Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BK4723

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
14.701762-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontslag van alle rechtsvervolging ivm geslaagd beroep op noodweer-exces

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/701762-08

Datum uitspraak : 16 november 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

15 april 2009 en 2 november 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.F.E. Hoekstra, advocaat te Alkmaar, naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 02 februari 2008 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het

leven te beroven, met dat opzet een mes of een shrobzaag, althans een scherp

en/of een puntig voorwerp uit zijn garage heeft gepakt en/of (daarna) is hij,

verdachte, met dat mes of die shrobzaag, althans dat scherpe en/of puntige

voorwerp naar die [slachtoffer] gelopen en/of (vervolgens) heeft hij, verdachte,

met dat mes of die shrobzaag, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp die

[slachtoffer] een of meerma(a)l(en) in de buikstreek, althans het lichaam

gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 februari 2008 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een mes of

een shrobzaag, althans een scherp en/of een puntig voorwerp uit zijn garage

heeft gepakt en/of (daarna) is hij, verdachte, met dat mes of die shrobzaag,

althans dat scherpe en/of puntige voorwerp naar die [slachtoffer] gelopen en/of

(vervolgens) heeft hij, verdachte, met dat mes of die shrobzaag, althans dat

scherpe en/of puntige voorwerp die [slachtoffer] een of meerma(a)l(en) in de

buikstreek, althans het lichaam gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 februari 2008 in de gemeente Alkmaar opzettelijk

[slachtoffer] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer] een of meerma(a)l(en) met een mes of

een shrobzaag, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de buikstreek,

althans het lichaam te snijden en/of te steken, waardoor deze letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- of schrijffouten voorkomen, worden deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij op 2 februari 2008 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een scherp en puntig voorwerp uit zijn garage heeft gepakt en daarna met dat scherpe en puntige voorwerp naar die [slachtoffer] is gelopen en vervolgens met dat scherpe en puntige voorwerp die [slachtoffer] meermalen in de buikstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. BEWIJSVERWEREN

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat haar cliënt ontkent dat hij het slachtoffer [slachtoffer] heeft gestoken dan wel stekende bewegingen heeft gemaakt met een voorwerp in de richting van die [slachtoffer]. Slechts één getuige, [getuige], verklaart gezien te hebben dat haar cliënt met een voorwerp stekende bewegingen maakte in de richting van [slachtoffer]. De raadsvrouw acht deze getuige niet betrouwbaar en zij heeft betoogd dat er voor het steken onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

Ten aanzien van het letsel heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het de vraag is of het slachtoffer daadwerkelijk ernstig letsel heeft opgelopen. Het relaas van de verbalisanten dat zij denken gezien te hebben dat er darmen uit de buik van [slachtoffer] kwamen, kan ook buikvet betreffen.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat haar cliënt geen opzet heeft gehad op het doden dan wel (zwaar) mishandelen van [slachtoffer], ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet.

De raadsvrouw heeft tot vrijspraak van het ten laste gelegde geconcludeerd.

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij met een stuk gereedschap afkomstig uit zijn auto heeft lopen zwaaien om langs zijn belager, het latere slachtoffer [slachtoffer], te komen.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte met een voorwerp steekbewegingen in de richting van de buik van het slachtoffer [slachtoffer] heeft gemaakt.

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank verklaard dat hij door verdachte in zijn buik is gestoken. Bij de politie heeft [slachtoffer] verklaard dat hij nog weet dat hij het café [naam] is binnengelopen met de darmen in zijn handen. Die hingen -naar zijn zeggen- uit zijn buik doordat hij was gestoken.

In het proces-verbaal met nummer PL10AL/08-115314 van 2 februari 2008 opgemaakt door [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2], beiden hoofdagent van politie, is op pagina 20 en 21 gerelateerd dat verbalisanten, ter plaatse gekomen in café [naam], zagen dat ter hoogte van de navel van het slachtoffer darmen naar buiten kwamen.

In het proces-verbaal met nummer PL10AL/08-011240 van 29 februari 2008 opgemaakt door [opsporingsambtenaar 3], brigadier van politie, is op pagina 7 gerelateerd dat het slachtoffer [slachtoffer] in het ziekenhuis werd behandeld (geopereerd) aan zijn opgelopen verwondingen. Op 7 februari 2007 werd [slachtoffer] na behandeling uit het ziekenhuis ontslagen.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat - wat er ook zij van de mogelijkheid dat geen darmen maar buikvet uit de verwondingen naar buiten is gekomen - de door het slachtoffer opgelopen buikverwondingen steekverwondingen betreffen en in ieder geval hebben geleid tot een operatie en een verblijf van 5 dagen in het ziekenhuis. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de aard van het letsel bij verdachte ernstig is geweest.

