van 2 februari 2010 niet verder te effectueren;

- veroordeelt de raad van toezicht in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van het bestuur begroot op euro 347,98 aan verschotten en op euro 1.632,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening;

in reconventie

- weigert de gevorderde voorzieningen;

- veroordeelt de raad van toezicht in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van het bestuur begroot op nihil aan verschotten en op euro 816,-- aan salaris advocaat.

Gewezen door mr. A.H. Schotman, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2010 in tegenwoordigheid van C. Vis-van Zanden, griffier.