Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BK8473

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
107204
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontkenning van het vaderschap afgewezen. Hoewel is voldaan aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van het verzoek, is de rechtbank op grond van de in de beschikking weergegeven feiten en omstandigheden van oordeel dat de belangen van de juridische vader (en daarmee ook de belangen van de moeder) dienen te wijken voor de belangen van de minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

BB

zaak- en rekestnummer: 107024 / FA RK 08-1096

datum: 21 oktober 2009

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

de man,

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij,

advocaat: mr. M.C. Schenkeveld,

tegen:

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

gerekwestreerde.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 11 december 2008 het verzoekschrift van de man ingekomen strekkende tot:

1. benoeming van een bijzondere curator om de belangen te behartigen van de minderjarige sub 1, geboren in de gemeente [] op [geboortedatum] en minderjarige sub 2, geboren in de gemeente [] op [geboortedatum];

2. ontkenning van het vaderschap met betrekking tot voornoemde minderjarigen.

Ingekomen is een brief van 7 januari 2009 van mr. drs. M.L. Molenaar met als bijlage een door de vrouw ondertekende referteverklaring.

Bij beschikking van 25 februari 2009 van deze rechtbank is mr. C.P.M. Engels, advocaat te Heerhugowaard, benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen.

De bijzondere curator heeft een verslag van 8 april 2009 in het geding gebracht.

Tenslotte is nog ingekomen een brief met bijlage van 20 mei 2009 van de bijzondere curator.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 juli 2009, alwaar zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. Schenkeveld,, de vrouw, bijgestaan door mr. Molenaar, alsmede de bijzondere curator.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

De man voert als gronden voor het verzoek het volgende aan.

Hij is met de vrouw gehuwd op 31 mei 2002 in de gemeente Den Helder. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2008 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 10 november 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De minderjarigen zijn tijdens het huwelijk geboren. De man is op grond van artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek de vader van de minderjarigen. Partijen leven sinds 6 mei 2008 gescheiden. Op het moment dat partijen besloten te gaan scheiden, heeft de vrouw aan de man aangegeven dat hij niet de biologische vader is van de minderjarige sub 1. Zij wist dit al eerder, maar heeft dit de man nooit verteld. Met het oog op de echtscheiding wilde zij echter openheid van zaken geven. De man heeft altijd gedacht dat hij de vader van de minderjarigen is. Op het moment dat de vrouw aangaf dat hij niet de vader zou zijn van minderjarige sub 1, heeft hij de vrouw verzocht mee te werken aan een DNA-test van beide minderjarigen. Dit DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden via een laboratorium in Nieuw Mexico (Verenigde Staten van Amerika). De conclusie van dit onderzoek is dat de man noch de vader van minderjarige sub 1, noch van minderjarige sub 2 is. Gezien dit resultaat wenst de man het vaderschap van de minderjarigen te ontkennen.

Ter zitting heeft de vrouw, gelijk de eerder door haar ondertekende referteverklaring, meegedeeld dat zij instemt met het verzoek van de man. Zij wenst dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid.