Ten aanzien van het opzet overweegt de rechtbank dat de gedraging van verdachte, te weten het meermalen met een voorwerp steken in de buik van het slachtoffer, naar zijn aard reeds gericht is op het gevolg om het slachtoffer van het leven te beroven.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte juridisch kan worden geduid als een poging tot doodslag.

6. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE EN VAN DE VERDACHTE

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in noodweer c.q. voor zover overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft plaatsgevonden, in noodweerexces en om die reden van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

De raadsvrouw heeft allereerst bepleit dat er sprake is geweest van een noodweersituatie zoals bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat haar cliënt op verschillende momenten door [slachtoffer] en diens vriend [vriend slachtoffer] is aangevallen. Deze aanvallen hebben plaatsgevonden in café [naam], na het verlaten van het café op straat en in verdachte’s garage. Er is sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens haar cliënt, jegens zijn auto in die garage en jegens zijn vriendin.

Haar cliënt zag geen andere optie dan vluchten uit zijn garage. In paniek graaide hij in zijn auto, die hij ook gebruikt voor zijn werk als aannemer, en vond een stuk gereedschap. Al dreigend en zwaaiend met dat stuk gereedschap probeerde hij langs de mannen te lopen en te ontkomen aan de aanval die al minutenlang duurde.

Een andere mogelijkheid om zich aan deze situatie te onttrekken was er niet, aldus de raadsvrouw, en het gebruikte geweld is, gegeven de gevaarlijke en bedreigende situatie, niet als disproportioneel aan te merken.

Subsidiair heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op noodweerexces. Voor zover haar cliënt de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden, is dit veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging als onmiddellijk gevolg van de wederrechtelijke aanranding. Haar cliënt heeft in grote angst verkeerd en hij heeft in paniek gehandeld.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden aannemelijk geworden.

Op 2 februari 2008 is in café [naam] een vechtpartij tussen verdachte en [slachtoffer] ontstaan, waarbij [slachtoffer] als eerste een kopstoot aan verdachte heeft gegeven. Hierna zijn beiden uit het café gezet en hebben zij zich op straat richting het huis van verdachte op [straatnaam] begeven. Verdachte is daarbij op straat achtervolgd door [slachtoffer] en diens vriend [vriend slachtoffer] waarbij verdachte door hen is geslagen en getrapt.

Op enig moment bevond verdachte zich in de naast zijn woning gelegen garage en bukte hij in zijn aldaar geparkeerde auto om zijn mobiele telefoon te pakken. Op dat moment is het achterraam van verdachtes auto met een harde klap door één van zijn belagers vernield. Onduidelijk is gebleven hoe dit is gebeurd. Aannemelijk is dat [slachtoffer] zich op dat moment in de garage aanvallend en dreigend jegens verdachte heeft gedragen. De rechtbank is van oordeel dat op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte waaraan deze zich niet kon onttrekken en waartegen noodzakelijke verdediging geboden was. Daarna heeft [slachtoffer] zich buiten de garage op de stoep dreigend naar de vriendin van verdachte gedragen. Voorts stonden buiten meerdere personen, meegelopen met [slachtoffer] dreigend te roepen en te schreeuwen.

Verdachte heeft zich toen zwaaiend met een voorwerp in zijn hand uit de garage begeven en heeft [slachtoffer] in diens buik gestoken.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat op het tijdstip van deze aan de verdachte verweten gedraging de aanranding van [slachtoffer] jegens hem, verdachte, was beëindigd en dat de noodzaak tot verdediging niet meer geboden was.

Niettemin was deze gedraging naar het oordeel van de rechtbank toch het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging (angst en paniek) veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding en de dreigende situatie ter plaatse.

Nu de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft plaatsgevonden nadat de aanranding al was afgelopen is sprake van extensief exces.

Al het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte vanwege een geslaagd beroep op noodweerexces niet strafbaar is voor het bewezen verklaarde en dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Westdorp, voorzitter,

mr. T. Luigjes en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van J.K. Krijnen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 november 2009.

mr. Luigjes is buiten staat

dit vonnis te ondertekenen