Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:BL3175

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
14.810258-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie jaar gevangenisstraf waarvan 2 jaar voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden waaronder verplichte behandeling voor 33 jarige man die –nagenoeg naakt- 8 vrouwen op straat van achteren op de fiets of bij hun woning benaderde en aanrandde. Bij de verdachte –met een blanco strafblad- werd in deskundigenrapportage Pieter Baan Centrum geen geestelijke stoornis vastgesteld. Rechtbank vindt in het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor causaal verband tussen gebrekkige ontwikkeling en de bewezenverklaarde feiten alsmede het gevaar voor herhaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14.810258.09(P)

Datum uitspraak : 9 februari 2010

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord – HvB Zwaag te Zwaag.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 januari 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. J.C. de Goeij, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen mr. L. Mentink, advocaat te Alkmaar, als gemachtigde namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], naar voren heeft gebracht.

Ter terechtzitting zijn de slachtofferverklaringen van de aangeefsters [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] voorgelezen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie tot aanpassing van de tenlastelegging in de zin van artikel 314a Wetboek van Strafvordering door de rechtbank is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2007 in de gemeente Alkmaar, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), immers heeft/is verdachte (terwijl die [slachtoffer 1] op een fiets reed)

* naakt op een fiets naar die [slachtoffer 1] (haar van achteren naderende) toegereden

en/of

* die [slachtoffer 1] één maal (met kracht) op/tegen haar bil(len) geslagen en/of

* (vervolgens) (hard) doorgefietst en/of

* die [slachtoffer 1] opgewacht en/of voorbij laten fietsen en/of

* (wederom) naakt op een fiets naar die [slachtoffer 1] (haar van achteren naderende) toegereden en/of

* (vlak) naast die [slachtoffer 1] gaan fietsen en/of

* die [slachtoffer 1] één maal (met kracht) (terug)geduwd, althans zodanig geduwd dat

zij ten val kwam;

2.

hij op of omstreeks 03 november 2007 in de gemeente Alkmaar, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), immers heeft/is verdachte (terwijl die [slachtoffer 2] zich in het portaal nabij haar/een woning bevond)

* op die [slachtoffer 2] toegerend en/of

* die [slachtoffer 2] (met kracht) voortgeduwd en/of

* die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen een raam in het portaal geduwd en/of

* (over haar kleding) de borsten van die [slachtoffer 2] betast en/of

* zijn, verdachtes, (vrijwel) naakte lichaam (met kracht) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of

* aanmaningen van die [slachtoffer 2] haar los te laten genegeerd en/of

* die [slachtoffer 2] (met kracht) op de vloer geduwd/gewerkt en/of

* (terwijl die [slachtoffer 2] met haar buik op de vloer lag) bovenop die [slachtoffer 2] gaan zitten en/of

* (over haar kleding) de billen van die [slachtoffer 2] betast en/of

* de bovenkleding van die [slachtoffer 2] omhoog geschoven en/of

* zijn, verdachtes, mond op de blote rug van die [slachtoffer 2] gebracht en/of gehouden;

3.

hij op of omstreeks 23 november 2007 in de gemeente Alkmaar, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), immers heeft/is verdachte (terwijl die [slachtoffer 3] zich bij de voordeur van haar woning bevond en/of aanstalten maakte haar woning te betreden)

* (nagenoeg) naakt op die [slachtoffer 3] toegelopen en/of

* (onverhoeds) de bovenkleding van die [slachtoffer 3] omhoog geschoven en/of

* (onverhoeds) (met kracht) (met beide handen) het middel, althans het lichaam, van die [slachtoffer 3] vastgepakt en/of

* (met kracht) in het middel, althans het lichaam, van die [slachtoffer 3] geknepen en/of

* (alzo) die [slachtoffer 3] (met kracht) naar achteren en/of opzij getrokken en/of geduwd en/of

* met zijn, verdachtes, lichaam (strak) tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] aan gaan staan en/of

* met zijn, verdachtes, hand (met kracht) de mond van die [slachtoffer 3] bedekt;

4.

hij op of omstreeks 30 mei 2008 in de gemeente Alkmaar, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), immers heeft/is verdachte (terwijl die [slachtoffer 6] op een fiets reed)

* naakt op een fiets naar die [slachtoffer 6] (haar van achteren naderende) toegereden en/of

* (onverhoeds) één maal tegen de bil(len) van die [slachtoffer 6] geslagen, althans de bil(len) van die [slachtoffer 6] aangeraakt;

5.

hij op of omstreeks 07 augustus 2008 in de gemeente Alkmaar, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), immers heeft/is verdachte (terwijl die [slachtoffer 4] bezig was een fiets in de schuur voor haar woning te brengen)

* naakt op die [slachtoffer 4] toegelopen en/of

* (onverhoeds) (met kracht) (met beide handen) het middel, althans het lichaam, van die [slachtoffer 4] vastgepakt en/of vastgehouden en/of

* de string van die [slachtoffer 4] vastgepakt en/of

* één of meermalen (met kracht) aan de string van die [slachtoffer 4] getrokken en/of gerukt en/of

* (alzo) (met kracht) de string van die [slachtoffer 4] kapot getrokken en/of gerukt;

6.

hij op of omstreeks 25 april 2009 in de gemeente Alkmaar, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), immers heeft/is verdachte (terwijl die [slachtoffer 7] op een fiets reed)

* naakt op een fiets van achteren op die [slachtoffer 7] toegereden en/of

* (met kracht) (op/tegen) de/een bil(len) van die [slachtoffer 7] geduwd, althans betast, en/of

* (met kracht) het hoofd van die [slachtoffer 7] vastgegrepen en/of

* (met kracht) het hoofd van die [slachtoffer 7] naar voren en/of naar beneden gedrukt en/of

(nadat verdachte en die [slachtoffer 7] gestopt en/of afgestapt waren)

* (met kracht) die [slachtoffer 7] op het wegdek geduwd/gewerkt en/of

* onverhoeds (over haar kleren) de borsten van die [slachtoffer 7] betast en/of

* één of meermalen zijn, verdachtes, hand in de broek van die [slachtoffer 7] gebracht en/of

* de string van die [slachtoffer 7] vastgepakt en/of

* één of meermalen (met kracht) aan de string van die [slachtoffer 7] getrokken en/of gerukt en/of

* (met kracht) de string van die [slachtoffer 7] stuk getrokken/gerukt;

7.

hij op of omstreeks 30 mei 2009 in de gemeente Alkmaar, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 8] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), immers heeft/is verdachte

* naakt op die [slachtoffer 8] toegerend en/of

* (met kracht) de jas van die [slachtoffer 8] vastgepakt en/of

* (met kracht) aan de jas van die [slachtoffer 8] getrokken en/of

* (alzo) die [slachtoffer 8] tot stoppen gebracht en/of

* onverhoeds de onderbroek van die [slachtoffer 8] vast gegrepen en/of

* één of meermalen (met kracht) aan de onderbroek van die [slachtoffer 8] gerukt en/of getrokken en/of

* (met kracht) de onderbroek van die [slachtoffer 8] stuk getrokken/gerukt;

8.

hij op of omstreeks 20 juni 2009 in de gemeente Alkmaar, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), immers heeft/is verdachte (terwijl die [slachtoffer 5] op een fiets reed)

* (op het dragen van een muts en/of sokken na) naakt op die [slachtoffer 5] toegefietst en/of

* onverhoeds de (spijker)broek van die [slachtoffer 5] vastgegrepen en/of

* één of meermalen (met kracht) aan de (spijker)broek van die [slachtoffer 5] gerukt en/of getrokken en/of

* onverhoeds de string van die [slachtoffer 5] vastgegrepen en/of

* één of meermalen (met kracht) aan de string van die [slachtoffer 5] gerukt en/of getrokken en/of

* zodanig aan de string van die [slachtoffer 5] gerukt/getrokken dat zij ten val kwam en/of

* (met kracht) de string van die [slachtoffer 5] kapot gerukt/getrokken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

A. Inleiding

In de periode februari 2007 tot en met 3 juli 2009 - met uitzondering van de periode september 2008 tot en met maart 2009 -is 25 maal melding c.q. aangifte gedaan van aanrandingen voornamelijk gepleegd in Alkmaar Noord door een onbekende naakte, of gedeeltelijk naakte man, gepleegd jegens jonge vrouwen in de leeftijd van 14 tot 22 jaar. Tevens ging het in alle gevallen om vrouwen alleen, die op tijdstippen gelegen tussen 2 en 5 uur ’s morgens met deze man werden geconfronteerd en kwam het in al die gevallen tot een fysieke confrontatie, waarbij de vrouwen door de man werden geduwd of vastgepakt en veelal aan hun borsten of billen werden betast. Bij gedeeltelijk gekleed zijn, droeg de man onder meer een zwart kort bomberjack, een korte broek, een muts of een pet. De aanrander werd omschreven als een tengere/slanke, lange blanke man met kort donker/ donkerblond haar. Het merendeel van de aanrandingen had plaats terwijl de aanrander fietste. In sommige gevallen werden vrouwen voor de deur van hun woning van achter benaderd en aangerand. Op 4 juli 2009 is de verdachte aangehouden op aanwijzing van een getuige.

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 8 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft betoogd dat in alle gevallen sprake is geweest van ontuchtige handelingen, nu het steeds is gegaan om vrouwen die midden in de nacht op straat werden benaderd door een (nagenoeg) naakte man, waarbij de verder verrichte handelingen dan al snel een seksuele lading krijgen. Ook in de gevallen waar verdachte’s gedragingen als zodanig niet perse seksueel getint waren, kan naar het oordeel van de officier van justitie steeds gesproken worden van ontuchtige handelingen.