De bijzondere curator heeft het volgende aangegeven. Zij heeft een gesprek gehad met de man en de vrouw. Uit de gesprekken met de juridische ouders is gebleken dat zij weliswaar het vaderschap wensen te ontkennen, maar geenszins feitelijk aan het vaderschap van de man willen tornen. In hun ogen is en blijft de man de vader van de minderjarigen. De man acht het spijtig dat hij thans genoodzaakt is zijn kinderen te "ontechten". De man is zeer betrokken bij de minderjarigen, beschouwt ze nog steeds als zijn kinderen, hij wil ze nog steeds op regelmatige basis bij zich hebben en vervult een zeer belangrijke rol in hun leven. Na het beëindigen van het huwelijk hebben de man en de vrouw hun gezamenlijk ouderlijk gezag volledig voortgezet en ingevuld, hetwelk naar behoren verloopt. Beiden zijn zeer te spreken over de gang van zaken, het verloop van de contacten en de rol van ieder in het leven van de minderjarigen. Partijen hebben uitvoerig gesproken over de invulling van omgang althans zorg- en opvoedingstaken van de man ten aanzien van de minderjarigen. Aan deze in dat kader gemaakte afspraken wordt uitvoering gegeven. Ook hebben zij notarieel doen vastleggen dat minderjarigen, in het geval de vrouw tijdens hun minderjarigheid zou komen te overlijden, bij de man zouden gaan wonen. De vrouw heeft gemeld 100% zeker te zijn van het verwekkerschap van de verwekker (een gemeenschappelijke vriend van partijen) met wie zij een buitenechtelijke relatie heeft onderhouden. Tussen partijen bestaat geen discussie over de vraag wie de biologische vader is van de minderjarigen, zodat van het verwekkerschap van de verwekker wordt uitgegaan. De verwekker ontkent echter iedere betrokkenheid en zal naar verwachting van partijen verweer voeren in het geval de vrouw, zoals zij heeft gemeld, de procedure tot vaststelling van het vaderschap van verwekker over minderjarige sub 1 en minderjarige sub 2 aanhangig maakt. In het geval het juridisch vaderschap van de man zou worden doorgehaald, zal de verwekker naar verwachting van partijen geen juridisch vader van de minderjarigen willen zijn. Evenmin zal hij op welke wijze dan ook invulling willen geven aan zijn ouderschap. Verwekker weigert ook een financiële bijdrage te leveren in de kosten van de minderjarigen. Naar de bijzondere curator heeft begrepen is de verwekker gehuwd, heeft hij minderjarige kinderen (die bekenden zijn van de minderjarigen van de man en de vrouw; de dochter van de verwekker is een speelmaatje geweest van minderjarige sub 1). Tussen verwekker en partijen en de minderjarigen bestaat inmiddels geen vriendschappelijk contact meer. Ten tijde van het bestaan van de vriendschap, was de verwekker met name voor minderjarige sub 1 een positief figuur, met wie zij een leuk contact had tijdens het spelen met diens dochter. Zowel de vrouw als de man vinden het noodzakelijk het vaderschap van de man te ontkennen om het verwekkerschap van de verwekker vast te kunnen laten stellen, zodat zekerheid en duidelijkheid daaromtrent bestaat voor de minderjarigen. Daarnaast spelen financiële factoren een rol nu de verwekker geen alimentatie wil betalen en enkel jegens de man iedere betrokkenheid ontkent (verwekker wordt daarin gesteund door zijn echtgenote). Volgens de man is "ontechting" nodig om kinderalimentatie te kunnen laten vaststellen. Totdat deze kinderalimentatie zou zijn vastgesteld betaalt de man nog een bijdrage aan de vrouw. Het is de bedoeling van partijen dat verwekker, die vermogend is en naar hen bekend is een zeer goed inkomen heeft, zijn draagkracht aanwendt om in de kosten van de minderjarigen te voorzien. De vrouw wenst voorts vaststelling van het vaderschap van verwekker omdat het dan vast staat wie hun vader althans hun verwekker is, en om eventuele erfrechtelijke aanspraken veilig te stellen. Nu de verwekker vermogend zou zijn, acht zij dat een reëel belang.

Aan de beantwoording van de vraag of de belangen van de minderjarigen zijn gediend met toewijzing van het verzoek van de man tot ontkenning van het vaderschap legt de bijzondere curator het volgende ten grondslag. De opvoedings- en verzorgingssituatie van de minderjarigen wekt de indruk dat de man en de vrouw een feitelijke voortzetting van het gezamenlijk ouderlijk gezag voor ogen hebben. De door partijen gewenste wijziging van de juridische positie van de man kan daarmee op gespannen voet komen te staan, zeker als de verwekker een meer actieve rol wil gaan vervullen in het leven van de minderjarigen (al dan niet na het door de vrouw voeren van een procedure tot vaststelling van het vaderschap van verwekker). De vraag is of partijen zich realiseren wat de (rechts-)gevolgen kunnen zijn van een toewijzing van het ingestelde verzoek. Zij menen weliswaar dat zij met vastlegging van een voogdij voor de man - in het geval de vrouw zou komen te overlijden - alle mogelijke problemen hebben ondervangen, maar dat lijkt niet het geval. Partijen trachten thans een onwillende vader te "belasten" met vaderschap, met name om financiële redenen. De verwekker wordt ook enkel een financiële rol toebedeeld. Met alle respect voor de beweegredenen van de man en de vrouw, wier standpunten juist zijn versterkt door de ontkennende en ontwijkende houding van verwekker en diens echtgenote, meent de bijzondere curator dat het doorhalen van het juridisch vaderschap van een man, die het vaderschap op zeer positieve wijze invult in het geval van jonge tot zeer jonge kinderen die net een echtscheiding hebben meegemaakt en dit nog aan het verwerken zijn, terwijl de verwekker niets met de kinderen te maken wil hebben, tè zwaar is om de kinderen mee te belasten. Indien dit in de toekomst anders zou zijn, kunnen de kinderen desgewenst zelf op grond van artikel 1:200 lid 6 BW een verzoek tot ontkenning van het vaderschap indienen, nadat zij een weloverwogen beslissing hebben kunnen nemen. De belangen van de minderjarigen wegen op dit moment zodanig zwaar, dat financiële belangen daarvoor opzij gezet dienen te worden. In de toekomst zouden zij in het geval van overlijden van de verwekker postuum het vaderschap van de verwekker kunnen laten vaststellen, uiteraard na aantasting van het ouderschap van de man, hetwelk terugwerkende kracht heeft tot aan de geboorte en dus ook erfrechtelijke gevolgen kan hebben. Op grond van al het vorenstaande komt de bijzondere curator tot de conclusie dat zeer betwijfeld moet worden of toewijzing van het verzoek van de man, ondanks de referte van de vrouw, in het belang van de minderjarigen is. Het feit dat thans de biologische werkelijkheid niet in overeenstemming is met de juridische werkelijkheid wordt van minder grote orde geacht dan de belangen van de minderjarigen, een en ander omdat de impact van een en ander op de minderjarigen naar verwachting groot zal zijn. De bijzondere curator meent dat toewijzing van het verzoek van de man niet in het belang van de minderjarigen is en dat het verzoek van de man om die reden afgewezen dient te worden. Voor het geval de rechtbank het verzoek mocht toewijzen, heeft de bijzondere curator tenslotte nog aangegeven dat het belang van de minderjarigen meebrengt dat geen geslachtsnaamgevolg wordt verbonden aan de ontkenning van het vaderschap.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het verzoek is, gelet op artikel 1:200 lid 5 BW, tijdig ingediend, zodat de man in het verzoek kan worden ontvangen.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de man niet de biologische vader is van de minderjarigen. Voorts staat vast dat het verzoek en de stellingen van de man worden ondersteund door de vrouw. Nu voldaan is aan de voorwaarde genoemd in artikel 1:200 lid 1 en geen sprake is van de omstandigheden zoals genoemd in artikel 1:200 lid 2, lid 3 en lid 4 BW, is thans de vraag aan de orde of het verzoek zonder meer dient te worden toegewezen of dat er, gelet op de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, plaats is voor een belangenafweging of toetsing aan nader criteria, waarin de betreffende wetsbepaling niet voorziet.

