Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BL6373

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
03-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
14.700930-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 subsidiair artikel 5 Wegenverkeerswet. Verkeersongeval. Algehele vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2010/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

SECTOR STRAF

parketnummer : 14/700930-08 (P)

datum uitspraak : 3 maart 2010

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 februari 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. P.T.M. van Diepen, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 11 februari 2008 te Nieuwe Niedorp, gemeente Niedorp, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Provincialeweg N242 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,- zich er niet, althans onvoldoende van te vergewissen dat tegemoetkomend verkeer naderde en/of

- één of meer voor hem in dezelfde richting rijdende voertuig(en) in te halen en/of

- zijn inhaalmanoeuvre voort te blijven zetten, terwijl tegemoetkomend (zeer) dicht naderde en daartoe lichtsignalen gaf,

en toen op enig moment (abrupt) naar rechts heeft gestuurd, teneinde zijn voertuig tussen twee aldaar rijdende voertuigen in te voegen, waarna één of meer voor en/of achter hem in dezelfde richting rijdend voertuigen moesten afremmen, althans hun snelheid moesten aanpassen en/of ten gevolge van een schrikreactie hebben afgeremd, waardoor een achter verdachte rijdend voertuig (trekker met oplegger) naar links moest uitwijken (om een aanrijding met een voor die trekker met oplegger rijdend voertuig te voorkomen) en daarbij op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer in aanrijding of botsing is gekomen met een (zeer) dicht genaderd voertuig (personenauto) waardoor de bestuurder van laatstgenoemd voertuig (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bekken (op drie plaatsen) en/of tien gebroken ribben en/of vijf gebroken rugwervels en/of miltbeschadiging (verwijderd) en/of een gescheurde linkernier en/of een geperforeerde long en/of een gescheurd middenrif en/of diverse kneusingen aan hart en/of hersens en/of lever, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 februari 2008 te Nieuwe Niedorp, gemeente Niedorp, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee heeft gereden op de weg, de Provincialeweg N242, en toen zich er niet, althans onvoldoende van heeft vergewist dat tegemoetkomend verkeer naderde en/of één of meer voor hem in dezelfde richting rijdende voertuig(en) heeft ingehaald en/of zijn inhaalmanoeuvre voort is blijven zetten, terwijl tegemoetkomend (zeer) dicht was genaderd en daartoe lichtsignalen gaf, en toen op enig moment (abrupt) naar rechts heeft gestuurd, teneinde zijn voertuig tussen twee aldaar rijdende voertuigen in te voegen, waarna één of meer voor en/of achter hem in dezelfde richting rijdend voertuigen moesten afremmen, althans hun snelheid moesten aanpassen en/of ten gevolge van een schrikreactie hebben afgeremd, waardoor een achter verdachte rijdend voertuig (trekker met oplegger) naar links moest uitwijken (om een aanrijding met een voor die trekker met oplegger rijdend voertuig te voorkomen) en daarbij op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer in aanrijding of botsing is gekomen met een (zeer) dicht genaderd voertuig (personenauto), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Vrijspraak

A. De rechtbank stelt de volgende feiten vast.

Op de vroege ochtend van 11 februari 2008 heeft verdachte met zijn personenauto gereden op de Provincialeweg N242 te Nieuwe Niedorp. Verdachte heeft via de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomend verkeer, een voor hem rijdende vrachtwagen, bestuurd door [naam bestuurder], en vervolgens een Mercedes bestelbusje, bestuurd door

[getuige], ingehaald. Voor het busje reed op dat moment een Audi, bestuurd door [betrokkene]. Verdachte is achter de Audi ingevoegd.

Nadat verdachte achter de Audi is ingevoegd, hebben verschillende bestuurders voor de auto van verdachte hard geremd. Daarna zijn verdachte en de achter hem rijdende bestuurder van het busje en de vrachtwagen eveneens gaan remmen. De vrachtwagenbestuurder is vervolgens naar links uitgeweken om een aanrijding met het (kort) voor hem rijdende busje te voorkomen. Bij deze manoeuvre is de vrachtwagen op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen en is tegen een personenauto, bestuurd door [slachtoffer], aangereden. [slachtoffer] heeft door dit ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft op de terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair aan verdachte ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gesteld dat uit de stukken en het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Het was nog schemerig en verdachte is gaan inhalen op het moment dat er een tegenligger naderde. Verdachte heeft aldus een onjuiste inschatting gemaakt toen hij wilde inhalen en heeft vervolgens deze gevaarlijke manoeuvre voortgezet en is deze manoeuvre blijven voortzetten. Bovendien heeft verdachte niet geanticipeerd op het rijgedrag van anderen. Hij had in een eerder stadium zijn inhaalmanoeuvre moeten afbreken. Op het moment dat verdachte met zijn voertuig naar rechts is gegaan, zijn de bestuurders voor en achter verdachte gaan remmen, mogelijk ten gevolge van een schrikreactie. Het remmen door deze bestuurders is onlosmakelijk verbonden met de gedragingen van verdachte.

C. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich ervan heeft vergewist dat hij op een verantwoorde wijze kon inhalen. Hij kon de situatie goed inschatten. Het was een overzichtelijke situatie, het zicht was goed en de afstand tot de tegenligger was minimaal 500 meter. Hij had dan ook voldoende tijd om een inhaalmanoeuvre te verrichten. Hij heeft de vrachtwagen en een wit busje ingehaald en wilde ook de Audi inhalen, toen bleek dat er op dat moment voor de vrachtwagen minder ruimte was om in te voegen dan vóór de Audi. Op het moment dat hij echter naast de Audi reed, heeft de bestuurder van de Audi gas bijgegeven en het gat dichtgereden. Verdachte heeft vervolgens bijgeremd en is achter de Audi ingevoegd.

De raadsman heeft op de terechtzitting vrijspraak gevorderd van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het aan de schuld van zijn cliënt te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Ook zou niet zijn cliënt, maar de bestuurder van de Audi een gevaarzettende handeling hebben verricht, zodat ook voor het subsidiaire feit vrijspraak moet volgen.

De raadsman heeft aangevoerd dat zijn cliënt door bij te remmen en achter de Audi in te voegen geen onlogische manoeuvre heeft gemaakt. Nadat zijn cliënt was ingevoegd, heeft de Audi krachtig geremd. Ten gevolge van deze handeling heeft verdachte hard moeten remmen en hebben ook de voertuigen achter verdachte krachtig geremd. De vrachtwagenbestuurder is uitgeweken waarna hij tegen een tegemoetkomende personenauto is gebotst. Daarbij is het de vraag of de vrachtwagenchauffeur wel op deze wijze naar links heeft moeten uitwijken. De remmanoeuvre, waardoor het ongeval is ontstaan, is redelijkerwijs niet toe te rekenen aan de gedragingen van zijn cliënt, maar is veroorzaakt door het handelen van de bestuurder van de Audi.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat er sprake is van een aan de schuld van verdachte te wijten verkeersongeval. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op de dag van het ongeval heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij door de remmanoeuvre van de bestuurder van de Audi moest remmen, waarna ook de voertuigen achter hem moesten afremmen. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] die in zijn Mercedesbus voor de vrachtwagen reed, op het moment dat verdachte de vrachtwagen en daarna hem inhaalde. [getuige] heeft gezien dat verdachte ook de voor hem rijdende Audi wilde inhalen. Op het moment dat verdachte naast de Audi reed, heeft de bestuurder van de Audi, volgens verdachte én ook volgens deze getuige, gas gegeven en ‘het gat dichtgereden’. Verdachte moest daardoor afremmen en is vervolgens voor het voertuig van [getuige], de Mercedesbus, ingevoegd. De bestuurder van de Audi reed door zijn eerdere handelswijze (het gas bijgeven) te dicht op zijn voorganger, waardoor hij weer moest afremmen. Hierdoor moest ook verdachte remmen, ten gevolge waarvan ook [getuige] behoorlijk heeft geremd. De vrachtwagen is vervolgens uitgeweken, waarna het ongeval is ontstaan.

Op grond van de deze verklaringen – van verdachte en van de getuige [getuige] – valt naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat de voor en achter verdachte rijdende voertuigen hebben geremd, niet vanwege een schrikreactie ten gevolge van de invoegactie van de verdachte, maar doordat de vóór verdachte rijdende bestuurder van de Audi heeft geremd.

De omstandigheid dat verdachte auto’s heeft ingehaald, heeft bijgeremd en vervolgens voor het busje is ingevoegd, is naar het oordeel van de rechtbank als zodanig onvoldoende om bewezen te verklaren dat verdachte schuld heeft aan het ongeval, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Niet is komen vast te staan dat de voor verdachte rijdende bestuurders door een schrikreactie vanwege het invoegen van verdachte zijn gaan remmen en niet kan worden uitgesloten dat het ongeval door een kettingreactie op de remmanoeuvre van de bestuurder van de Audi is ontstaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het causale verband tussen de verweten gedraging en het verkeersongeval is doorbroken en dat evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte door zijn gedragingen gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van zowel het primair, als het subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank realiseert zich dat het ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt bij het slachtoffer, die daar nog zeer lang de gevolgen van moet dragen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat onder de uit het dossier en de op de zitting gebleken omstandigheden de verdachte daarvan geen strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt.

5. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.A. Egter van Wissekerke, voorzitter,

mr. M. Lolkema en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. van Aert, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2010.

mr. F.A. Egter van Wissekerke

is buiten staat dit vonnis mede

te ondertekenen