Ook heeft de officier van justitie aangegeven dat sprake is geweest van dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen door het onverhoedse waarmee verdachte de aangeefsters van achter benaderde, waardoor zij moesten toelaten wat ze anders zeker niet hadden geduld.

B. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij over de feiten bij de politie heeft verklaard en dat hij daarbij blijft.

C. Beoordeling van de tenlastelegging

Aan de verdachte zijn op de definitieve dagvaarding acht gevallen van aanranding tenlastegelegd, steeds op basis van een gedane aangifte.

De rechtbank komt –op enkele onderdelen na- tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten.

De rechtbank betrekt in haar oordeel het volgende:

1. De verklaringen van de verdachte met betrekking tot de feiten:

In het eerste en tweede verhoor van verdachte op 5 en 6 juli 2009 heeft hij ontkend dergelijke feiten te hebben gepleegd danwel gezegd dat hij wil wachten tot zijn advocaat alle stukken heeft gelezen.

Bij de rechter-commissaris op 7 juli 2009 heeft verdachte verklaard dat hij de feiten die op de tenlastelegging genummerd zijn 2, 6, 7 en 8, heeft gepleegd en dat het zou kunnen dat er nog meer van dit soort incidenten naar boven komen.

In zijn derde verhoor bij de politie op 14 juli 2009 heeft verdachte –in bijzijn van de raadsman- verklaard dat hij grote moeite heeft om zich details van de gebeurtenissen die hem verweten worden, te herinneren. Slechts bij uitzondering staan hem nog details bij, te weten over de feiten die op de tenlastelegging genummerd zijn als 4, 7 en 8. In de loop van dit derde verhoor verklaart de verdachte , samengevat over de feiten in het algemeen:

Dat hij denkt een jaar of twee bezig te zijn met deze zaken. Dat hij dan gewoon rond fietste en er dan “eentje”tegen kwam , waar hij dan achteraan fietste en in de billen kneep. Hij denkt dat het twintig, dertig keer gebeurd is, hij had geen voorkeur voor bepaalde vrouwen. Dat hij vooral rondfietste in De Mare en De Vroonermeer en dat nieuwe stuk dat er aangebouwd is. Hij heeft voorts verklaard dat hij daarbij altijd zijn zwarte bomberjack en een zwarte korte broek van het merk Umbra en zijn donkerblauwe sportschoenen van het merk Nike aanhad. Soms gooide hij zijn kleren aan de kant, en haalde die later weer op en soms ook hield hij alleen zijn bomberjack aan. Hij vertelt dat hij ook wel eens aan de borsten heeft gezeten, en dat het een beetje adrenaline gaf, maar dat hij geen stijve penis kreeg. Verdachte heeft aangegeven dat het klopte dat hij aan strings heeft getrokken en dat die dan stuk gingen. Hij benaderde de vrouwen altijd van achteren. Hij deed dit een paar keer in de maand, maar ook wel eens maanden niet, bijvoorbeeld na zijn brommerongeluk in augustus 2008. Ook geeft hij aan dat hij dit wel eens bij een schuur gedaan heeft.

De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtztting is gebleven bij zijn derde politieverklaring en weliswaar in algemene zin alle telastegelegde feiten heeft bekend, maar dat de verdachte feitelijk heeft aangegeven enkel aan feit 4, 7 en 8 een herinnering te hebben. Ondanks het feit dat verdachte geen specifieke herinneringen lijkt te hebben aan de overige vijf feiten op de tenlastelegging, zal de rechtbank hieronder ook bij die feiten tot een bewezenverklaring komen en wel op grond van de verklaringen van verdachte over zijn algemene werkwijze zoals hierboven weergegeven, de inhoud van de hieronder weergegeven aangiftes, het feit dat de periode waarin de aangiftes worden gedaan overeenkomen met verdachtes verklaring over de periode dat hij dit soort feiten pleegde en de plaats en het tijdstip van de delicten.

2. Het beschikbare bewijsmateriaal

Ten aanzien van feit 1:

Op 26 juni 2007 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van mishandeling . De aangeefster heeft verklaard dat zij op 24 juni 2007 te 03.45 uur op [straatnaam] in Alkmaar fietste, toen zij hoorde dat iemand achter haar kwam fietsen en dat zij toen voelde dat iemand haar een klap op haar kont gaf. De aangeefster ziet direct daarop dat een geheel naakte man haar hard fietsend voorbij kwam. De aangeefster heeft verklaard dat zij ter hoogte van de [straatnaam] de man weer zag staan en dat zij hoorde dat de man weer achter haar aan kwam fietsen. De aangeefster heeft verklaard dat de man weer naast haar kwam fietsen. Zij heeft hem een duw gegeven waarna de man haar terug duwde en waardoor zij ten val kwam in de berm. De aangeefster geeft als signalement van verdachte op bij de politie dat het gaat om een blanke man van tussen de 20 en 25 jaar oud, met een donkerkleurig petje op en rijdende op een donkerkleurige herenfiets.

De verdachte heeft is door de politie en de rechter-commissaris niet op dit feit gehoord. De verdachte heeft dit feit ter terechtzitting niet ontkend, maar verklaard dat hij het zich niet herinnert.

Gezien verdachtes verklaring over zijn wijze van handelen bij onderhavige feiten in het algemeen en de handelswijze van de verdachte zoals deze uit alle aangiftes is gebleken, in het bijzonder het feit dat de man naakt was en het feit dat hij aangeefster eerst van achter inhaalde en later opwachtte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit gepleegd heeft. Ook betrekt de rechtbank daarbij het door aangeefster verschafte signalement, de plaats en het tijdstip alsmede de datum van het delict, die gelegen is in de door verdachte aangegeven periode

Ten aanzien van feit 2:

Op 3 december 2007 heeft de aangeefster [slachtoffer 2] aangifte gedaan van feitelijke aanranding van de eerbaarheid . Zij heeft verklaard dat zij op 3 november 2007 omstreeks 03.00 uur naar haar woning aan het [straatnaam] te Alkmaar fietste. De aangeefster heeft verklaard dat zij, op het moment dat zij de deur van het portiek bij haar woning opende, zij een man op haar af zag komen rennen en dat zij voelde dat die man haar direct tegen het raam drukte en met zijn handen over haar kleding aan haar borsten zat. De aangeefster voelde daarbij dat de man met zijn lichaam tegen haar aan stond. De aangeefster heeft verklaard dat zij tegen de man heef t geroepen dat hij normaal moest doen en dat de man niets terug zei en haar bleef vasthouden. Op een gegeven moment is de aangeefster op de grond terecht gekomen en heeft zij gezien dat de man geen kleren aanhad. De aangeefster heeft verklaard dat de man omgekeerd bovenop haar is gaan zitten toen zij op de grond lag en daarbij met zijn handen aan haar kont zat en vervolgens haar bodywarmer en vest omhoog schoof en met zijn mond aan haar blote onderrug zat. De aangeefster geeft als signalement van de man dat het gaat om een man van 1.80-1.85 meter lang, tussen 20 en 30 jaar oud, met een tenger postuur en lichte of heel weinig beharing met vermoedelijk een grijze of blauwe muts.

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dit feit te hebben gepleegd en bij de politie verklaard dat hij het feit niet voor zich kan halen .

Gezien het signalement van de man, het feit dat de man naakt was en een muts droeg als ook de door aangeefster beschreven handelswijze alsmede het gegeven dat het feit valt in de door verdachte genoemde periode en gepleegd is in Alkmaar Noord, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Op 30 november 2007 heeft [slachtoffer 3] aangifte gedaan van feitelijke aanranding van de eerbaarheid . De aangeefster heeft verklaard dat zij op 23 november 2007, omstreeks 02.40 uur thuis kwam aan [adres] te Alkmaar. Op het moment dat zij met de sleutel haar voordeur wilde openen werd zij opeens uit het niets met twee handen in de rug vastgepakt. De aangeefster heeft verklaard dat zij zich omdraaide en dat zij toen zag dat het ging om een blanke naakte man van ongeveer 20 a 22 jaar oud, ongeveer 1.85 meter lang, met kort blond stekelhaar, met een witte zakdoek over zijn mond en neus. De aangeefster heeft verklaard dat de man toen zij ging schreeuwen, probeerde haar mond te bedekken met zijn hand. In haar aanvullende verklaring d.d. 29 november 2009 heeft aangeefster verklaard dat ze nadat ze twee handen in haar zij voelde, flink naar achteren werd getrokken, zo hard dat de sleutel van de voordeur is afgebroken. Met beide handen had de man daarbij met flinke kracht in haar heupen geknepen .

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij dit feit heeft gepleegd, maar dat hij het zich niet voor de geest kan halen en dat de doek waar aangeefster over spreekt, mogelijk een t-shirt is geweest .

Gezien het signalement van de man, het feit dat de man naakt was als ook de door aangeefster beschreven handelswijze alsmede het gegeven dat het feit valt in de door verdachte genoemde periode en gepleegd is in Alkmaar Noord, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

Op 30 mei 2008 heeft de aangeefster [slachtoffer 6] aangifte gedaan van feitelijke aanranding en schennis van de eerbaarheid. De aangeefster heeft verklaard dat zij op 30 mei 2008 omstreeks 03.30 uur over het fietspad van [straatnaam] te Alkmaar fietste. Op het moment dat zij merkte dat er iemand achter haar fietste, heeft zij omgekeken en bemerkte zij tegelijkertijd dat het een man betrof die met zijn rechter hand haar kont aanraakte. De aangeefster zag dat de man helemaal naakt was. De aangeefster omschrijft de man als een blanke man van rond de 20 à 25 jaar oud met een mager postuur en een lengte van ongeveer 1.90 meter. Volgens de aangeefster droeg de man een muts en reed hij op een herenfiets, blauw of bruin van kleur.

