Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BL4897

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
03-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
301989 \ CV EXPL 09-3207 \RvK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op de dag van dagvaarding nog niet verjaard. Beroep van gedaagde op verjaring verworpen omdat de verjaringstermijn niet eerder begint te lopen dan op het moment dat het Waarborgfonds de schade heeft geleden, zijnde het moment dat het Waarborgfonds de schade heeft uitgekeerd aan Univé.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 301989 \ CV EXPL 09-3207 \RvK

Uitspraakdatum: 3 februari 2010

Vonnis in de zaak van:

de stichting Stichting Waarborgfonds Motorverkeer, gevestigd te Rijswijk

eisende partij

verder ook te noemen: het Waarborgfonds

gemachtigde: AGC Gerechtsdeurwaarders & Incasso

tegen

[naam], wonende te ’t Zand NH, gemeente Zijpe

gedaagde partij

verder ook te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M. Verhoog, advocaat te Heerhugowaard

[toevoeging: 4HP0706]

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 24 juni 2009 met producties;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met producties.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is de uitspraak bepaald op heden.

De vaststaande feiten

1. Op 16 maart 2003 vond te Heerhugowaard een ongeval plaats waarbij [gedaagde] als bestuurder van de auto, merk Opel, met kenteken [...] en [als bestuurder] van de auto, merk Ford, met kenteken [...] betrokken waren.

2. Het Waarborgfonds heeft Van Turnhout via Interpolis Schade NV schadeloos gesteld, daar de auto met [...] op de ongevalsdatum niet tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd.

Het geschil

3. Het Waarborgfonds vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag ad € 1.027,03, rente en kosten rechtens.

4. Het Waarborgfonds stelt hiertoe, zakelijk samengevat, dat hij conform artikel 27 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) een regresvordering van € 848,53 (€ 984,53 cascoschade - € 136,- eigen risico) heeft op [gedaagde]. Nu [gedaagde] ondanks aanmaningen het verschuldigde niet heeft betaald, heeft het Waarborgfonds zijn incassogemachtigde ingeschakeld en maakt hij tevens aanspraak op de buitengerechtelijke kosten ad € 178,50, derhalve in totaal € 1.027,03.

5. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van het Waarborgfonds en voert hiertoe, zakelijk samengevat, primair, het volgende aan.

Op de vordering van het Waarborgfonds is de verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing. Omdat het ongeval heeft plaatsgevonden op 16 maart 2003 en er voor het verjaren van de vordering door het Waarborgfonds geen stuitingshandeling is verricht, is de vordering verjaard.

Subsidiair betwist [gedaagde] de hoogte van de schade.

De beoordeling

6. Nu [gedaagde] zich primair op het standpunt stelt dat de vordering van het Waarborgfond is verjaard, zal de kantonrechter eerst dienen te beoordelen of dit verweer opgaat.

Ingevolge artikel 3:310 Burgerlijk Wetboek (BW) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden.

7. Partijen verschillen van mening over het moment waarop de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen. [gedaagde] stelt dat dit 17 maart 2003 is geweest, zijnde de dag volgend op de dag dat het Waarborgfonds bekend was geworden met de schade. Het Waarborgfonds betoogt echter dat van verjaring geen sprake is, aangezien artikel 3:310 BW zo moet worden gelezen dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen per datum dat het Waarborgfonds Univé schadeloos had gesteld.

8. Artikel 3:310 BW brengt impliciet met zich mee dat de verjaringstermijn pas gaat lopen indien de vordering tot vergoeding van schade opeisbaar is. In het onderhavige geschil betekent dit dat de termijn niet eerder begint te lopen dan op het moment dat het Waarborgfonds de schade heeft geleden, zijnde het moment dat het Waarborgfonds de schade heeft uitgekeerd aan Univé. Het Waarborgfonds heeft uiteindelijk onbetwist gesteld dat hij die schade op 16 november 2004 heeft afgewikkeld. Daarmee heeft de verjaringstermijn in ieder geval niet eerder dan 17 november 2004 een aanvang genomen ten gevolge waarvan onderhavige vordering op de dag der dagvaarding (24 juni 2009), nog niet was verjaard. Het beroep op verjaring kan [gedaagde] derhalve niet baten. In het licht van het voorgaande is thans niet meer relevant of de verjaring van de vorderingen jegens [gedaagde] is gestuit.

9. Subsidiair verweert [gedaagde] zich ten aanzien van de hoogte van de schade. Volgens [gedaagde] heeft hij de achterkant van de auto van Van Turnhout geraakt, waaruit voortvloeit dat de botsing geen schade aan andere delen dan de achterkant van de auto (zoals de gevorderde schade met betrekking tot de schokdempers) veroorzaakt kan hebben.

Nu de schade is vastgesteld door een erkend en beëdigd expert, had het op de weg gelegen van [gedaagde] om meer gespecificeerd aan te geven waarom de schade aan de schokdempers niet veroorzaakt kan zijn door het ongeval. Indien [gedaagde] daartoe een contra-expertise had willen laten uitvoeren had hij zich zelf die mogelijkheid niet moeten ontnemen door van de plaats van het ongeval weg te rijden. Dat [gedaagde] thans door eigen toedoen in bewijsnood zit, dient voor zijn risico te blijven. Het verweer van [gedaagde] wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd terzijde gelaten.

10. De vordering van het Waarborgfonds in hoofdsom is dan ook met rente toewijsbaar.

11. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten is eveneens toewijsbaar nu de door het Waarborgfonds verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden zijn aan te merken als redelijke kosten die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen, en de hoogte daarvan in overeenstemming is met de richtlijnen uit het rapport Voorwerk II.

12. [gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagde] om aan het Waarborgfonds tegen kwijting te betalen een bedrag van € 1.027,03, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 848,53 vanaf 25 januari 2005 tot de dag van betaling.

Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die tot heden voor het Waarborgfonds worden vastgesteld op een bedrag van € 443,98 [inclusief BTW indien en voorzover door [gedaagde] verschuldigd], waaronder begrepen een bedrag van € 200,- voor salaris van de gemachtigde van het Waarborgfonds [waarover [gedaagde] geen BTW verschuldigd is].

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van der Heijden, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 3 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter