Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BL2173

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
17-12-2009
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
AWB 07/3173
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

grafrechten en onderhoudskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 07/3173 GRAFR

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van:

[naam]

wonende te [plaatsnaam]

eiseres,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Enkhuizen,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Verweerder heeft eiseres over de belastingjaren 2002 – 2007 aanslagen begraafplaatsrechten opgelegd voor de op haar naam staande grafruimte [nummer grafruimte].

De hiertegen door eiseres gemaakte bezwaren heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 22 oktober 2007 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft eiseres beroep ingesteld bij brief van 19 november 2007.

De rechtbank heeft de zaak in een enkelvoudige kamer behandeld ter zitting van 25 september 2008. Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar echtgenoot [naam echtgenoot], mr. W.G.H.M. van der Putten en [naam 1]. Verweerder is daar vertegenwoordigd door T.N.H. Bruin.

Op 26 september 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde nadere inlichtingen in te winnen bij verweerder. Verder heeft de rechtbank de zaak ter verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer.

Bij brief van 17 november 2008 heeft verweerder de door de rechtbank gestelde vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting in een meervoudige kamer behandeld op 12 oktober 2009, waar eiseres is vertegenwoordigd door haar echtgenoot [naam echtgenoot] en mr. W.G.H.M. van der Putten. Verweerder is vertegenwoordigd door C.A.A. Schiphouwer en T.N.H. Bruin.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Motivering

1. In geschil is of verweerder het bezwaar van eiseres tegen de opgelegde aanslagen begraafplaatsrechten terecht ongegrond heeft verklaard.

2. Verweerder heeft zich in de uitspraak op bezwaar op het standpunt gesteld dat de aanslagen in overeenstemming met de geldende verordeningen en tarieventabellen zijn opgelegd. Verweerder is van mening dat zowel de verordeningen en tarieventabellen als de daarop gebaseerde aanslagen rechtmatig zijn. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder gesteld dat ten tijde van de vestiging van het grafrecht voor het graf [nummer grafruimte] geen mogelijkheid meer bestond om het grafonderhoud eeuwigdurend af te kopen, zodat aan eiseres in dit geval terecht aanslagen zijn opgelegd voor het onderhoud van een graf met bedekking.

3. Eiseres heeft in beroep – kort samengevat – betoogd dat het grafrecht is gevestigd voor onbepaalde tijd en dat er destijds aan het recht geen onderhoudskosten waren verbonden. Zij stelt dat daarmee de onderhoudskosten eeuwigdurend zijn afgekocht en dat het onrechtmatig is om later alsnog door middel van het opleggen van aanslagen onderhoudskosten in rekening te brengen bij de rechthebbende.

4. De rechtbank stelt vast dat het grafrecht voor de grafruimte [nummer grafruimte] is gevestigd bij ‘akte van uitgifte van grafruimte’ van [datum 1]. Blijkens de akte is het recht verleend voor onbepaalde tijd aan [naam 2]. In de akte is als voorwaarde 1 opgenomen dat op de grafruimte van toepassing zijn de verordeningen en besluiten betrekking hebbende op de algemene begraafplaats van [plaatsnaam] welke zijn of zullen worden vastgesteld.

Bij besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen van 22 juni 1973 is vergunning verleend voor het plaatsen van een grafbedekking in hardsteen op het graf [nummer grafruimte]. In deze vergunning zijn ook de jaarlijkse onderhoudskosten vermeld. Op [datum 2] heeft eiseres verzocht het graf [nummer grafruimte] over te schrijven op haar naam. Op [datum 3] hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen het verzoek van eiseres om de onderhoudskosten voor het graf [nummer grafruimte] voor 10 jaar in één keer te mogen voldoen, ingewilligd.

5.1. Ingevolge artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet, voor zover hier van belang, kunnen rechten kunnen worden geheven ter zake van:

a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn;

b. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;

c. […].

5.2. Ten tijde van de vestiging van het grafrecht voor grafruimte [nummer grafruimte] gold de op 1 januari 1939 in werking getreden Verordening op de algemeene begraafplaats der gemeente Enkhuizen (hierna ook te noemen: de Verordening 1939).

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van die verordening geschiedt het dagelijksch onderhoud van een grafkelder en van hetgeen ingevolge artikel 16 op het graf is daargesteld, van gemeentewege.

Ingevolge artikel 18, derde lid, van die verordening, voor zover hier van belang, wordt hem op verzoek van den rechthebbende door burgemeester en wethouders vergunning verleend het dagelijksch onderhoud zelf te verrichten.