In een aanvullende verklaring op 7 augustus 2008 heeft de aangeefster verklaard dat zij plotseling een hand op haar heup/bil had gevoeld en dat er -nadat zij gilde en de man hard was weggefietst- twee mensen aankwamen die zeiden dat ze de man hadden zien fietsen en aangeefster hadden horen schreeuwen .

De verdachte heeft in zijn 3e verhoor bij de politie, na het voorlezen van de aangifte verklaard dat hij richting [adres] fietste, dat hij die buurt kent en dat hij nog weet dat hij dat gedaan heeft .

Gezien het signalement van de man, het tijdstip van het feit en het gegeven dat de man naakt was en een muts droeg als ook de door aangeefster beschreven handelswijze alsmede het gegeven dat het feit valt in de door verdachte genoemde periode en gepleegd is in Alkmaar Noord, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Op 19 augustus 2008 heeft de aangeefster [slachtoffer 4] aangifte gedaan van aanranding . De aangeefster heeft verklaard dat zij op 7 augustus 2008 tussen 02.00 uur en 02.30 uur op haar fiets thuis is gekomen aan [adres] in Alkmaar. De aangeefster heeft verklaard dat zij, op het moment dat zij haar fiets in de schuur wilde zetten, hoorde dat er iemand aan kwam rennen en dat zij met twee handen in haar zij werd vastgepakt. Op het moment dat de aangeefster zich omdraaide zag zij dat het een naakte man was. De aangeefster heeft verklaard dat zij van de schrik met fiets en al de schuur in viel en dat zij zag dat de man op de drempel bleef staan en naar haar keek.

De aangeefster heeft de man omschreven als een man met een slank postuur en een blanke huid met een lengte van ongeveer 1.80 meter à 1.85 meter en met stekelig donkerblond, bruin haar.

In haar aanvullende verklaring d.d. 27 november 2009 heeft aangeefster verklaard dat zij er later is achtergekomen dat haar string kapot was, maar dat zij niet weet hoe dat is gebeurd .

De verdachte heeft in zijn derde politieverklaring verklaard dat hij zich dit feit niet herinnert, dat hij aangeefster op een foto niet herkent, maar dat het ook wel eens bij een schuur gebeurd is.

Gezien het signalement van de man, gelet op het tijdstip van het feit en gelet op het gegeven dat de man naakt was als ook de door aangeefster beschreven handelswijze alsmede het gegeven dat het feit valt in de door verdachte genoemde periode en gepleegd is in Alkmaar Noord, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft gepleegd. De rechtbank heeft onvoldoende wettig bewijs gevonden voor het vastpakken en kapot trekken van de string, nu aangeefster zelf heeft verklaard niet te weten hoe de string kapot is gegaan

Ten aanzien van feit 6:

Op 13 mei 2009 heeft de aangeefster [slachtoffer 7] aangifte gedaan van het feit dat zij is aangevallen door een naakte man op een fiets . De aangeefster heeft verklaard dat zij op 25 april 2009 tussen 04.00 uur en 04.30 uur op [adres] te Alkmaar fietste toen zij van achteren een fietser hoorde aankomen. De aangeefster heeft schuin achterom gekeken en voelde op dat moment een duwtje op haar kont. Vrijwel meteen daarna werd haar achterhoofd vastgepakt en werd haar hoofd naar beneden geduwd. De aangeefster heeft verklaard dat zij en haar belager beiden gestopt en afgestapt zijn en dat zij toen zag dat de man helemaal naakt was. De aangeefster heeft verklaard dat zij op een gegeven moment op haar knieën op de grond terecht is gekomen en dat zij vervolgens twee handen op haar borsten voelde over haar jas heen. Op een gegeven moment heeft de aangeefster gevoeld dat er een hand in haar broek ging en dat aan het middenstukje van haar string werd getrokken. De aangeefster heeft verklaard dat zij voelde dat de man meerdere malen naar haar string greep, dat hij de string vastpakte en eraan trok waardoor zij omgedraaid werd op de grond en waarbij haar string stuk is gegaan.

De aangeefster heeft de man omschreven als een dunne man met een muts op met een lengte van rond de 1.80 meter en met een spierwitte huid.

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dit feit te hebben gepleegd .

Gezien het signalement van de man, gelet op het tijdstip van het feit en gelet op het gegeven dat de man naakt was en een muts droeg als ook de door aangeefster beschreven handelswijze alsmede het gegeven dat het feit valt in de door verdachte genoemde periode en gepleegd is in Alkmaar Noord, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 7:

Op 2 juni 2009 heeft de aangeefster [slachtoffer 8] aangifte gedaan van aanranding. De aangeefster heeft verklaard dat zij samen met haar vriendin [getuige 1] is gaan “luilakken” in de nacht van 30 mei 2009. Zij had met haar vriendin afgesproken dat ze door de Vroonermeer te Alkmaar zouden gaan lopen. Op een gegeven moment om 4.20 uur zien zij in een speeltuintje tussen de [straatnaam] en de [straatnaam] te Alkmaar een naakte man uit de bosjes komen rennen. De aangeefster heeft verklaard dat zij samen met haar vriendin wegrende, maar dat de man haar ter hoogte van [adres] aan de achterkant bij haar jas vastpakte, die daardoor is gescheurd. De aangeefster heeft verklaard dat zij haar vriendin [getuige 1] om hulp riep en dat zij toen voelde dat de man bij haar kont aan haar onderbroek trok en dat deze onderbroek daarbij kapot werd gescheurd. Vervolgens zag de aangeefster dat de man opeens wegrende.

De aangeefster heeft de man omschreven als een redelijk grote magere blanke man van 1.80 à 1.90 meter. De aangeefster omschrijft het haar van de man als kort licht donkerblond haar.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij in de Luilaknacht van 30 mei 2009 met haar vriendin [slachtoffer 8], nadat zij een ei tegen een huis hadden gegooid, hard zijn weggerend en toen een naakte man zagen. De getuige heeft gezien dat de man zich op een gegeven moment vlak achter [slachtoffer 8] bevond. Op het moment dat de getuige haar naam heeft horen roepen, heeft zij omgekeken en heeft zij gezien dat de man [slachtoffer 8] om haar middel vast had, waarbij ze zag dat de man achter [slachtoffer 8] stond. De getuige heeft gehoord dat [slachtoffer 8] om hulp begon te roepen. De getuige heeft gezien dat [slachtoffer 8] de man sloeg en dat ze zich probeerde los te wurmen. De getuige heeft gezien dat de man [slachtoffer 8] bij de bovenkant van haar broek vast hield. De getuige omschrijft de man als een man die groter was dan 1.85 meter. Zij schat de man tussen de 25 en 35 jaar oud. De getuige omschrijft de man voorts als een blanke man met kort overeind staand haar en een mager/slank postuur. Volgens de getuige had de man helemaal geen kleding aan.

De verdachte heeft dit feit bij de rechter-commissaris bekend en in zijn 3e verhoor heeft hij verklaard dat hij zich dit incident kan herinneren in de Luilaknacht. De verdachte heeft verklaard dat het zich tussen 02.00 uur en 04.00 uur afspeelde in de “Vronenmeer in dat nieuwe stuk”. De verdachte heeft verklaard dat hij toen ook niets aan had en dat hij daar aan de billen van een meisje heeft gezeten en aan haar onderbroek/string en dat die onderbroek/string volgens hem scheurde. De verdachte heeft de leeftijd van het meisje op 14 of 15 jaar geschat .

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit gepleegd heeft

Ten aanzien van feit 8:

Op 21 juni 2009 heeft de aangeefster [slachtoffer 5] aangifte gedaan van aanranding . De aangeefster heeft verklaard dat zij op 20 juni 2009 rond 02.15 uur naar huis fietste en dat zij op [adres] te Alkmaar merkte dat er iemand achter haar fietste. De aangeefster heeft verklaard dat zij op het moment van omkijken merkte dat deze persoon haar al vast had aan haar spijkerbroek en aan haar ondergoed. De aangeefster heeft verklaard dat zij haar wiel in het wiel van de man haakte waardoor zij beiden ten val kwamen. De aangeefster heeft verklaard dat zij snel is opgestaan en dat de man haar toen nog aan de achterkant van haar string vast hield. De aangeefster heeft verklaard dat de man haar ondergoed heeft stuk getrokken. De aangeefster heeft verklaard dat het haar opviel dat de man alleen een muts en schoenen of sokken droeg en verder geheel naakt was. De aangeefster heeft de man omschreven als een lange magere man rond de 1.85 meter lang, zo wit als een melkfles. De aangeefster heeft verklaard dat zij hulp heeft gezocht bij mensen die even verderop bij een taxibusje stonden.

De verdachte heeft dit feit bij de rechter-commissaris bekend en heeft op 14 juli 2009 in zijn derde verhoor bij de politie verklaard dat hij zich deze keer nog kan herinneren en dat het in de buurt van het politiebureau aan het Mallegatsplein te Alkmaar is gebeurd. De verdachte heeft verklaard dat hij zich nog kan herinneren dat hij het meisje van achteren heeft benaderd en dat zij beiden op de grond zijn gevallen omdat hij aan de string van het meisje zat en dat het meisje toen is weggelopen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij toen niets aan had, alleen z’n schoenen en een muts. De verdachte heeft verklaard dat hij het meisje van achteren heeft benaderd .

De getuige [getuige 2] heeft op 6 juli 2009 tegenover de politie verklaard dat zij samen met haar man op 20 juni 2009 te 02.15 uur op vakantie is gegaan en dat zij een taxibus hadden besteld op het [adres] te Alkmaar. De getuige heeft verklaard dat zij, op het moment dat zij naar de taxibus toeliep, geschreeuw hoorde en dat het duidelijk een vrouwenstem betrof. De getuige heeft gezien dat twee personen elkaar aanvlogen waarbij een man een vrouw van achteren beet pakte en waarbij een fiets op de grond viel. De getuige heeft gezien dat de vrouw door de man naar achteren werd getrokken en dat zij hoorde dat de vrouw maar bleef gillen en schreeuwen toen zij op de grond viel. De getuige heeft verklaard dat het meisje op een gegeven moment naar de taxibus kwam rennen en heel emotioneel vertelde dat ze door een naakte man was aangevallen .

