Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2010:1143

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
23-12-2019
Zaaknummer
AWB-08_3307
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

re-integratie, vertraging en tegemoetkoming, geen beroepsziekte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 08/3307 AW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde mr. D. van Zoelen,

tegen

de Staatssecretaris van Defensie,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Eiser heeft bij brief van 3 juni 2008 bezwaar gemaakt tegen de aan hem verstrekte salarisafrekening over de maand mei 2008. Daaruit blijkt dat eisers bezoldiging met ingang van 24 april 2008 wegens langdurige ziekte is gesteld op 70%.

Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is namens eiser bij brief van 6 november 2008 beroep ingesteld.

Bij besluit van 21 januari 2009 heeft verweerder besloten dat de korting op eisers bezoldiging ingaat op 24 oktober 2008.

Eiser heeft het beroep gehandhaafd en de gronden aangevuld bij brieven van 29 april 2009 en 27 oktober 2009.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 23 november 2009.

Partijen, door de rechtbank opgeroepen, zijn verschenen, eiser bijgestaan door zijn gemachtigde, verweerder vertegenwoordigd door mr. A.M. Rentema-Westerhof.

Motivering

1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 21 januari 2009 het besluit van 2 oktober 2008 heeft gewijzigd als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), door de datum met ingang waarvan eisers bezoldiging naar 70% wordt uitbetaald nader vast te stellen op 24 oktober 2008. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt eisers beroep geacht mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van
21 januari 2009.

2.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (IBBAD), heeft de ambtenaar die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte vanaf de dag waarop deze ongeschiktheid aanvangt, gedurende een termijn van twaalf maanden aanspraak op zijn volledige bezoldiging. Vervolgens heeft hij tot het einde van zijn betrekking aanspraak op 70% van zijn bezoldiging.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder a, van dit artikel heeft de ambtenaar ook na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn van twaalf maanden aanspraak op zijn volledige bezoldiging indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten (de rechtbank begrijpt: moest) worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel heeft de ambtenaar in afwijking van het eerste lid ook na het eerste tijdvak van twaalf maanden recht op doorbetaling van zijn bezoldiging over het aantal uren dat hij loonvormende arbeid heeft verricht, niet zijnde re-integratieactiviteiten, waaronder therapeutische arbeid, onderwijs of scholing.

3.

Eiser is op 24 april 2007 - na eerdere ziekteperiodes - als gevolg van burn-outklachten uitgevallen voor zijn werk als [functie] aan de [opleiding] ). In geschil is of verweerder eisers bezoldiging op goede gronden met ingang van
24 oktober 2008 heeft uitbetaald naar 70%.

4.

Eiser beantwoordt die vraag ontkennend en heeft daartoe aangevoerd dat zijn medische klachten in en door de dienst zijn ontstaan en door de dienst in stand worden gehouden. Nadat eiser na een eerdere uitval in verband met burn-outklachten weer voorzichtig aan het werk is gegaan, is hem opgedragen een opleiding te volgen. Dit in combinatie met de toch al zware werklast heeft ertoe geleid dat eiser opnieuw is uitgevallen.

Eiser voert voorts aan dat verweerder is tekortgeschoten in zijn re-integratieverplichtingen en dat de re-integratie is doorkruist door een oneigenlijke reorganisatie, waarbij eisers functie is weggereorganiseerd. Met de beslissing van 21 januari 2009 erkent verweerder tot op zekere hoogte dat hij is tekortgeschoten ten aanzien van eisers re-integratie, maar verweerder miskent dat de totale vertraging veel groter is dan een half jaar. Eiser begroot de vertraging op ruim 17 maanden en is van mening dat deze periode voor rekening van verweerder dient te komen. De salariskorting kan dus pas met ingang van 8 oktober 2009 ingaan. Eiser voert ten slotte aan dat hij sinds september 2007 gedurende tweemaal vier uur per week werkzaamheden verricht. Gelet op het bepaalde in artikel 26, vijfde lid, van het IBBAD mag over deze uren geen korting op het salaris worden toegepast.

5.

