Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BK8078

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
31-12-2009
Zaaknummer
14.810124.09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zwaar lichamelijk letsel, leidend tot een fors ontsierend litteken in het gezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14.810124.09 (P)

Datum uitspraak : 31 december 2009

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [straatnaam en huisnummer], [postcode en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 december 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. R.P.H. de Granada, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 22 maart 2009 in de gemeente Hoorn aan een persoon genaamd

[slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (grote snijwond in het aangezicht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk een of meerma(a)l(en) met een glas, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht, althans het hoofd te snijden en/of te steken;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 maart 2009 in de gemeente Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft gepakt en/of (daarna) naar die [slachtoffer 1] is toegegaan en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) met dat glas, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp in het gezicht. althans het hoofd heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 maart 2009 in de gemeente Hoorn opzettelijk [slachtoffer 1] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) met een glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht, althans het hoofd te steken en/of te snijden en/of door genoemde [slachtoffer 1] een of meerma(a)l(en) op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 22 maart 2009 in de gemeente Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft gepakt en/of (daarna) die [slachtoffer 2] en/of meerma(a)l(en) met dat glas, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp in de pols, althans de arm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 maart 2009 in de gemeente Hoorn opzettelijk [slachtoffer 2] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer 2] een of meerma(a)l(en) met een glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de pols, althans de arm heeft gestoken en/of gesneden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vrijspraak

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat de verdachte niet bewust heeft gestoken naar het lichaam van aangever [slachtoffer 2] en dat de handelingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm ook niet waren gericht op de mishandeling van [slachtoffer 2]. De officier van justitie stelt zich op het standpunt, dat de verdachte de aangever [slachtoffer 2] niet heeft opgemerkt en dat daardoor ook niet kan worden gezegd dat de verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hierdoor de aangever [slachtoffer 2] gewond zou raken.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van feit 2 primair en subsidiair. De raadsman voert daarbij aan, dat de verdachte zich ook in nuchtere toestand niet had hoeven realiseren dat de aangever [slachtoffer 2] zich tussen hem en de aangever [slachtoffer 1] zou mengen om hen te scheiden.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, dat de verdachte door zijn handelen de aangever [slachtoffer 2] heeft willen verwonden.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin sprake van opzet in voorwaardelijke vorm. Immers, uit de processtukken is niet gebleken dat de omstandigheden in café De Wereld in Hoorn op 22 maart 2009, tijdens de vechtpartij tussen aangever [slachtoffer 1] en de verdachte, dusdanig waren, dat de aanmerkelijke kans bestond dat de verdachte door zijn handelen een willekeurige andere persoon met het glas zou kunnen treffen, laat staan dat de verdachte zich ervan bewust had moeten zijn dat die kans bestond. Daarom kan evenmin worden geconcludeerd dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen aangever [slachtoffer 2] (zwaar) gewond zou raken.

4. De bewijsmotivering

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, met bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Arnhem met het LJ nummer BK4855, dat het litteken in het gezicht van aangever [slachtoffer 1] als zodanig geen letsel oplevert in de zin van de wet (artikel 302 jo artikel 82 van het wetboek van strafrecht) en dat de verwonding die daaraan ten grondslag ligt niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel maar als aanzienlijk letsel.

De officier van justitie stelt dat de verdachte, door het uithalen met een glas naar het gezicht van de aangever [slachtoffer 1], willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

B. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

De raadsman stelt zich met de officier van justitie op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde. De raadsman voert daartoe, onder verwijzing naar hetzelfde vonnis van de rechtbank Arnhem alsmede onder verwijzing naar de begripsomschrijvingen in de richtlijnen van het LOVS, aan dat te hechten wonden niet kunnen worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel maar als aanzienlijk letsel.

De raadsman stelt zich ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit op het standpunt dat de verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen.

C. Beoordeling van de tenlastelegging

Op 22 maart 2009 heeft de aangever [slachtoffer 1] aangifte gedaan van zware mishandeling . De aangever heeft verklaard dat hij op 22 maart 2009 in café De Wereld in Hoorn ruzie heeft gekregen met een hem onbekende jongen. Tijdens deze ruzie heeft hij gevoeld dat hij met een stuk glas in zijn gezicht werd gesneden. De aangever heeft verklaard dat hij na het incident naar het ziekenhuis is gegaan alwaar een grote snee in zijn gezicht is gehecht.