In zijn proces-verbaal van bevindingen heeft de speurhondengeleider [opsporingsambtenaar 1] gerelateerd dat hij op 20 juni 2009 te 03.40 uur met de politiespeurhond Sita een onder meer een onderzoek heeft ingesteld op de kruising van [adres] met [adres]. Nadat de speurhond tekende op het wegdek van voornoemde kruising werd door de verbalisant een klein stukje stof aangetroffen, zwart van kleur en voorzien van een rood biesje. De verbalisant heeft dit stukje stof veilig gesteld .

De forensisch opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] heeft op 20 juni 2009 onderzoek ingesteld naar het door de verbalisant [opsporingsambtenaar 1] aangetroffen stukje stof en de kapot getrokken string van aangeefster [slachtoffer 5]. De verbalisant heeft geconstateerd dat het aangetroffen stukje textiel qua vorm en kleur visueel overeenkwam met de string van de aangeefster .

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit gepleegd heeft.

3. Nadere bewijsoverweging met betrekking tot de feiten 1 t/m 8:

Bij de bewezenverklaring van onderhavige gevallen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefsters heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. In alle gevallen is immers sprake van een onverhoeds van achteren vastpakken, duwen of aanraken, zodat aangeefsters plotseling ’s nachts op straat werden geconfronteerd met een hen onbekende en (nagenoeg) naakte man, waaraan aangeefsters zich niet op dat moment konden onttrekken. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat ook het naakt zijn van de verdachte als zodanig onder die omstandigheden kan gelden als een handeling van seksuele aard in strijd met de sociaal-ethische norm. De rechtbank overweegt daarom dat ook in die gevallen dat de verdachte aangeefsters niet heeft betast aan de billen of borsten of aan hun ondergoed, sprake is geweest van een ontuchtige handeling.

D. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 24 juni 2007 in de gemeente Alkmaar, door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft/is verdachte, terwijl die [slachtoffer 1] op een fiets reed

* naakt op een fiets naar die [slachtoffer 1], haar van achteren naderende, toegereden en

* die [slachtoffer 1] één maal op haar bil geslagen en

* vervolgens hard doorgefietst en

* die [slachtoffer 1] opgewacht en voorbij laten fietsen en

* wederom naakt op een fiets naar die [slachtoffer 1], haar van achteren naderende, toegereden en

* vlak naast die [slachtoffer 1] gaan fietsen en

* die [slachtoffer 1] éénmaal zodanig geduwd dat zij ten val kwam;

2.

hij op 3 november 2007 in de gemeente Alkmaar, door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft/is verdachte, terwijl die [slachtoffer 2] zich in het portaal nabij haar woning bevond

* op die [slachtoffer 2] toegerend en

* die [slachtoffer 2] met kracht tegen een raam in het portaal geduwd en

* over haar kleding de borsten van die [slachtoffer 2] betast en

* zijn, verdachtes, vrijwel naakte lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] gedrukt en

* aanmaningen van die [slachtoffer 2] haar los te laten genegeerd en

* die [slachtoffer 2] op de vloer gewerkt en

* terwijl die [slachtoffer 2] met haar buik op de vloer lag, bovenop die [slachtoffer 2] gaan zitten en

* over haar kleding de billen van die [slachtoffer 2] betast en

* de bovenkleding van die [slachtoffer 2] omhoog geschoven en

* zijn, verdachtes, mond op de blote rug van die [slachtoffer 2] gebracht;

3.

hij op 23 november 2007 in de gemeente Alkmaar, door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft/is verdachte, terwijl die [slachtoffer 3] zich bij de voordeur van haar woning bevond en aanstalten maakte haar woning te betreden

* nagenoeg naakt op die [slachtoffer 3] toegelopen en

* onverhoeds met kracht met beide handen het lichaam van die [slachtoffer 3] vastgepakt en

* met kracht in het lichaam van die [slachtoffer 3] geknepen en

* die [slachtoffer 3] met kracht naar achteren getrokken;

4.

hij op 30 mei 2008 in de gemeente Alkmaar, door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft/is verdachte, terwijl die [slachtoffer 6] op een fiets reed

* naakt op een fiets naar die [slachtoffer 6], haar van achteren naderende, toegereden en

* onverhoeds de bil van die [slachtoffer 6] aangeraakt;

5.

hij op 7 augustus 2008 in de gemeente Alkmaar, door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft/is verdachte, terwijl die [slachtoffer 4] bezig was een fiets in de schuur voor haar woning te brengen

* naakt op die [slachtoffer 4] toegelopen en

* onverhoeds met beide handen het middel van die [slachtoffer 4] vastgepakt;

6.

hij op 25 april 2009 in de gemeente Alkmaar, door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft/is verdachte, terwijl die [slachtoffer 7] op een fiets reed

* naakt op een fiets van achteren op die [slachtoffer 7] toegereden en

* op de bil van die [slachtoffer 7] geduwd en

* het hoofd van die [slachtoffer 7] vastgegrepen en

* het hoofd van die [slachtoffer 7] naar beneden gedrukt en

nadat verdachte en die [slachtoffer 7] gestopt en afgestapt waren

* onverhoeds over haar kleren de borsten van die [slachtoffer 7] betast en

* zijn, verdachtes, hand in de broek van die [slachtoffer 7] gebracht en

* de string van die [slachtoffer 7] vastgepakt en

* meermalen met kracht aan de string van die [slachtoffer 7] getrokken en

* de string van die [slachtoffer 7] stuk getrokken;

7.

hij op 30 mei 2009 in de gemeente Alkmaar, door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 8] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft/is verdachte

* naakt op die [slachtoffer 8] toegerend en

* de jas van die [slachtoffer 8] vastgepakt en

* de onderbroek van die [slachtoffer 8] vast gegrepen en

* met kracht aan de onderbroek van die [slachtoffer 8] getrokken en

* de onderbroek van die [slachtoffer 8] stuk getrokken;

8.

hij op 20 juni 2009 in de gemeente Alkmaar, door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft/is verdachte, terwijl die [slachtoffer 5] op een fiets reed

* op het dragen van een muts na, naakt op die [slachtoffer 5] toegefietst en

* aan de spijkerbroek van die [slachtoffer 5] getrokken en

* onverhoeds de string van die [slachtoffer 5] vastgegrepen en

* aan de string van die [slachtoffer 5] getrokken en

* de string van die [slachtoffer 5] kapot getrokken.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 tot en met 8, telkens:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee jaren schuldig gemaakt aan tenminste acht gevallen van aanranding, waarbij jonge vrouwen onverhoeds op straat van achter werden benaderd, terwijl zij op de fiets zaten ofwel bezig waren hun eigen woning te betreden. Tevens ging het in alle gevallen om vrouwen alleen, die op tijdstippen gelegen tussen 2 en 5 uur ’s morgens, op deze wijze werden geconfronteerd met een man die –nagenoeg naakt- aan hen verscheen en daarmee als zodanig al angst opwekte. Daarbij kwam het in al die gevallen tot een fysieke confrontatie, waarbij de vrouwen door verdachte werden geduwd of vastgepakt en tevens aan hun borsten of billen werden betast. In een aantal gevallen was tevens sprake van het vastpakken van de onderbroek of string van de vrouwen, met dusdanige kracht dat het ondergoed kapot werd getrokken.

Door de wijze van handelen van de verdachte en de omstandigheden waaronder, is sprake geweest van min of meer weerloze slachtoffers, die aldus hebben moeten dulden dat zij ontuchtig, soms ook hardhandig werden betast en die bovendien gevoelens van angst en paniek hebben ervaren, omdat zij niet wisten waar de verdachte op uit was. In meerdere aangiftes valt te lezen hoe zij geschrokken zijn van de bizarre omstandigheid dat hun belager naakt bleek te zijn en hoe zij paniek hebben gevoeld uit angst door de verdachte verkracht of gedood te zullen worden. Met betrekking tot de vrouwen die voor hun eigen voordeur als vanuit het niets van achter zijn benaderd door de verdachte, valt daaraan nog toe te voegen dat zij –zich veilig wanend nabij hun eigen woning- in hevige mate zijn aangetast in dat gevoel van veiligheid. In het tweetal slachtofferverklaringen dat op de terechtzitting door de voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank is voorgelezen, is prangend duidelijk naar voren gekomen hoezeer de aanrandingen door de verdachte hevige gevoelens van angst en onveiligheid bij de vrouwen hebben teweeggebracht, waarbij de gevolgen thans voor de slachtoffers ook nog altijd merkbaar en voelbaar zijn. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.

Mede doordat men er- ondanks alle meldingen vanaf de zomer 2007 en ondanks het feit dat daarbij door politie en justitie opsporingsmiddelen als observatie en het plaatsen van camera’s zijn ingezet- niet in slaagde de verdachte te identificeren en aan te houden, hebben de bovenomschreven gevoelens van onrust, angst en onveiligheid zich gedurende een hele lange periode in Alkmaar voorgedaan.

Tevens moet daaraan worden toegevoegd dat de gevolgen zich niet hebben beperkt tot de acht aangiftes die in de tenlastelegging zijn opgenomen. In het dossier zit een groter aantal aangiften en meldingen van vergelijkbare gevallen in dezelfde periode, waarbij nog aangetekend zij dat de verdachte zelf heeft verklaard dat bedoeld handelen zich soms meerdere keren per maand heeft voorgedaan in een periode van twee jaren. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de bovenomschreven gevolgen die deze feiten voor de slachtoffers hebben gehad, met zich meebrengen dat een vrijheidsbenemende sanctie op zijn plaats is. Met betrekking tot de aard en duur van die sanctie, zal de rechtbank hieronder een uitgebreide, nadere motivering geven, waarbij ook de persoon van de verdachte mede is betrokken.