Verweerder stelt zich blijkens de bestreden besluiten op het standpunt dat geen sprake is van ziekte die in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de eiser opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moest worden verricht. Als eiser van mening was dat de ziekte door de dienst is ontstaan, had hij, conform de regeling zoals die sinds 1 oktober 2006 geldt, dat uiterlijk negen maanden na de ziekmelding kenbaar moeten maken aan de commandant. Vervolgens was dan medisch advies gevraagd aan het Bedrijf Bijzondere Medische Beoordelingen (BMB). Nu een dergelijk advies er niet is, en niet is gevraagd, kan van een ziekte door de dienst geen sprake zijn. Verweerder is verder van mening dat met de vertraging in de re-integratie voldoende rekening is gehouden door het moment van verlaging van het salaris met een half jaar op te schuiven. Voor het afzien van korting over de uren waarover eiser werkzaamheden heeft verricht ziet verweerder geen grond omdat sprake was van werkzaamheden op therapeutische basis.

6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte het standpunt ingenomen dat geen sprake kan zijn van ziekte die in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de eiser opgedragen arbeid omdat de daarvoor geldende procedure niet is nageleefd. Zoals blijkt uit artikel 7:11 van de Awb is de bezwarenprocedure bedoeld voor een volledige inhoudelijke heroverweging. Eiser heeft zich er in bezwaar gemotiveerd op beroepen dat de ziekte in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen arbeid. Verweerder was dus gehouden dit standpunt inhoudelijk in zijn heroverweging te betrekken. Dat eiser niet overeenkomstig een interne procedure zou hebben gehandeld kan daaraan geen afbreuk doen. Nu verweerder niet inhoudelijk is ingegaan op eisers bezwaren op dit punt is het bestreden besluit, zoals gewijzigd bij besluit van 21 januari 2009 (hierna: de bestreden besluiten), in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd en niet zorgvuldig voorbereid. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

7.

De rechtbank zal wel bezien of de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten geheel of gedeeltelijk in stand kunnen blijven. Daartoe kan aanleiding bestaan als de bestreden besluiten inhoudelijk juist zijn.

8.1.

Volgens vaste jurisprudentie dienen ter beantwoording van de vraag of de ziekte in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de opgedragen arbeid of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moest worden verricht, de in het werk of de werkomstandigheden voorkomende bijzondere factoren te worden geobjectiveerd. Naargelang de ziekte in sterkere mate van psychische aard is, zal er bovendien in grotere mate sprake moeten zijn van omstandigheden die, objectief beschouwd, een abnormaal of excessief karakter dragen. Het ligt op de weg van de betrokken ambtenaar om feiten en omstandigheden aan te dragen die deze conclusie kunnen dragen. Eerst als op grond van de beschikbare gegevens geconstateerd zou moeten worden dat de aard van de werkzaamheden dan wel de omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht objectief bezien als abnormaal en/of excessief gekenschetst zouden moeten worden, komt de - medische - vraag aan de orde of tussen de werkomstandigheden en de ontstane arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband bestaat.

8.2.

Niet in geschil is dat eiser is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als gevolg van klachten van grotendeels psychische aard. Eiser heeft gesteld dat hij al eerder is uitgevallen met burn-outklachten en dat hij op een gegeven moment zijn werkzaamheden heeft hervat, maar wel nog steeds gevoelig was voor een zware werkdruk. Verweerder wist dat, maar heeft daarmee onvoldoende rekening gehouden. Met name de verplichting om naast zijn werkzaamheden een opleiding te gaan volgen heeft ertoe geleid dat eiser opnieuw is uitgevallen.

8.3.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat in eisers geval geen sprake is van ziekte die in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de opgedragen arbeid. Uit de door eiser gestelde feiten en omstandigheden blijkt dat in zijn geval geen sprake is van in objectieve zin abnormale of excessieve werkomstandigheden. Juist vanwege eisers kwetsbaarheid na een eerdere uitval - een subjectieve omstandigheid - zijn de hem opgedragen werkzaamheden hem opnieuw teveel geworden. Eiser heeft ter zitting ook bevestigd dat hij zijn werklast altijd als vrij hoog heeft ervaren, maar dat hij geen feiten of omstandigheden kan aandragen die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is geweest van abnormale of excessieve werkomstandigheden. Dat eiser langer ziek zou zijn gebleven door het verloop van de re-integratie kan niet voeren tot de conclusie dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 26, vierde lid, van het IBBAD. De stelling dat het verloop van de re-integratie het herstel van eiser niet heeft bevorderd kan immers nog niet leiden tot de conclusie dat zijn ziekte in objectieve zin door werkomstandigheden is veroorzaakt.