Ingevolge artikel 18, vierde lid, van de verordening wordt onder dagelijksch onderhoud verstaan: het herstellen van verzakkingen, het schoonhouden van de op de graven geplaatste voorwerpen, het verven van daarvoor in aanmerking komende onderdeelen en het wieden, snoeien en begieten van graftuinen en beplantingen.

Het verder onderhoud, waaronder in elk geval zijn begrepen het vernieuwen en herstellen van de grafkelders en de voorwerpen en het aanbrengen en vernieuwen van heggen, planten en bloemen, moet ten genoegen van burgemeester en wethouders geschieden vanwege de rechthebbende en voor diens rekening.

5.3. Bij besluit van 1 september 1975 heeft de raad van de gemeente Enkhuizen besloten geen gelegenheid meer te bieden tot afkoop van het onderhoud van op graven geplaatste voorwerpen.

5.4. Op 20 november 1989 heeft de raad van de gemeente Enkhuizen de Verordening op de heffing en invordering van rechten wegens het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats Enkhuizen vastgesteld (hierna ook te noemen: de Verordening 1989).

Ingevolge artikel 5.IV, tweede lid, van die verordening (Tarief onderhoud graf en grafbedekking) wordt voor het van gemeentewege verrichten van het dagelijks onderhoud van een grafbedekking (zowel van een eigen – als van een huurgraf) per jaar of gedeelte daarvan en per vierkante meter te onderhouden oppervlakte of gedeelte daarvan geheven fl. 46,20.

5.5. Op 11 mei 1992 heeft de raad van de gemeente Enkhuizen de Verordening tot wijziging van de Verordening op de heffing en invordering van rechten wegens het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats Enkhuizen vastgesteld (hierna ook te noemen: de Verordening 1992).

Ingevolge artikel II van deze verordening wordt artikel 5 (de rechtbank begrijpt: van de Verordening 1989, zoals mogelijk nadien gewijzigd) als volgt gewijzigd en gelezen:

IV. Tarief onderhoud begraafplaats en grafbedekking

1. Voor het van gemeentewege verrichten van onderhoud op de begraafplaats wordt per jaar of gedeelte daarvan geheven fl. 49,00.

2. Voor het van gemeentewege verrichten van het dagelijks onderhoud van een grafbedekking wordt per jaar of gedeelte daarvan geheven fl. 49,00.

5.6. Bij besluit van 27 oktober 1992 heeft de raad van de gemeente Enkhuizen voornoemde bedragen verhoogd naar fl. 50,00.

5.7. Met ingang van 1 januari 2003 is de Verordening op de heffing en invordering van rechten gemeentelijke begraafplaats Enkhuizen 2003 (hierna ook te noemen: de Verordening 2003) in werking getreden.

Ingevolge artikel 1 (Begripsomschrijvingen), aanhef en onder c.1., van de Verordening 2003 verstaat de verordening onder eigen graf:

een grafruimte, waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend voor onbepaalde tijd om daarin:

- twee overleden personen te doen begraven of begraven te hebben of:

- twee asbussen te doen begraven of begraven te hebben.

Ingevolge artikel 1 (Begripsomschrijvingen), aanhef en onder l., van de Verordening 2003 verstaat de verordening onder rechthebbende: een natuurlijk- of rechtspersoon aan wie het uitsluitend recht is verleend.

Ingevolge artikel 2 van die verordening (Belastbaar feit) wordt ter zake van het gebruik van de begraafplaats voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats onder de naam “begraafplaatsrechten” rechten geheven.

Ingevolge artikel 3 van die verordening (Belastingplicht) worden de rechten geheven van de rechthebbende dan wel degene op wiens aanvraag de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.

Ingevolge artikel 5 van die verordening (Maatstaf van heffing en belastingtarief) worden de rechten geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van die verordening (Belastingjaar) is met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van die verordening (Wijze van heffing) worden de onderhoudsrechten, bedoeld in hoofdstuk 5.3 en 5.4 van de tarieventabel, geheven bij wijze van aanslag.

5.8. In hoofdstuk 5, onder 5.3.1., van de Tarieventabel van de verordening begraafplaatsrechten Enkhuizen 2003 (hierna ook te noemen: Tarieventabel 2003) is het tarief voor het grafonderhoud van een eigen graf vastgesteld op € 53,50. Dit bedrag is in de opvolgende tarieventabellen jaarlijks verhoogd naar € 55,00 (2004), € 57,15 (2005), € 58,00 (2006) en € 59,85 (2007).

In hoofdstuk 5, onder 5.3.2., van de Tarieventabel 2003 is het tarief voor het grafonderhoud van een eigen graf zonder bedekking (oude rechten t/m 1995) vastgesteld op € 26,75. Dit bedrag is in de opvolgende tarieventabellen jaarlijks verhoogd naar € 28,00 (2004), € 28,35 (2005), € 28,80 (2006) en € 29,70 (2007).

In hoofdstuk 5, onder 5.4 en 5.5, van de Tarieventabel 2003 is bepaald dat de rechten als bedoeld in onderdeel 5.3.1. en 5.3.2. kunnen worden vooruitbetaald voor ten hoogste 30 jaar.

6. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat aan eiseres het uitsluitend recht tot begraving is verleend voor de grafruimte [nummer grafruimte]. Dit betekent dat eiseres moet worden aangemerkt als rechthebbende in de zin van artikel 1, aanhef en onder l., van de Verordening 2003. Dit betekent ook dat verweerder eiseres terecht heeft aangemerkt als belastingplichtige voor het door de gemeente verrichte grafonderhoud.

7. De rechtbank gaat er, gelet op de verklaring van verweerder ter zitting, vanuit dat op de grafruimte [nummer grafruimte] feitelijk een grafbedekking aanwezig is. Dit komt ook overeen met het feit dat aan eiseres bij besluit van 22 juni 1973 vergunning is verleend voor het plaatsen van een grafbedekking in hardsteen en de omstandigheid dat eiseres in ieder geval voor een periode van tien jaar de onderhoudskosten heeft voldaan voor een graf met grafbedekking. Eiseres heeft met haar stelling ter zitting dat zij de gemeente heeft verzocht de grafbedekking te verwijderen niet aannemelijk gemaakt dat er geen grafbedekking op de grafruimte aanwezig is.

8. De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder over de jaren 2002 tot en met 2007 aan eiseres aanslagen begraafplaatsrechten heeft opgelegd overeenkomstig de bedragen die in de opeenvolgende Tarieventabellen zijn vermeld voor het grafonderhoud van een eigen graf (naar de rechtbank begrijpt: met grafbedekking).

9. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder deze aanslagen niet mocht opleggen. Weliswaar heeft eiseres er terecht op gewezen dat op het moment dat het grafrecht werd gevestigd op grond van de Verordening 1939 geen onderhoudskosten aan dat recht waren verbonden, maar naar het oordeel van de rechtbank kon eiseres aan die omstandigheid niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat ook in de toekomst nimmer onderhoudskosten in rekening zouden worden gebracht.

De rechtbank wijst daartoe in de eerste plaats naar de in de akte opgenomen voorwaarde 1, waarin is vermeld dat op de grafruimte van toepassing zijn de verordeningen en besluiten betrekking hebbende op de algemene begraafplaats van [plaatsnaam] welke zijn of zullen worden vastgesteld.

In de tweede plaats wijst de rechtbank op het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2003 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer AF5108). Daarin is overwogen dat de omstandigheid dat bij een grafrecht sprake is van een duurzame rechtsbetrekking, die door de rechthebbende feitelijk niet kan worden beëindigd, behoudens [hier niet gebleken] bijzondere omstandigheden niet de verwachting rechtvaardigt dat het grafrecht gedurende de looptijd niet ter zake van andere kosten zal worden geheven dan de kosten ter zake waarvan het bij de aanvang van de rechtsbetrekking volgens de toen geldende verordening kon worden geheven. Voor zover eiseres met haar betoog dat zij ervan kon uitgaan dat geen kosten zouden worden geheven ter zake van het onderhoud een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel heeft gedaan, faalt dit betoog. Verder leidt de rechtbank uit de arresten van de Hoge Raad van 7 mei 1997 en 26 juni 1986 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummers AA2075 respectievelijk AX1381) af dat ook een verhoging van de tarieven gedurende de looptijd van een grafrecht niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel wordt geacht.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat verweerder met het opleggen van de aanslagen begraafplaatsrechten geen voorwaarden aan het grafrecht van eiseres verbindt die ernstig afbreuk doen aan de inhoud van dat recht. De aanslagen zijn zodanig bescheiden dat deze voor de uitoefening van het grafrecht geen belemmering vormen.

10. Verweerder heeft de bezwaren van eiseres tegen de opgelegde aanslagen over de jaren 2002 tot en met 2007 dus terecht ongegrond verklaard.

11. Daarom is het beroep ongegrond.

12. Bij deze beslissing is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2009 door mr. drs. W.P. van der Haak, voorzitter, mr. A.H. Schotman en mr. L. Boonstra, leden, in tegenwoordigheid van R. van der Vecht, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.