De persoon van de verdachte

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 6 juli 2009 is gebleken dat de verdachte niet eerder terzake van enig strafbaar feit is vervolgd en veroordeeld.

De verdachte is geobserveerd in het Pieter Baan Centrum. In het rapport van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt door J.B. Seinen, psycholoog en R.J.P. Rijnders, psychiater, gedateerd 11 november 2009 is het volgende opgenomen:

J.B. Seinen, psycholoog verbonden aan het Pieter Baan Centrum stelt onder andere:

(p.34) De gesprekken met betrokkenen verlopen toenemend moeizaam. Zijn korte, oppervlakkige antwoorden lijken voort te komen uit zowel innerlijk verzet als onvermogen, met het accent evenwel op het laatste. Vooral met vragen die zijn emotionele beleving betreffen kan betrokkene gezien zijn dan geprikkelde reacties, moeilijk uit de voeten. Zijn reacties op dergelijke vragen wijzen op een weinig fantasievolle, starre en nogal concreet pragmatische wijze van denken en een beperkt introspectief en zelfreflectief vermogen.

(p.35) Betrokkene’s onvermogen om zijn gevoelens benoemend te onderscheiden is zo pregnant dat het alexithym aandoet (alexithymie: het niet kunnen onderscheiden en verwoorden van de eigen emoties).

(p.43) Het bovenstaande doet de vraag rijzen in hoeverre betrokkene’s contactuele en emotionele beperkingen gezien moeten worden in het kader van mogelijke persoonlijkheidspathologie dan wel in het kader van een stoornis uit het autismespectrum.

Wat mogelijke persoonlijkheidspathologie betreft, zouden betrokkene’s contactuele en emotionele beperkingen een uiting kunnen zijn van een (afhankelijk) vermijdende, obsessief-compulsieve en ook schizoïde persoonlijkheidsstoornis.

(p.44) Bovenstaande overwegingen lijken evenwel niet overtuigend te pleiten voor het bestaan van een gedifferentieerde persoonlijkheidsstoornis. De veelheid van de in op zicht in aanmerking komende categorieën betreffen immers een veel breder scala aan kenmerken dan de beschreven contactuele en emotionele beperkingen, terwijl deze laatste bij betrokkene nu juist het meest pregnant zijn. Voorzover betrokkene’s beperkingen karakterologisch verankerd zijn, zouden deze beperkingen derhalve wellicht eerder als een persoonlijkheidstrek dan als uiting van een zich per definitie breder en met een ontregelender effect zich manifesterende persoonlijkheidsstoornis.

De relatieve geïsoleerdheid van betrokkene’s contactuele en (op mogelijke alexithymie wijzende) emotionele beperkingen maken de hypothese van een stoornis uit het autismespectrum het meest waarschijnlijk (waarschijnlijker dus dan een persoonlijkheidsstoornis). De gedachten zouden hierbij in diagnostische zin vooral uitgaan naar de Pervasieve Ontwikkelingsstoornis Niet anders omschreven (PDD-NOS), aangezien betrokkene zeker niet voldoet aan de criteria van de klassiek autistische stoornis, noch aan die van de stoornis van Asperger. Alles overziend kan ook deze stoornis (PDD-NOS), tenslotte, echter per saldo niet overtuigend worden onderbouwd.

R.J.P. Rijnders, psychiater van het Pieter Baan Centrum heeft onder meer het volgende gerapporteerd:

(p.48) Over vrijwel alle gedragskundige belangrijke terreinen verlopen de gesprekken moeizaam. Ik verkrijg in omvang en diepte slechts een beperkte hoeveelheid informatie, overigens zonder dat betrokkenen op mij een achterdochtige indruk maakt. Het lijkt erop dat betrokkene gewend is in louter feitelijkheden en gebeurtenissen te spreken en bijna allergisch is voor een gesprek over de hieraan gekoppelde gevoelens en gedachten.

(p.49) Een deel van betrokkene’s moeizame opstelling kan worden verklaard uit zijn schaamte over het tenlastegelegde, zo begrijp ik van hem.

(p.51) Over het tenlastegelegde vertelt betrokkene mij dat hij van huis wegging, ergens onderweg zijn kleding verstopte, naar het slachtoffer reed, haar kneep of betastte en vervolgens weer terugreed om zich om te kleden. Er zou geen seksuele arousal zijn opgetreden. Betrokkene zegt slechts te kunnen vertellen dat hij zich wilde “laten zien”, doelend op het tonen van zijn geslachtsdeel. Hij zou geen agressieve gevoelens jegens de slachtoffers hebben gekend, noch verkrachtingsfantasieën of dito intenties te hebben gekoesterd. Slechts de wil tot het tonen van zijn naaktheid lag verborgen in zijn gedrag ten tijde van het tenlastegelegde. Hij zegt vroeger nimmer exhibitionistisch gedrag te hebben vertoond, noch de aandrang daartoe te hebben gekend.

(p.52) Er bestaan geen aanwijzingen voor een gestoorde agressieregulatie in de vorm van agressief impulsief gedrag. Wel kan betrokkene zijn woede en boosheid niet goed aanvoelen. Dergelijk –vermoedelijk- onvermogen emoties te onderkennen en te beschrijven verwijst naar een persoonlijkheidsgebonden alexithymie. Blijkens een door betrokkene ingevuld psychologisch testonderdeel scoort hij net onder het afkappunt voor het vaststellen van alexithymie.

(p.53) Betrokkene valt niet op in krenkbaarheid of in een verheven (narcistisch) zelfgevoel. De matige mededeelzaamheid van betrokkene verhindert een uitgebreid zicht op zijn cognitieve en affectieve emphathische vermogens.

De gedachte dringt zich op dat betrokkene de facto het onderzoek heeft geweigerd, maar daarvoor is zijn contraire houding niet consistent genoeg aanwezig geweest. Eerder lijkt er sprake van een onvermogen tot het bespreken en evalueren van emotioneel getinte zaken en het daaraan verbonden tenlastegelegde. Verder geldt dat betrokkene’s geringe souplesse in het dagelijks leven en in de intermenselijke communicatie een langdurig patroon lijkt te hebben. De door referenten beschreven verlegenheid, communicatieproblemen en starheid wijzen hierop. Het beeld rijst van een sociale en emotionele beperking in het kader van een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven, ook wel gekend als PDD-NOS.

(p.54) Het is mogelijk dat de hierboven binnen het PDD-NOS-kader geduide fenomenen hieraan ten grondslag hebben gelegen, maar zekerheid dienaangaande is niet aanwezig.

Zoals ook door de mederapporterende psycholoog is betoogd, zijn er onvoldoende aanwijzingen voor het stellen van een persoonlijkheidsstoornis bij betrokkene.

(p.55 -57) Conclusie:

Betrokkene is een 33-jarige benedengemiddeld intelligente man, die beperkt onderzoekbaar is gebleken. Het is mogelijk dat betrokkene’s procespositie hieraan ten grondslag heeft gelegen, maar ondergetekenden houden ook rekening met de mogelijkheid dat het onderzoek mede beperkt is vanwege betrokkene’s beperkte communicatieve vaardigheden. Hoewel ondergetekenden hebben overwogen betrokkene’s emotionele en contactuele beperkingen te plaatsen in het kader van een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven, is het niet mogelijk deze diagnose volledig te onderbouwen. Evenmin is het mogelijk voornoemde beperkingen te plaatsen in het kader van een (gemengde) persoonlijkheidsstoornis. Ondergetekenden menen echter dat de ernst en omvang van betrokkene’s emotionele en contactuele beperkingen dusdanig zijn dat bij hem een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan worden vastgesteld. Hierbij merken ondergetekenden op dat – mede op grond van dit in omvang beperkte onderzoek – een nadere kwantificering van de ernst en omvang van genoemde gebrekkige ontwikkeling niet is vast te stellen.

Betrokkene is afkomstig uit een milieu waarin individuele leden vooral worden aangesproken op hun gedragingen en inzet, en niet zozeer op hun communicatieve en emotionele vaardigheden. In een dergelijk milieu is het goed voorstelbaar dat betrokkene met steun van familie en een hem welwillende werkgever binnen een zekere bandbreedte heeft kunnen functioneren, zonder in volle omvang te zijn uitgedaagd op het gebied van emotionele en contactuele vaardigheden. Desondanks viel betrokkene zelfs binnen genoemd milieu op vanwege zijn emotionele en communicatieve problemen.

Uit het huidige onderzoek blijken geen speciale gedragingen van betrokkene in zijn levensloop: er zijn geen aanknopingspunten voor de aanwezigheid van een impulsregulatiestoornis, parafilie of een problematiek op het gebied van middelengebruik bij betrokkene.

Ondanks vele pogingen daartoe hebben ondergetekenden geen uitgebreide delictanalyse en delictscenario kunnen opstellen. Betrokkene’s beperkte mededeelzaamheid dienaangaande ligt hieraan deels ten grondslag. Twee meest voor de hand liggende hypothesen, te weten strevingen op het vlak van wraak of exhibitionisme, hebben ondergetekenden niet kunnen onderbouwen.