Op 15 april 2009 heeft de aangever tegenover de politie verklaard dat hij blijvend met een litteken op zijn wang moet blijven rondlopen. De politie heeft van het litteken een tweetal foto’s gemaakt . De getuige [getuige 1] heeft gezien dat de man, die later door de politie is aangehouden, plotseling om de nek van de aangever [slachtoffer 1] vloog en dat het hoofd van [slachtoffer 1] daarbij naar beneden werd gedrukt. De getuige [getuige 1] zag daarna dat [slachtoffer 1] een snee in zijn gezicht had opgelopen . De getuige [getuige 2] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 22 maart 2009 met [verdachte] en [naam] naar café De Wereld in Hoorn is gegaan. Op een gegeven moment heeft [getuige 2] gezien dat er een jongen op zijn vriend [verdachte] kwam aflopen en hij heeft geprobeerd deze jongen tegen te houden. [getuige 2] heeft op een gegeven moment gezien dat die jongen zijn hoofd naar achter haalde en dat hij een snee in zijn wang had. [getuige 2] heeft daarnaast verklaard dat [verdachte] twee minuten voor het voorval nog met een longdrinkglas in zijn hand stond . De getuige [getuige 3] heeft tegenover de politie verklaard dat zij op 22 maart 2009, samen met [slachtoffer 1] en zijn vriendin [naam] naar café De Wereld in Hoorn is gegaan. Op een gegeven moment zag zij de haar bekende [verdachte] dicht tegen [slachtoffer 1] aan staan. [verdachte] zwaaide toen met een glas omhoog en [slachtoffer 1] stond met zijn handen aan zijn gezicht lichtelijk voorover gebogen naar [verdachte] toe. Buiten het café heeft [getuige 3] gezien dat [slachtoffer 1] een grote diepe snee aan de rechterkant van zijn gezicht had, vanaf zijn jukbeen tot aan zijn bovenlip. .

Twee verbalisanten hebben op 22 maart 2009 omstreeks 02.25 uur gezien dat uit café De Wereld een jongen naar buiten werd gebracht die een snee in zijn wang had. Zij zagen dat deze snee 7 á 8 centimeter lang was en dat de snee ongeveer 1,5 centimeter uit elkaar stond Daarna werd de verdachte naar buiten gebracht en aldaar aangehouden.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij na zijn aanhouding merkte dat hij diverse sneetjes in zijn handen had .

De rechtbank is, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, van oordeel dat verdachte [slachtoffer 1] tijdens een ruzie met een glas heeft uitgehaald naar het gezicht van [slachtoffer 1], waarbij [slachtoffer 1] een grote en diepe snee in zijn gezicht heeft opgelopen die in het ziekenhuis moest worden gehecht.

Anders dan de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het litteken, zoals beschreven door de politie en zoals te zien op de foto’s in het aanvullend dossier, genoegzaam is voor de slotsom dat zwaar letsel is toegebracht. Weliswaar levert het litteken zelf geen letsel op, maar het is het zichtbare gevolg van een lange en diepe snijwond. Het is dan ook het toebrengen van de snijwond in het gezicht en niet het veroorzaken van het litteken dat verdachte in de tenlastelegging verweten wordt. Naar het oordeel van de rechtbank kan een wond met een lengte van ongeveer 7 á 8 centimeter en een breedte van ongeveer 1,5 centimeter, gevolgd door een blijvend ontsierend litteken in het aangezicht, als zwaar lichamelijk letsel worden aangemerkt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

D. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair:

hij op 22 maart 2009 in de gemeente Hoorn aan [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (grote snijwond in het aangezicht), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een glas in het gezicht te snijden.

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zware mishandeling

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

- De eis van de officier

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit en heeft gerekwireerd tot het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaar, aan welke voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde dient te worden gekoppeld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de Brijder verslavingsreclassering, ook indien die aanwijzingen zullen inhouden het volgen van de Cognitieve Vaardigheidstraining en/of de Training Alcohol Delinquentie.

- Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij de eis van de officier van justitie.

- Feitgerelateerde factoren

De verdachte heeft zonder noemenswaardige aanleiding in een café ruzie gekregen met [slachtoffer 1], waarbij hij met een glas heeft uitgehaald naar het gezicht van [slachtoffer 1], die daarbij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij blijkt dat, en op welke wijze, het slachtoffer hiervan nog altijd lichamelijke en psychische gevolgen ondervindt. Dergelijk willekeurig uitgaansgeweld brengt in de maatschappij in het algemeen en bij de bezoekers van uitgaansgelegenheden in het bijzonder gevoelens van onveiligheid teweeg.

- Verdachte gerelateerde factoren

De rechtbank heeft bij de beslissing over de straf rekening gehouden met het strafblad van verdachte en met het voorlichtingsrapport van mevrouw A. Wamsteeker van de Brijder verslavingszorg. Uit het voorlichtingsrapport komt naar voren dat de verdachte op zeer jonge leeftijd is begonnen met het drinken van alcohol en dat de verdachte tot zijn 19de jaar wekelijks zeer veel alcohol consumeerde. Uit het voorlichtingsrapport en uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat de verdachte in het verleden is veroordeeld voor misdrijven die onder invloed van alcohol zijn gepleegd.

