Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BQ1169

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
09/332
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Onjuiste toepassing artikel 13a van de Woningwet alsmede onjuiste toepassing van de excessenregeling in de Welstandsnota.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 09/332 GEMWT

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

gemachtigde mr. G.M.M. van den Berg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 30 december 2008 heeft verweerder verzoeker onder oplegging van een dwangsom gelast om voor 1 februari 2009 de antennevakwerkmast, geplaatst op de nok van het dak van de woning aan de [adres], wegens strijdigheid met het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de Woningwet (Ww), te verwijderen en verwijderd te houden.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 21 januari 2009 bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij bij brief van 21 januari 2009 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 19 februari 2009, waar verzoeker, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden mr. H.R. Nieman en J. de Jong.

Motivering

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat de antennevakwerkmast waarop het besluit van 30 december 2008 betrekking heeft dezelfde configuratie heeft als ten tijde van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening op 11 september 2008. De antennevakwerkmast is over nagenoeg de volledige hoogte samengesteld uit drie verticale staven die in het horizontale vlak op de hoekpunten van een gelijkzijdige driehoek zijn gepositioneerd. De zijden van de driehoek zijn naar schatting circa 18 cm. Om de ongeveer 30 cm zijn deze staven gekoppeld in een driehoeksvorm. Aan de mast zijn vier schotelantennes bevestigd. De schotels hebben, op één schotel die groter is na, een diameter van ongeveer 50 cm. Vorenbeschreven antenne-installatie is vergunningsvrij, hetgeen overigens ook niet in geschil is.

3. Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat de antennevakwerkmast in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand en dat er sprake is van een exces. De antennevakwerkmast kan niet worden gelegaliseerd, omdat de eerdere constructies de welstandstoets niet hebben doorstaan. Van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien is niet gebleken. Ook is geen sprake van een zodanige beperking, dat de hobby niet meer uitgeoefend zou kunnen worden.

4. Verzoeker betoogt - kort samengevat - dat verweerder ten onrechte de verwijdering van de antenne-installatie heeft geëist, op grond van beweerd welstandsexces. De antenne-installatie is niet gewijzigd, want heeft nog dezelfde configuratie als ten tijde van het vorige verzoek om voorlopige voorziening. Overigens doet de vraag of de antenne-installatie wederom gewijzigd is niet ter zake nu deze vergunningsvrij is. In de welstandsnota zijn geen criteria opgenomen om vast te stellen wanneer sprake is van een welstandsexces voor dit type bouwwerk. De welstandscommissie verwijst naar de sneltoetscriteria voor antennes, maar hieraan kunnen alleen licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken worden getoetst en dus kan de excessenregeling niet worden toegepast. Met de excessenregeling kan de plaatsing van een bouwwerk niet worden tegengegaan, hetgeen in het onderhavige geval wel gebeurt.

5. Bij de beoordeling is de volgende regelgeving met name van belang.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww mag het uiterlijk van een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is vereist, niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde van de Ww stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk van een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is vereist, in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 13a van de Ww kunnen burgemeester en wethouders, indien niet wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, tenzij toepassing is gegeven aan het tweede lid van het artikel, degene die als eigenaar van een bouwwerk of standplaats dan wel uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen daaraan, verplichten tot binnen een door hen te bepalen termijn treffen van zodanige door hen daarbij aan te geven voorzieningen, dat nadien wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid.

6.1 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar kans van slagen en kan het bestreden besluit geen stand houden. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe het volgende.

6.2 In de eerste plaats kan de voorzieningenrechter het standpunt van verweerder dat in het onderhavige geval direct kan worden overgegaan tot het nemen van een handhavingsbesluit niet volgen. De voorzieningenrechter verwijst naar de toelichting bij artikel 13a, van de Ww, in de nota van wijziging inzake de wijziging van de Woningwet (verbetering handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving), kamerstukken II 29 392 nr. 7, p. 8-9, waarin het volgende wordt vermeld: (…) “Dit artikel dient als vervanging van de aanschrijfbevoegdheid ter zake van het voldoen aan de welstandseis voor bestaande bouwwerken en standplaatsen van artikel 19 van die wet, dat vervalt ingevolge het wetsvoorstel. Deze toevoeging is vereist omdat er, zoals is aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag, voor gekozen is geen verandering te brengen in de bestaande, indirecte systematiek van de toepasselijkheid van het welstandsvereiste. (…) Er is met andere woorden een nader besluit van burgemeester en wethouders vereist is om vast te stellen dat niet wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, van de Ww alvorens een handhavingsbesluit kan worden genomen. (…)Bij het artikel 13a besluit dient te worden aangegeven welke voorzieningen binnen welke termijn moeten worden getroffen, voordat tot verdere handhaving kan worden overgegaan”. Enkel om deze reden kan het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen stand houden.