Ondergetekenden hypothetiseren dat wraakgevoelens hebben gespeeld in betrokkene’s handelingen naar de slachtoffers van de ten laste gelegde feiten (indien bewezen). Deze wraak zou kunnen zijn gemobiliseerd als reactie op of in de nasleep van de relatie met [ex-vriendin], die hem – zoals blijkt uit het dossier en het milieuonderzoek – tegen zijn wil heeft verlaten. Het is mogelijk dat betrokkene – die in sociaal en emotioneel opzicht beperkt is – zich zo verlaten en verraden heeft gevoeld door het vertrek van [ex-vriendin], dat hij zijn daaraan gekoppelde boosheid vervolgens in generaliserende zin heeft gericht op vrouwen in het algemeen, door hen op vernederende wijze voor schut te zetten middels het verscheuren van hun ondergoed. Hiervoor zijn echter onvoldoende aanwijzingen in het dossier en tijdens dit onderzoek. Tevens valt op dat de ten laste gelegde feiten jaren na het vertrek van [ex-vriendin] hebben plaatsgevonden. Niet blijkt dat betrokkene een wraakzuchtig ruminerende persoon is. De ten laste gelegde feiten (indien bewezen) hebben een sterk exhibitionistische component. Zoals blijkt uit het milieuonderzoek is betrokkene niet bekend met exhibitionistische gedragingen. Betrokkene zegt dat hij zich wilde “laten zien”, met andere woorden hij wilde zijn geslachtsdelen laten zien aan de slachtoffers. Het is ondergetekenden in dit onderzoek niet duidelijk geworden wat betrokkene’s onderliggende streven hierbij was. Ondergetekenden hypothetiseren dat betrokkene wellicht bewondering wilde oogsten bij de slachtoffers, op zoek was naar een gewillige partner, verhoogde seksuele arousal ontleende aan zijn presentatie of als schrik van de omgeving te boek wilde staan. Dergelijke hypothesen blijken in dit onderzoek echter niet te kunnen worden onderbouwd.

Concluderend menen ondergetekenden dat beredeneerd vanuit betrokkene’s gebrekkige ontwikkeling in dit onderzoek niet kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre de afzonderlijke of gecombineerde kenmerken daarvan – afgezet tegen betrokkene’s blanco voorgeschiedenis voor geweld en parafilie – bepalend is c.q. zijn geweest voor de ten laste gelegde feiten (indien bewezen). Het ontbreekt immers aan voldoende zicht op het delictscenario en tevens geldt dat de ernst en omvang van betrokkene’s beperkingen in communicatieve en sociale vaardigheden niet goed kwantificeerbaar zijn. Gegeven het voorgaande onthouden ondergetekenden zich derhalve van verdere advisering.

Over de verdachte is op 30 december 2009 een voorlichtingsrapport opgemaakt door de reclasseringswerker P.M. Brugman van de Reclassering Nederland. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

Risc onderzoek wijst uit dat betrokkene een gemiddeld recidive profiel heeft. Tijdens de Pro-Justitia rapportbespreking legt psychiater de heer Rijders uit dat hij het gevaar voor recidive laag acht. Als reden noemt hij de oprechte schaamte en schok die de tenlastelegging teweeg heeft gebracht bij [verdachte]. Na uitgebreid onderzoek naar de motivatie en reden van zijn gedragingen en acties (indien bewezen) lijkt er niet een duidelijke analyse dan wel inschatting van het recidivegevaar te kunnen worden gemaakt.

Naar aanleiding van het genoemde en de uitgebreide rapportage van het Pieter Baan Centrum, waarin geen advies wordt geformuleerd, blijven er naar het oordeel van de Reclassering onduidelijkheden bestaan met betrekking tot het gedrag van [verdachte].

[verdachte] heeft verschillend keren geuit dat hij moeite heeft om te praten met vreemden, ook toen hij in het Pieter Baan Centrum verbleef. Hij verklaarde dat zes weken echt te kort was voor hem om zich goed te kunnen uiten. De reclassering acht het wenselijk dat betrokkene een (ambulant) hulpverleningstraject krijgt aangeboden, gericht op het exploreren van de delictmotivatie, terugval en preventie en het leren nemen van de volledige verantwoordelijkheid van het delictgedrag.

Zodoende heeft rapporteur contact opgenomen met de heer Volkers, Forensisch therapeut bij de Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) van GGZ Noord Holland. Er is met de heer Volkers gesproken over mogelijkheden voor behandeling met betrekking tot de huidige tenlasteleggingen, motivatie en gedragingen van betrokkene. De heer Volkers heeft 21 december 2009 een gesprek gehad met [verdachte] in PI Zwaag, om behandelmogelijkheden te onderzoeken. De heer Volkers heeft hierop laten weten dat een ambulante behandeling tot de mogelijkheden behoort. Binnen een langdurig verplicht reclasseringscontact of een TBS met voorwaarden kan dit ten uitvoer worden gelegd.

[verdachte] heeft laten weten mee te werken aan een verplicht reclasseringscontact ook als dit betekent dat hij voor verder onderzoek moet meewerken aan een intake en daaruit voortvloeiende ambulante behandeling, ook als dit plaatsvindt binnen een verplicht langdurig reclasseringscontact. Ook heeft [verdachte] ingestemd mee te werken aan behandeling en de uitvoering van het plan van aanpak ook als dit plaatsvindt binnen een TBS met voorwaarden. Reclassering Nederland heeft hiervoor het volgende plan van aanpak opgesteld:

• Verplicht reclasseringscontact, gericht op controle, motivering en langdurige begeleiding

• Betrokkene werkt mee aan intake dan wel ambulante behandeling bij de Forensische Psychiatrische Afdeling GGZ Noord Holland of gelijkwaardige instelling, gericht op het verkrijgen van inzicht in zijn delictgedrag wat heeft geleid tot het plegen van de huidige tenlasteleggingen indien bewezen geacht.

Advies:

Indien de ernst van de strafbare feiten dit rechtvaardigt adviseert rapporteur de Rechtbank betrokkene een onvoorwaardelijke straf op te leggen. Tevens adviseert onze instelling betrokkene een voorwaardelijke straf op te leggen en hieraan als bijzondere voorwaarde te verbinden een langdurig verplicht contact langer dan twee jaren met de Reclassering en de bijzondere voorwaarde dat betrokkene een ambulante behandeling ondergaat bij de polikliniek van de Forensische Psychiatrische Afdeling bij de GGZ Noord-Holland of instelling van gelijke orde.

Door mevrouw Brugman voornoemd is over de verdachte op verzoek van de officier van justitie op 21 januari 2010 een maatregelrapport opgemaakt teneinde de mogelijkheden te onderzoeken voor een TBS met voorwaarden en daarvoor voorwaarden te formuleren. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:

De heer Volkers (van de FPA) heeft de rapportage van het Pieter Baan Centrum onderzocht om tot een volledige intake te komen. De heer Volkers heeft laten weten dat zij betrokkene klinisch danwel poliklinisch in behandeling kunnen nemen in de veronderstelling inzicht te krijgen naar zijn beweegredenen van het delictgedrag en diagnostiekbepaling.

Voor het komen van een gedegen invulling van een eventuele TBS met voorwaarden en kaders voor het toezicht hierop, is nog veel onbekend. Omdat het niet duidelijk is waar het delictgedrag vandaan komt, is ook niet vast te stellen hoe de kans op recidive te verminderen. Er is dus bij het ingaan van een eventuele maatregel TBS met voorwaarden ons inziens sprake van een onveranderde kans op recidive. Aangezien betrokkene bereid is mee te werken aan verder onderzoek en de nader te indiceren behandeling, de GGZ Noord-Holland-Noord mogelijkheden tot behandeling ziet en er een sluitend netwerk te creëren is in samenwerking met zowel de ouders evenals de politie, is Reclassering Nederland wel bereid een toezicht aan te gaan in het kader van een eventuele TBS met voorwaarden.

Mevrouw P.M. Brugman is als getuige ter terechtzitting gehoord en heeft haar beide rapporten als volgt nader toegelicht:

Het strafadvies is tweeledig, dat wil zeggen de voorwaarden kunnen worden opgelegd bij een voorwaardelijke straf of bij een TBS met voorwaarden. Ik neigde in mijn advies niet naar een TBS met voorwaarden, maar de officier van justitie heeft mij na het uitbrengen van mijn voorlichtingsrapport verzocht de mogelijkheden van een tbs met voorwaarden in kaart te brengen. Het klopt dat ik op het gebied van gevaar voor herhaling niet veel kan zeggen. Een duidelijke analyse en een duidelijke inschatting van het herhalingsgevaar kunnen niet worden gemaakt. Ik heb de lengte van de proeftijd gebaseerd op de langdurige behandeling die betrokkene dient te ondergaan. Bij een langdurige behandeling bestaat de kans dat van zijn kant meer informatie los komt. Betrokkene heeft al aangegeven dat hij veel tijd nodig heeft voor contactgroei. Ik kan niets zeggen over de tijd die daarvoor nodig is. De heer Volkers van de FPA heeft mij al aangegeven dat hij een langere behandelperiode verwacht, in eerste instantie gericht op diagnostiek. Hij heeft geen periode genoemd. Binnen een TBS met voorwaarden hebben we een breed vangnet waarbinnen we eventuele mogelijkheden kunnen opvangen.

U loopt met mij de voorwaarden door die ik in mijn laatste rapport heb opgenomen. Ik zie problemen bij het teruggaan van betrokkene naar zijn eigen woning. Betrokkene kan terugkeren bij zijn werkgever. Het is van belang dat een goed netwerk om meneer wordt gecreëerd. Daarin zou elektronisch toezicht een rol kunnen spelen, maar het hoeft niet. Het contactverbod met de slachtoffers en het locatieverbod (binnen een straal van één kilometer van zijn woning) is met de wijkagent overlegd. Ik ben ervan op de hoogte dat [verdachte] ook zelf niet wil terugkeren naar zijn woning.