Gelijk de bijzondere curator heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat, nu het gaat om minderjarigen, artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) vanwege haar rechtstreekse werking de mogelijkheid biedt om bij conflicterende belangen tot een afweging tussen die belangen over te gaan. Artikel 3 lid 1 van dit Verdrag luidt als volgt: Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

De belangen van de man (en in gelijke mate van de vrouw) zoals uit het hierboven staande blijkt dient te worden afgewogen tegen enerzijds het belang van de minderjarigen bij bekendheid met hun afstamming en anderzijds tegen het belang van de minderjarigen bij respectering van hun gezinsleven. Om de minderjarigen bekend te maken met hun afstamming is een procedure als de onderhavige niet noodzakelijk, aangezien daarin ook kan worden voorzien door middel van statusvoorlichting. Ook respectering van het gezinsleven van de minderjarigen is niet gediend bij toewijzing van het onderhavige verzoek, aangezien de man en de vrouw hebben aangegeven dat zij feitelijk niet willen tornen aan het vaderschap van de man, dat de man zeer betrokken is op de minderjarigen, hen nog steeds beschouwt als zijn kinderen, hij hen nog steeds op regelmatige basis bij zich wil hebben en een zeer belangrijke rol in hun leven vervult.

In dit verband is voorts van belang dat de bedoeling van de regeling van de ontkenning van het vaderschap is om de mogelijkheid te openen tot erkenning van de afstammingsrelatie tussen de biologische vader en zijn kind. Gelet op de hierboven vermelde houding van de verwekker van het kind beantwoordt het onderhavige verzoek tot ontkenning niet aan die bedoeling en zal inwilliging van het verzoek niet tot dat door de wettelijke regeling beoogde doel leiden.

Hoewel is voldaan aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van het verzoek, is de rechtbank op grond van al het vorenstaande van oordeel, dat de belangen van de man (en daarmee van de vrouw) dienen te wijken voor de belangen van de minderjarigen, hetgeen tot de conclusie moet leiden dat het verzoek van de man tot ontkenning van het vaderschap van de minderjarigen wordt afgewezen.

Tenslotte is de rechtbank nog van oordeel, gelijk de man, de vrouw en de bijzondere curator hebben betoogd, dat een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming niet noodzakelijk wordt geacht.

DE BESLISSING

De rechtbank :

Wijst af het verzoek van de man tot ontkenning van het vaderschap van de minderjarigen:

Minderjarige sub 1, geboren in de gemeente [] op [geboortedatum], en

Minderjarige sub 2, geboren in de gemeente [] op [geboortedatum].

Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, lid van gemelde kamer, tevens kinderrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2009 in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier.

U kunt tegen deze beschikking in hoger beroep gaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. U kunt dit hoger beroep instellen binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

Het beroep moet namens u worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. In plaats van een door de aanvrager van rechtsbijstand over te leggen verklaring van de burgemeester over zijn inkomen en vermogen kan er nu worden volstaan met het opgeven van het sofinummer, op basis waarvan de Raad informatie inwint bij de belastingdienst. In civiele zaken waarin zonder advocaat wordt geprocedeerd geldt dat aan de griffie in plaats van een verklaring van de burgemeester een verklaring van de raad (opgesteld op basis van de door de belastingdienst verstrekte gegevens) wordt overgelegd. Afhankelijk van die draagkracht wordt een zogenaamde toevoeging verstrekt onder oplegging van een eigen bijdrage. Die bijdrage is afhankelijk van de hoogte van de draagkracht.

Als de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, dan geldt de beschikking al wel, zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.