6.3 In de tweede plaats is de voorzieningenrechter met verzoeker van oordeel dat de excessenregeling niet is bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan, zoals in hoofdstuk 8, welstandscriteria bij excessen, van de welstandsnota ook staat beschreven. De excessenregeling mag naar het oordeel van de voorzieningenrechter op deze wijze niet worden toegepast en verwijst hierbij naar hetgeen in kamerstukken II, 26734, nr, 3, blz. 7 en 8 wordt beschreven: “De in het kader van deze aanschrijvingsbevoegdheid ex artikel 19 Ww gehanteerde welstandscriteria mogen nooit zover gaan dat reële verwezenlijking van een vergunningsvrij bouwwerk daardoor in het concrete geval ernstig wordt belemmerd. Het wettelijk regime ten aanzien van vergunningsvrije bouwwerken brengt met zich dat zo’n bouwwerk, zoals het plaatsen van een zonnecollector of van een klein aanbouwbalkon, in de regel zonder gemeentelijke bemoeienis met welstandsaspecten daarvan moet kunnen worden verwezenlijkt. De aanschrijvingsbevoegdheid ten aanzien van zo’n bouwwerk is uitsluitend bedoeld voor bijzondere, excessieve gevallen, waarin het uiterlijk van dat bouwwerk in ernstige strijd met vooraf door de gemeenteraad vastgestelde welstandscriteria is. De reikwijdte van die aanschrijvingsbevoegdheid is derhalve beperkt tot evidente en ook voor niet-deskundigen duidelijk herkenbare buitensporigheden van het uiterlijk van een bouwwerk. Een echte excessenregeling derhalve, waarvan de toepassing nooit mag betekenen dat, bijvoorbeeld, de plaatsing van een zonnecollector of van een klein aanbouwbalkon op de door de burger gewenste plaats in het concrete geval onmogelijk wordt gemaakt. Met behulp van die regeling kan dan ook nimmer de plaatsing van een vergunningsvrij bouwwerk worden tegengegaan; uitsluitend het uiterlijk van het bouwwerk kan zonodig worden aangepakt. Hierbij zou, bijvoorbeeld, kunnen worden gedacht aan het geval dat op een beeldbepalende plek een schutting is opgericht, bestaande uit een bonte verzameling van materialen zoals oude deuren en golfplaten. Kortom, mits aan de voorschriften van het Bouwbesluit wordt voldaan, moeten vergunningsvrije bouwwerken door de burger geheel overeenkomstig zijn eigen wensen en op de door hem gewenste plaats kunnen worden gerealiseerd, tenzij sprake is van een excessief uiterlijk van dat bouwwerk, zoals hiervoor vermeld. In dat geval kunnen burgemeester en wethouders na realisering van het bouwwerk een aanschrijving op grond van artikel 19 Ww doen uitgaan; zij zijn dit echter niet verplicht”. Verweerder heeft dit miskend nu verzoeker is aangeschreven om het gehele bouwwerk te verwijderen.

6.4 In dit kader is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat het advies van de welstandscommissie in strijd met de Ww is. Door de welstandscommissie is ten onrechte getoetst aan de sneltoetscriteria en de gebiedsgerichte criteria uit de welstandsnota. De excessenregeling is bedoeld voor buitensporigheden in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Toetsing of sprake is van een exces aan andere criteria dan die zijn genoemd in de excessenregeling van hoofdstuk 8 van de welstandsnota kan niet aan de orde zijn, omdat de wetgever dit juist niet voor ogen heeft gehad. Zoals hierboven aangegeven mag hetgeen vergunningsvrij kan worden opgericht niet onder toepassing van de regeling in de welstandsnota worden ingeperkt. Verweerder had het advies van de welstandscommissie derhalve niet aan het besluit ten grondslag mogen leggen. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:49 en 3:46 van de Awb.

7. Gelet op het vorenstaande is er aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen in die zin dat het besluit van 30 december 2008 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

8. Gelet op de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, van de Awb, in samenhang met artikel 8:75 van de Awb, te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, voor zover deze op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen. Ter zitting heeft gemachtigde van verzoeker gesteld dat deze proceskosten bestaan uit reiskosten. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bpb moeten deze kosten worden vastgesteld overeenkomstig artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Het tarief voor vergoedingen wegens reiskosten bedraagt een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. Nu reizen met het openbaar vervoer van Hoorn naar Alkmaar en van Heerhugowaard naar Alkmaar mogelijk is, heeft de voorzieningenrechter de reiskosten berekend op basis van de kosten van openbaar vervoer, retour, tweede klasse. Het bedrag aan reiskosten die de gemachtigde (€ 8,10) en verzoeker

(€ 3,50) in verband met het bijwonen van de zitting hebben gemaakt bedraagt totaal € 11,60.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 30 december 2008 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat de gemeente Heerhugowaard aan verzoeker het griffierecht ten bedrage van € 145,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 11,60;

- wijst de gemeente Heerhugowaard aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van € 11,60 dient te worden gedaan aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2009 door mr. P.H. Lauryssen, voor¬zieningen¬rechter, in tegen¬woordig¬heid van mr. J.I. Wever, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.