De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met het feit dat de verdachte zijn levensstijl heeft gewijzigd, dat hij vrijwillig de leefstijltraining bij de Brijder Verslavingszorg heeft gevolgd en dat hij achter het huidige contact met de Brijder Verslavingszorg staat. Mevrouw S. van Maanen van de Brijder Verslavingszorg heeft op de terechtzitting als getuige-deskundige bevestigd dat de verdachte de leefstijltraining in een groep heeft gevolgd en die training positief heeft afgerond. De rechtbank laat bovendien in het voordeel van de verdachte meewegen dat.hij op de terechtzitting zijn spijt heeft betuigd aan het slachtoffer. Die gevoelens van spijt komen gemeend over.

De rechtbank zal de eis van de officier van justitie niet volgen, nu zij tot een bewezenverklaring komt van een ernstiger strafbaar feit. De rechtbank acht, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van hierna te melden duur passend en geboden. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is er aanleiding om aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door of namens de Brijder Verslavingszorg, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat hij de training Cognitieve vaardigheden en/of de Training Alcohol Delinquentie zal volgen.

8. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [postcode en woonplaats], [straatnaam en huisnummer], heeft zich, door tussenkomst van de gemachtigde raadsvrouw mr. J.M. Comans-Diesfeldt, met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.490,- gevoegd in het strafproces in verband met het onder 1 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde schade op het standpunt gesteld dat de verplaatste schade, zoals door de gemachtigde in haar specificatie bij de vordering onder 2 aangegeven, niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks uit het feit voortvloeiende schade, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat voor het overige de gevorderde schadevergoeding kan worden toegewezen. De officier van justitie vordert naast de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het bedrag aan immateriële schade, dat als voorschot op het smartegeld is gevorderd, dient te worden gematigd, nu het letsel van de aangever niet geheel is te vergelijken met het door mr. Comans-Diesfeldt genoemde voorbeeld uit de rechtspraak. De raadsman stelt zich voorts op het standpunt dat hij twijfels heeft over of de verplaatste schade als rechtstreekse schade moet worden aangemerkt. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd, dat het verlies aan arbeidsvermogen, zoals door mr. Comans-Diesfeldt opgenomen onder punt 5 van haar toelichting op de vordering van de benadeelde partij, niet eenvoudig vast te stellen is, nu onvoldoende is aangetoond wat het gemiddelde maandsalaris van de aangever is geweest tijdens de periode van herstel.

De schadeposten ten aanzien van de kleding, de medicijnen, de reiskosten alsmede de eigen bijdrage kosten rechtsbijstand, worden door de verdediging niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], zowel wat betreft de immateriële schade als wat betreft de materiële schade ten aanzien van de kleding, de medicijnen, de reiskosten en de eigen bijdrage kosten rechtsbijstand, eenvoudig genoeg is om in het strafproces te kunnen worden afgedaan.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks immateriële schade en materiële schade heeft geleden welke schade op grond van de overgelegde bescheiden reeds thans kan worden begroot op een bedrag van € 3.518,86, kan de vordering in billijkheid tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2009, zijnde de datum van het schadeveroorzakende feit.

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de immateriële schade, mede gelet op het gegeven dat naar verwachting blijvend sprake zal zijn van een aanzienlijk en ontsierend litteken in het gezicht, anders dan de verdediging meent, tenminste begroot kan worden op een bedrag van € 3.000,-.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet kan worden ontvangen in zijn vordering met betrekking tot het verlies arbeidsvermogen, nu deze schade gezien de thans beschikbare onderbouwing niet eenvoudig van aard is.

De benadeelde partij kan dit het gedeelte van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter indienen.

De vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen voor zover het betreft de verplaatste schade. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de gemaakte uren van de moeder en de stiefmoeder van de benadeelde partij geen verplaatsbare schade op. Immers, de zorg welke door zowel de moeder als de stiefmoeder is verleend door hun (stief)zoon te begeleiden bij verschillende medische en rechtskundige bezoeken, zou bij gebreke daarvan niet zijn verleend door professionele dienstverleners en zou derhalve evenmin hebben geleid tot door de benadeelde partij te maken kosten.

9. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 weken.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Brijder Verslavingszorg, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien deze aanwijzingen zullen inhouden dat de veroordeelde zal deelnemen aan de training Cognitieve Vaardigheden en/of de Training Alcohol Delinquentie.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 40 (veertig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren voor elke dag.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 3.518,86, (drieduizendvijf- honderd achttien euro en zesentachtig eurocent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Wijst de vordering tot vergoeding van verplaatste kosten af.

Verklaart de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 3.518,86 (vijfendertig honderd achttien euro en zesentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 45 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. T.H. Bosma, rechters,

in tegenwoordigheid van G.A.M. Delis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 december 2009.