De heer Volkers verwacht de nodige inspanningen van betrokkene. In eerste instantie zal de behandeling erop zijn gericht om hem te doen praten en vervolgens zal de verdieping worden ingegaan. De ambulante behandeling en het eventuele elektronisch toezicht kunnen direct gestart worden. Er is geen aanwijzing van drank- of drugsmisbruik, maar om alle risico’s uit te sluiten is het van belang dat betrokkene zich onthoudt van het gebruik van dergelijke middelen. Ik kan de kans op succes van de behandeling moeilijk inschatten. Ik hoop dat na een langdurige behandeling iets meer bekend wordt over de delictmotivatie.

U vraagt mij of ik mijn advies heb besproken met de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum. Dat is het geval. Zij zeiden dat een ambulante behandeling zoals bij de FPA wel tot de mogelijkheden behoorde en zij waren ook bereid ter zitting zo nodig een en ander toe te lichten. Ik had de rapporteurs eigenlijk vandaag wel verwacht, maar ik begrijp van u dat ze niet zijn opgeroepen.

De strafoplegging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan de verdachte –naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht- de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging moet worden opgelegd.

De officier van justitie heeft daarbij het volgende aangevoerd: de verdachte is door de gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum beperkt onderzoekbaar gebleken, waarbij geen stoornis van de geestvermogens is vastgesteld maar waarbij sprake is van zodanige emotionele en contactuele beperkingen, dat bij hem een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens kan worden vastgesteld. De officier van justitie heeft daarbij geconstateerd dat genoemde deskundigen zich hebben onthouden van een advies omdat zij geen uitspraak hebben kunnen doen over de ernst en mate van de gebrekkige ontwikkeling, en over de vraag of bedoelde ontwikkeling (mede) de strafbare feiten heeft veroorzaakt alsmede de vraag naar het verband met het gevaar dat de verdachte daarmee oplevert voor anderen. Volgens de Officier van Justitie staat dit het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling evenwel niet in de weg, nu de wet daarvoor geen causaal verband eist tussen de bewezen verklaarde feiten en de gebrekkige ontwikkeling, anders dan dat deze zich tegelijkertijd moeten hebben voorgedaan. In onderhavig geval is aan de eis van gelijktijdigheid voldaan en is tevens voldaan aan de in artikel 37a Wetboek van Strafrecht neergelegde voorwaarde dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eisen. De officier van justitie heeft voorts aangegeven hoe zij aanvankelijk –met de reclassering- van oordeel was dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden wellicht toereikend zou kunnen zijn om het gevaar, middels een intensieve ambulante behandeling, te kunnen afwenden. De officier van justitie is evenwel tot de eindconclusie gekomen dat thans nog zo weinig duidelijk is inzake de problematiek van de verdachte, de oorzaken voor het strafbare gedrag en de soort behandeling die nodig is om herhaling van de feiten te voorkomen, dat alleen een terbeschikkingstelling met dwangverpleging in deze voldoende waarborgen biedt om te komen tot de benodigde diagnostiek en noodzakelijke behandeling.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie hem verbaast, nu de officier van justitie in een eerder stadium al actief de Reclassering Nederland ertoe had aangezet een rapport op te stellen ter onderbouwing van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, maar thans ter zitting een terbeschikkingstelling met dwangverpleging vordert. Volgens de raadsman moet betekenis worden toegekend aan het feit dat de deskundigen van het Pieter Baan Centrum –na een observatie van de verdachte gedurende zeven weken waar de verdediging overigens zelf om had gevraagd- niet tot een advies en tot een conclusie hebben kunnen komen. Ook is van belang dat de verdachte –zover hem dat is gelukt gelet op zijn beperkingen- mee heeft willen werken aan het onderzoek. Daarbij is het zo dat de Reclassering mede in samenspraak met de heer Volkers van de Forensische Psychiatrische Afdeling GGZ te Heiloo, heeft geadviseerd dat verdachte een langdurige, ambulante behandeling zou dienen te ondergaan. De noodzaak van die ambulante behandeling wordt door de verdediging onderschreven en de verdachte heeft zich bereid verklaard die behandeling te ondergaan en zich verder aan de aanwijzingen van de Reclassering te zullen houden. Het kader waarbinnen deze voorwaarden worden gesteld, is de raadsman om het even. Het kan geschieden, aldus de raadsman, zowel in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een straf als in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Wat de voorwaarden zelf betreft, bepleit de raadsman dat de rechtbank zich daarbij zal beperken tot de gebruikelijke algemene en bijzondere voorwaarden, en niet alle in het rapport van de reclassering genoemde voorwaarden over zal nemen. Hierbij speelt met name een rol dat de verdachte zelf ook niet meer wil terugkeren naar zijn koopwoning in Alkmaar, zodat elektronisch toezicht en het verbod zich in een straal van een kilometer van zijn huidige woning op te houden, niet nodig is.

Voor het geval de rechtbank zou overwegen om de officier te volgen in de eis van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, heeft de raadsman subsidiair het verzoek gedaan in dat geval de zaak aan te houden en de eerdergenoemde deskundigen ter terechtzitting te horen over de vraag of behandeling in een TBS-kliniek wel raadzaam en nodig is en of niet met een ambulante behandeling kan worden volstaan of dat een dergelijke ambulante behandeling wellicht zelfs de voorkeur zou moeten hebben. De raadsman merkt op dat de getuige Brugman ter zitting desgevraagd heeft gezegd dat zij het advies van de Reclassering tot ambulante behandeling aan de deskundigen van het Pieter Baan Centrum heeft voorgelegd.

De officier van justitie heeft bij repliek betoogd dat zij het verzoek tot het horen van de deskundigen ter zitting te laat gedaan vindt en zij acht aanhouding ook niet noodzakelijk, omdat de voorliggende vragen door de rechtbank moeten en kunnen worden beantwoord zonder dat daarbij een advies van de deskundigen is vereist.

De raadsman heeft bij dupliek gesteld dat hij het verzoek thans (alleen subsidiair) doet, omdat nu pas blijkt dat de officier van justitie een terbeschikkingstelling met dwangverpleging vordert. De raadsman achtte voorafgaand aan de zitting het rapport van de deskundigen op het punt van de door de rechtbank te beantwoorden vragen volstrekt helder en heeft daarom eerder geen noodzaak gezien een verzoek te doen bedoelde deskundigen te horen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de op te leggen sanctie het volgende:

Zoals eerder aangegeven is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende sanctie op zijn plaats is. Zoals ook door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank een aanzienlijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Voorts is de rechtbank met de officier van justitie en met de verdediging van oordeel dat behandeling van de verdachte noodzakelijk is, teneinde zicht te krijgen op de redenen waarom de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan en voorts te kunnen werken aan de onderliggende problematiek om daarmee dergelijke feiten in de toekomst te kunnen voorkomen. Bij de beantwoording van de vraag in welk juridisch kader deze behandeling dient plaats te vinden, acht de rechtbank de volgende factoren van belang:

1) De verdachte heeft –buiten de bewezenverklaarde feiten en een overtreding van de Wegenverkeerswet in 2008- geen contacten met politie of justitie gehad. Uit de stukken, waaronder het mileuonderzoek verricht door het Pieter Baan Centrum, komt bovendien geen enkel aanknopingspunt naar voren om aan te nemen dat de verdachte –een man van 33 jaar oud- al eerder dan in 2007 enige vorm van grensoverschrijdend en/of seksueel afwijkend gedrag in het openbaar of in zijn priveleven heeft vertoond.

2) Door de gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum is op basis van hun onderzoek niet gebleken van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte. Bedoelde deskundigen hebben daarbij in het bijzonder geen aanwijzingen gevonden voor een gestoorde agressieregulatie in de vorm van agressief gedrag. Ook zijn er onvoldoende aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis of een autismespectrumstoornis in de vorm van PDD-NOS gevonden.

3) Door de gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum is op basis van hun onderzoek wel geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van emotionele en contactuele beperkingen die zich dermate afwijkend manifesteren dat gesproken kan worden van een in dit opzicht gebrekkige ontwikkeling.

4) Bedoelde deskundigen hebben geen aanwijzingen gevonden dat de verdachte bij het plegen van de feiten uit wraak zou hebben gehandeld (in reactie op een jaren eerder beëindigde relatie) of dat de verdachte zou lijden aan parafilie (exhibitionistisch gedrag). De verdachte zelf heeft dit ter zitting bevestigd en aangegeven dat hij de feiten niet uit seksuele opwinding heeft gepleegd, terwijl ook een aantal aangeefsters heeft verklaard dat zij bij de verdachte ten tijde van het feit geen erectie hebben gezien.

5) Hoewel de verdachte beperkt onderzoekbaar is gebleken, is in de ogen van genoemde deskundigen geen sprake geweest van een weigerende observandus en dient de geringe mededeelzaamheid van de verdachte geplaatst te worden in zijn onvermogen zich te uiten. De rechtbank benadrukt dat de rapportage –ondanks het feit dat rapporteurs niet tot een volledig onderzoek hebben kunnen komen- uitvoerig te noemen is in de onderbouwing van het feit dat zij niet tot een conclusie en tot een advies hebben kunnen komen.

6) In het bijzonder hebben genoemde rapporteurs -in weerwil van al hun pogingen daartoe- geen conclusie kunnen trekken over

a) de ernst en omvang van de gebrekkige ontwikkeling;

b) de vraag of en zo ja, in hoeverre de afzonderlijke of gecombineerde kenmerken van bedoelde gebrekkige ontwikkeling bepalend zijn geweest voor de tenlastegelegde feiten;

c) een aannemelijke delictanalyse en een delictscenario;

De rechtbank stelt daarbij vast dat de bedoelde deskundigen zich verder onthouden van een advies en daarmee ook geen uitspraken hebben gedaan over de vraag naar het gevaar dat de verdachte op dit moment en in de toekomst voor anderen zou kunnen opleveren. Evenmin zijn in het persoonlijkheidsonderzoek uitspraken gedaan over de aard en soort behandeling die de verdachte zou moeten en kunnen ondergaan.