9.1.

Met betrekking tot het standpunt van eiser dat verweerder bij de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met het verloop van de re-integratie overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 26 van het IBBAD schrijft de aanspraak op bezoldiging bij ziekte dwingendrechtelijk voor. Uitgangspunt is dat de aanspraak op bezoldiging na 12 maanden ziekte 70% bedraagt. Uitsluitend in de in het vierde en vijfde lid omschreven gevallen behoudt de ambtenaar aanspraak op volledige bezoldiging.

Verweerder voert, in afwijking van het bepaalde in artikel 26 van het IBBAD, het beleid dat ook niet tot verlaging van de bezoldiging na twaalf maanden wordt overgegaan wanneer er sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor verlaging niet redelijk of billijk wordt geacht. Dit beleid, dat is neergelegd in het “Informatiebulletin korting/verlaging loondoorbetaling bij ziekte voor de defensiemedewerker” (informatiebulletin), is te kwalificeren als buitenwettelijk beleid. De rechtbank komt in dit verband een terughoudende toets toe, waarbij de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard en uitsluitend wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.

9.2.

In het infobulletin is aangegeven dat verweerder een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld aanwezig acht als sprake is van een terminale ziekte. Andere situaties waarin een bijzondere omstandigheid aanwezig wordt geacht zijn in het beleid niet omschreven. Verweerder heeft in eisers geval aanleiding gezien de periode waarin de bezoldiging 100% blijft te verlengen met een half jaar en daarbij aangegeven dat hij het niet redelijk acht om de korting op eisers salaris twaalf maanden na de eerste ziektedag te laten plaatsvinden in verband met een vertraging van circa zes maanden, buiten eisers schuld, in het re-integratietraject. Verweerder merkt dus kennelijk ook vertraging in het re-integratietraject buiten de schuld van de betrokkene aan als een bijzondere omstandigheid als hiervoor omschreven, die moet leiden tot een overeenkomstige verlenging van de periode waarover volledige bezoldiging wordt genoten. De rechtbank neemt dit als gegeven aan en zal beoordelen of verweerder heeft kunnen komen tot het standpunt dat sprake is van een vertraging in het re-integratietraject van zes maanden.

9.3.

De rechtbank stelt aan de hand van het deskundigenoordeel van 19 december 2008 en de overige gedingstukken vast dat de re-integratie-inspanningen van verweerder onvoldoende zijn geweest. Er is blijkens het deskundigenoordeel bijvoorbeeld geen plan van aanpak en geen eerstejaarsevaluatie aanwezig. Daarnaast is eiser in strijd met verweerders eigen richtlijnen niet na zes maanden aangemeld bij het dienstencentrum re-integratie (DCR), maar is de aanmelding pas in juni 2008 voltooid. Verder is onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om de eigen functie al dan niet in aangepaste vorm te hervatten of te hervatten in andere functies binnen en buiten de afdeling in combinatie met eventuele voorzieningen of externe mogelijkheden.

9.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de ontstane vertraging in het re-integratietraject op zes maanden heeft kunnen stellen. De rechtbank acht daartoe enerzijds van belang dat met name de te late aanmelding bij het DCR ten aanzien van de feitelijke re-integratie vertragend heeft gewerkt en dat die aanmelding ongeveer acht maanden te laat heeft plaatsgevonden. Anderzijds acht de rechtbank van belang dat uit de gedingstukken blijkt dat eiser de eerste maanden na zijn uitval niet belastbaar was voor arbeid en dat eiser in september 2007 in elk geval gedeeltelijk is hervat. Ten tijde van het opstellen van het deskundigenoordeel was de re-integratie verder opgepakt en waren gesprekken gaande met betrekking tot een andere functie. De stukken bieden geen steun voor het standpunt van eiser dat gedurende ruim 17 maanden vrijwel geen re-integratieactiviteiten hebben plaatsgevonden en dat eiser bij een deugdelijke re-integratie zoveel eerder al weer volledig aan het werk had kunnen zijn.

9.5.

Nu voorts niet is gesteld of gebleken dat geen sprake zou zijn van een consistente beleidstoepassing, kan de beslissing van verweerder om de bezoldiging met ingang van
24 oktober 2008 op 70% te stellen de rechterlijke toets doorstaan.

