Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BK4142

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
23-11-2009
Zaaknummer
14-700693-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Voorhanden hebben hennepplanta. Verwerking ouderdom zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14.700693-07 (P)

Datum uitspraak : 10 juni 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte 1],

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 mei 2009 en 27 mei 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks de periode van 01 oktober 2005 tot en met 18 juli 2006 te Hoorn, gemeente Hoorn, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een grote hoeveelheid hennep en/of een grote hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

A. De vaststaande feiten

De rechtbank stelt de volgende feiten vast:

Naar aanleiding van C.I.E.-informatie, waaruit zou blijken dat [verdachte 2] zich zou schuldig maken aan criminele activiteiten, waaronder het exploiteren van hennepplantages in woningen, het hebben van een XTC-lab, de invoer van cocaïne en het vervoer van weed, is op 15 februari 2006 een opsporingsonderzoek gestart onder de naam [naam onderzoek] .

In het kader van het onderzoek [naam onderzoek] zijn diverse onderzoeksmethoden gebruikt, zoals onderzoek telecommunicatie, stelselmatige observatie, plaatsen van peilbakens, warmtemetingen en onderzoek in politiesystemen. Zo zijn in opdracht van de officier van justitie te Alkmaar op tijdstippen in de periode van 6 maart 2006 tot en met 18 juli 2006 door [verdachte 2] dan wel door diens contacten gevoerde gesprekken afgeluisterd en opgenomen.

[verdachte 2] is op bevel van voornoemde officier van justitie in de periode 16 februari 2006 tot en met 18 juli 2006 stelselmatig geobserveerd. Hierbij is gebruik gemaakt van technische hulpmiddelen, te weten: fotoapparatuur, filmapparatuur en plaatsbepalingsapparatuur.

Voorts heeft het onderzoek geresulteerd in de verdenking jegens 26 personen, waaronder verdachte, die deels of geheel betrokken zouden zijn bij in totaal 12 zaken, waarvan een aantal hieronder in chronologische volgorde zal worden beschreven, althans voor zover zij relevant zijn voor het aan verdachte ten laste gelegde.

(zaak 7)

Op grond van afgeluisterde telefoongesprekken in de periode mei tot en met juli 2006, ontstaat de verdenking dat twee bewoners van een pand op het [adres] zich bezig houden met de exploitatie van een hennepkwekerij, waarin tevens de verdachten [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 4] een aandeel hebben. Op 18 juli 2006 heeft in bedoelde woning van [verdachte 1] en [verdachte 5] met toestemming van laatstgenoemde een doorzoeking plaatsgevonden. Op de zolderverdieping troffen de opsporingsambtenaren een afgesloten ruimte aan, welke was ingericht voor het kweken van vermoedelijk hennep. Er werden geen hennepplanten aangetroffen maar wel lampen, een inlaat, een uitlaat een koolstoffilter en een waterton. Ook werd de geur van hennep waargenomen. Op de muur werd een met de pen aangebrachte tekst aangetroffen .

Verdachten [verdachte 1] en[verdachte 5] zijn gehoord op 18 juli 2006 en hebben beiden een bekennende verklaring afgelegd met betrekking tot het in hun woning medeplegen van het meermalen telen van hennepplanten. [verdachte 1] heeft daarbij verklaard dat zijn buurman [verdachte 2] hem in eerste helft van 2006 heeft voorzien van de know how voor de kwekerij (over voeding en water geven, de benodigde apparatuur zoals ventilatoren, pomp en lampen) en dat [verdachte 2] hem tweemaal voor de oogst heeft betaald, onder aftrek van de kosten voor de benodigde spullen, die hij samen met de stekjes van

[verdachte 2] had gekregen. De tekst op de muur had [verdachte 1] geschreven naar aanleiding van wat [verdachte 2] hem vertelde als uitleg over deze weedplantage.

Verdachte [verdachte 5] heeft meer in het bijzonder verklaard over een vijftal verslagen van tapgesprekken, waarbij zij aangeeft in juli 2006 met [verdachte 4] en [verdachte 3] over de telefoon gesprekken te hebben gevoerd, die gingen over de voeding van de hennepplanten en netjes waar de weed op moest worden gelegd om te drogen. Tevens heeft zij op foto’s de verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] en [verdachte 4] herkend als de drie samenwerkende personen waarmee contact is geweest over de kwekerij bij haar thuis.

Verdachte [verdachte 4] heeft in zijn vierde verklaring bij de politie verklaard dat [verdachte 5] hem heeft gebeld en vroeg om spullen van haar hennepkwekerij weg te halen, waarna [verdachte 4] [verdachte 2] heeft gebeld om dit door te geven en [verdachte 2] ervoor gezorgd heeft dat de spullen bij [verdachte 5] werden weggehaald. [verdachte 4] was in juli 2006 ook in de woning op het [adres] binnen geweest en had daar toen ongeveer 100 weedplanten gezien.