7) de Reclassering Nederland heeft geprobeerd te komen tot een analyse van het delictgedrag en een inschatting van het gevaar voor herhaling. Ter terechtzitting heeft mevrouw Brugman als getuige desgevraagd verklaard dat een duidelijke analyse en inschatting niet kunnen worden gemaakt. Aan het gegeven dat niet duidelijk is waar het delictgedrag vandaan komt, heeft de Reclassering de conclusie verbonden dat het gevaar van herhaling thans onveranderd bestaat.

8) Anders dan de rapporteurs van het PBC heeft de Reclassering Nederland wel uitspraken gedaan over de noodzaak van een (ambulante) behandeling, te weten bij de FPA te Heiloo. Verdachte heeft daartoe reeds een intake gedaan en is volgens de heer Volkers van de FPA –mede op grond van het persoonlijkheidsonderzoek van het PBC- geschikt bevonden om binnen een langdurig verplicht reclasseringscontact een dergelijke behandeling te ondergaan. De verdachte heeft verklaard aan de behandeling te zullen meewerken.

De rechtbank concludeert dat op grond van de stukken van het dossier kan worden vastgesteld dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling bij de verdachte, waarbij het uit de aard van dat gebrek, niet anders kan dan dat dit gebrek zich reeds ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten heeft voorgedaan. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat daarmee aan een belangrijke wettelijke eis voor het opleggen van terbeschikkingstelling is voldaan. Ook is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een advies van een deskundige op zichzelf niet nodig is om uitspraken te kunnen doen over het verband tussen deze gebrekkige ontwikkeling en de bewezenverklaarde feiten enerzijds en het verband tussen de gebrekkige ontwikkeling en de gevaarlijkheid van de verdachte voor anderen c.q. het gevaar dat verdachte in herhaling zal vervallen anderzijds. Tevens is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat kan worden gezegd dat de verdachte in ieder geval ten tijde van de delicten de veiligheid van personen evident in gevaar heeft gebracht.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank op grond van de hierboven genoemde acht factoren –mede in het licht van hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd- van oordeel dat uit het gehele dossier onvoldoende aanknopingspunten naar voren komen om te kunnen vaststellen of er tussen de gebrekkige ontwikkeling van de verdachte en de door hem gepleegde feiten enig verband bestaat. Evenmin kan worden vastgesteld dat de gebrekkige ontwikkeling van de verdachte ook thans en in de toekomst de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen dusdanig in gevaar zal brengen dat daarmee een terbeschikkingstelling passend en geboden is.

De officier van justitie baseert haar oordelen dienaangaande juist op het gebrek aan inzicht en duidelijkheid dat thans bestaat, gevoegd bij het gevaar dat de verdachte voor anderen zou opleveren. De rechtbank is evenwel van oordeel dat vooral gelet op het feit dat het hier een volwassen man van 33 jaar betreft met een op dit terrein blanco strafblad, bij wie geen stoornis maar wel een gebrekkige ontwikkeling is vastgesteld die uit de aard van dat gebrek reeds lange tijd zal hebben bestaan, bovenbedoelde causale verbanden onvoldoende duidelijk vast te stellen zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit gebrek aan aanknopingspunten zowel de vraag naar de noodzaak en passendheid van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging als van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

De rechtbank zal daarom geen maatregel in de zin van artikel 37 b of artikel 38 Wetboek van Strafrecht opleggen, maar wel een aanzienlijke gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk met algemene en bijzondere voorwaarden.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de gevangenisstraf zoals door de officier van justitie geëist, waarbij zij aantekent dat in zijn feitelijke uitwerking ook in de voorstelling van het openbaar ministerie de verdachte binnen afzienbare termijn aan de benodigde behandeling zou moeten en kunnen beginnen.

De rechtbank acht gelet op het bovenstaande een gevangenisstraf op zijn plaats voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en waarvan een deel, te weten twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en met daaraan te stellen algemene en bijzondere voorwaarden.

De rechtbank stelt daarbij de proeftijd op de in dit geval door artikel 14b tweede lid juncto artikel 14c tweede lid Wetboek van Strafrecht bepaalde maximale termijn van twee jaren. De rechtbank overweegt hierbij dat een langere proeftijd van drie jaren wellicht wenselijk zou zijn gelet op de benodigde behandeling, maar dat deze proeftijd wettelijk niet is toegelaten in dit geval, gelet op de bijzondere gedragsvoorwaarden die aan de verdachte worden gesteld. Daarnaast heeft de rechtbank –zoals eerder weergegeven- onvoldoende aanknopingspunten in het dossier kunnen vinden om aan te nemen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De aan het slot van artikel 14 b tweede lid Wetboek van Strafrecht genoemde langere proeftijd dan 2 jaar is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet aan de orde.

De rechtbank acht het zoals gezegd van belang dat de verdachte in het kader van de bijzondere voorwaarden verplichte begeleiding en toezicht van de Reclassering Nederland zal accepteren en een behandeling zal ondergaan in de Forensische Psychiatrische Afdeling van de GGZ Noord Holland Noord te Heiloo of een soortgelijke instelling.

De overige in het maatregelrapport van de Reclassering genoemde voorwaarden die het gedrag van verdachte betreffen zal de rechtbank niet als zodanig opnemen in het vonnis, nu deze grotendeels vallen binnen de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal moeten houden aan de aanwijzingen van de Reclassering..

Terzake van het contactverbod met aangeefsters alsmede het locatieverbod (een straal van 1 kilometer rond de woning van verdachte) overweegt de rechtbank nog in het bijzonder dat deze voorwaarden nauwelijks kunnen bijdragen tot het doel dat zij zouden moeten dienen, namelijk het voorkomen van bewust gezochte danwel onverhoedse confrontatie tussen de verdachte en aangeefsters. De bewezenverklaarde feiten hebben zich voorgedaan in een ruimer gebied dan één kilometer rond verdachte’s (voormalig) huis en de verdachte heeft daarbij willekeurige voorbijgangers in heel verschillende straten aangerand, zonder verdere kennis van hun personalia. Ook is de rechtbank niet gebleken dat de verdachte zelf uit zou zijn op hernieuwde confrontatie met aangeefsters, terwijl hij bovendien heeft aangegeven niemand van hen nog te herkennen of te weten waar zij wonen. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij zijn koopwoning in Alkmaar wil verkopen en elders wil gaan wonen. Dit alles brengt mee dat de rechtbank genoemde voorwaarden niet zal opleggen, mede vanwege het feit dat met name het locatieverbod nauwelijks goed af te bakenen en daarmee te handhaven is.

8. Vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 1], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak via de gemachtigde raadsvrouw mr. L.J.P. Mentink bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 4.265,85 wegens materiële en immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De benadeelde partij [slachtoffer 2], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak via de gemachtigde raadsvrouw mr. L.J.P. Mentink bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.525,- wegens materiële en immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De benadeelde partij [slachtoffer 3], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak via de gemachtigde raadsvrouw mr. L.J.P. Mentink bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.500,- wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De benadeelde partij [slachtoffer 4], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak via de gemachtigde raadsvrouw mr. L.J.P. Mentink bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.500,- wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De benadeelde partij [slachtoffer 5], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak via de gemachtigde raadsvrouw mr. L.J.P. Mentink bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.500,- wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen.

De raadsman heeft de vorderingen van de benadeelde partijen niet betwist heeft bepleit dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, behoudens de gevorderde materiele schade van de benadeelde partij [slachtoffer 1] met betrekking tot de kosten van de aanschaf van een auto. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] op dit punt van de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard nu het causale verband ontbreekt tussen deze schade en de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van de door haar gevorderde kosten van aanschaf van een auto niet ontvankelijk moet worden verklaard nu de vordering op dit punt niet van eenvoudige aard is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank is van oordeel dan de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige en de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] eenvoudig genoeg zijn om in het strafproces te kunnen worden afgedaan.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING respectievelijk onder 1, 2, 3, 5 en 8 bewezen verklaarde strafbare feiten, door de handelingen van verdachte, rechtstreeks immateriële schade dan wel materiële schade hebben geleden tot de bedragen, genoemd in de vordering, kunnen de vorderingen tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade.

9. schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1, 2, 3, 5 en 8 bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

¦Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

¦Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

¦Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

¦Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

¦Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 2 (twee) jaren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt;

- dat de verdachte zich zal laten behandelen bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling van de GGZ Noord Holland Noord dan wel een soortgelijke instelling.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

¦Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1765,85 (zevenentwintig honderd vijfenzestig euro en vijfentachtig eurocent) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2007, de datum van ontstaan van de schade.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk en bepaalt dat zij dit deel bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. .

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 1.765,85, (zevenentwintig honderd vijfenzestig euro en vijfentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2007, de datum van ontstaan van de schade.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

¦Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1.525,- (vijftienhonderd vijfentwintig euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 november 2007, de datum van het ontstaan van de schade.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] te betalen een som geld ten bedrage van € 1.525,- , (vijftienhonderd vijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 november 2007, de datum van het ontstaan van de schade.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

¦Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2007, de datum van ontstaan van de schade.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] te betalen een som geld ten bedrage van € 1.500,- , (vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2007, de datum van ontstaan van de schade.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

¦Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1.500,- (vijftienhonderd euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2008, de datum van ontstaan van de schade.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] te betalen een som geld ten bedrage van € 1.500,- , (vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2008, de datum van ontstaan van de schade.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

¦Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1.500,- (vijftien honderd euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2009, de datum van ontstaan van de schade.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] te betalen een som geld ten bedrage van € 1.500,- , (vijftien honderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2009, de datum van ontstaan van de schade.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.A. Egter van Wissekerke, voorzitter,

mr. L. Jansen en mr. M.W. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van G.A.M. Delis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2010.