10.

Wat betreft het standpunt van verweerder dat de werkzaamheden die eiser vanaf september 2007 voor de [opleiding] heeft verricht niet zijn aan te merken als loonvormende arbeid, zodat uit artikel 26, vijfde lid, van het IBBAD over deze uren geen aanspraak op volledige bezoldiging voortvloeit, overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiser vanaf september 2007 gedurende tweemaal vier uur per week werkzaam is geweest en dat deze werkzaamheden hebben voortgeduurd tot eind 2008. Verweerder heeft in het informatiebulletin vastgelegd wat door hem wordt beschouwd als therapeutische arbeid. Om daarvan te kunnen spreken moet voldaan zijn aan een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarden dat de activiteiten binnen een tevoren aangegeven periode moeten worden uitgevoerd en dat deze periode niet langer mag zijn dan zes weken. Met de in het informatiebulletin vastgelegde invulling van het begrip “therapeutische arbeid” kan de rechtbank zich verenigen.

Nu in eisers geval niet aan de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan, zijn de door hem verrichte werkzaamheden niet te kwalificeren als therapeutische werkzaamheden. Het standpunt van verweerder dat eiser geen aanspraak heeft op volledige bezoldiging over de door eiser gewerkte uren is dus in strijd artikel 26, vijfde lid, van het IBBAD en verweerders beleid op dit punt. In zoverre kunnen de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten niet in stand blijven. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op dit punt zelf voorzien in de zaak en bepalen dat eiser over de uren waarop hij feitelijk werkzaam is geweest voor de [opleiding] ook met ingang van 24 oktober 2008 aanspraak op volledige bezoldiging heeft behouden.

11.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. Zij zal bepalen dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten gedeeltelijk in stand blijven, te weten voor zover die behelzen dat eiser met ingang van 24 oktober 2008 aanspraak heeft op 70% van de bezoldiging, behoudens over de tweemaal vier uren per week die eiser werkzaam is geweest voor de [opleiding] . Met betrekking tot deze gewerkte uren zal de rechtbank het primaire besluit herroepen en bepalen dat eiser aanspraak heeft behouden op volledige bezoldiging.

12.

Nu uit het voorgaande volgt dat aan eiser nog een nabetaling van bezoldiging dient plaats te vinden, is eisers verzoek om vergoeding van wettelijke rente toewijsbaar. Uit vaste rechtspraak volgt dat de renteschade dient te worden berekend op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek over de bruto salarisbedragen en dat de rente verschuldigd is vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de betalingen zouden hebben moeten plaatsvinden. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

13.

Nu het beroep van eiser leidt tot gedeeltelijke herroeping van het primaire besluit en eiser heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten in bezwaar, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten heeft de rechtbank, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 322,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij heeft de rechtbank voor het verschijnen ter hoorzitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

14.

Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten heeft de rechtbank, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 644,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Voorts dient verweerder reiskosten van eiser te vergoeden, in de bezwaarprocedure € 33,94 en in de beroepsprocedure € 13,50. 1

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven voor zover die behelzen dat eiser met ingang van 24 oktober 2008 aanspraak heeft op 70% van de bezoldiging, behoudens over de tweemaal vier uren per week waarin eiser werkzaam is geweest voor de [opleiding] ;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daaruit het standpunt voortvloeit dat eiser over de tweemaal vier uren per week die hij werkzaam is geweest voor de [opleiding] aanspraak heeft op 70% van de bezoldiging en bepaalt dat eiser over deze uren aanspraak heeft behouden op 100% van de bezoldiging;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

  • -

    wijst het verzoek om de vergoeding van wettelijke rente over de te verrichten nabetalingen toe op de wijze als omschreven in rubriek 12;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 145,00 vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 966,00 € 1.013,44 (€ 322,00 + € 644,00 + € 47,44 );

  • -

    bepaalt dat de betaling van € 966,00 € 1.013,44 dient te worden gedaan aan eiser. 2

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. Berkers, rechter, in tegenwoordigheid van
C.H. Kuiper, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2010.

Deze uitspraak is gerectificeerd en opnieuw ondertekend op 18 maart 2010.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschriften verzonden:

1 Gerectificeerd op 18 maart 2010.

2 Gerectificeerd op 18 maart 2010.