Verdachten [verdachte 3] en [verdachte 2] hebben zich wat betreft de kwekerij op het [adres] op hun zwijgrecht beroepen.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan als medepleger, samen met zijn vrouw ([verdachte 5]) en samen met de verdachten [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 4]. Daarbij is de exacte hoeveelheid planten onbekend gebleven.

C. Het standpunt van de verdachte:

Verdachte heeft in zijn verklaring bij de politie en zijn verklaring ter terechtzitting van 13 mei 2009 bekend het hem tenlastegelegde feit te hebben begaan.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

1. Inleiding

Hierboven is onder 4A reeds aangegeven welke feiten uit zaak 7 de rechtbank als vaststaand heeft aangenomen op grond van wettige bewijsmiddelen. Bedoelde feiten zijn als zodanig door de verdachte niet betwist.

Hieronder zal de rechtbank weergeven welk –voor de aan verdachte tenlastegelegde feiten relevant- aanvullend bewijsmateriaal in het dossier kan worden aangetroffen en zal de rechtbank vervolgens ook aangeven hoe zij het aldus onder 4A en 4D weergegeven bewijsmateriaal waardeert en in hoeverre het voorhanden zijnde bewijs al dan niet voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

2. Algemene overweging met betrekking tot de bruikbaarheid voor het bewijs van tapgesprekken.

In het kader van het onderzoek [naam onderzoek] zijn in opdracht van de officier van justitie op tijdstippen in de periode van 6 maart 2006 tot en met 18 juli 2006 door verdachte [verdachte 2] dan wel door diens contacten met de telefoons met de nummers [telefoonnummer]

[telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer] gevoerde gesprekken afgeluisterd en opgenomen.

Daarnaast zijn in het kader van dit onderzoek in opdracht van de officier van justitie op tijdstippen in de periode van 15 maart 2006 tot en met 18 juli 2006 door verdachte [verdachte 3] dan wel door diens contacten met de telefoons met de nummers

[telefoonnummer], [telefoonnummer]en [telefoonnummer]gevoerde gesprekken afgeluisterd en opgenomen.

Ook zijn in opdracht van de officier van justitie op tijdstippen in de periode van 15 maart 2006 tot en met 18 juli 2006 door verdachte [verdachte 4] dan wel door diens contacten met de telefoons met de nummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]gevoerde gesprekken afgeluisterd en opgenomen.

Het dossier [naam onderzoek] bevat dan ook een grote hoeveelheid verslagen van afgeluisterde gesprekken, waarbij soms woordelijk, soms in samenvatting is weergegeven wat over de telefoon is gezegd. De officier van justitie heeft in haar requisitoir veelvuldig verwezen naar bedoelde tapgesprekken als onderdeel van de door haar gevolgde bewijsconstructie.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de bruikbaarheid van bedoelde tapgesprekken dat, voor zover tapgesprekken inhoudelijk relevant zouden kunnen zijn voor het bewijs in een bepaalde zaak , de rechtbank daar als bewijsmiddel slechts onder bepaalde voorwaarden gebruik van zal maken .

In het onderzoek [naam onderzoek] is veelvuldig gebruik gemaakt van het met een technisch hulpmiddel opnemen van telefoongesprekken, welke vervolgens - waar nodig - door een tolk zijn vertaald uit het Hindoestaans in de Nederlandse taal en opgenomen in de zogenaamde tapverslagen. Deze tapverslagen bevatten een woordelijke weergave van het gesprek dan wel een kennelijk door de tolk en/of de verbalisant gemaakte samenvatting van de inhoud van het gesprek.

In het merendeel van de tapverslagen is de identiteit van (één van de) verdachten als (één van de) deelnemer(s) aan het telefoongesprek vermeld.

Daarbij doen zich drie verschillende situaties voor:

a. die waarbij een of meerdere deelnemers aan een telefoongesprek worden geïdentificeerd doordat in het gesprek een naam wordt genoemd;

b. die waarbij is aangegeven dat identificatie door stemherkenning door de betrokken tolk heeft plaats gevonden.

Uit een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, dat op verzoek van de rechtbank in een andere zaak is uitgebracht, blijkt, dat in het algemeen niet zonder meer kan worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van de stemherkenning door de tolken.

c. die waarbij de deelnemer(s) aan het telefoongesprek wordt (worden) geïdentificeerd, maar waarbij niet duidelijk is geworden hoe de identificatie heeft plaats gevonden, terwijl in het gesprek geen namen worden genoemd. De tolk is niet gehoord over de gronden waarop de stemherkenning is gebaseerd terwijl, indien de stemherkenning door een politieambtenaar heeft plaatsgevonden, niet wordt aangegeven of die ambtenaar over de vereiste vaardigheid van het herkennen van stemmen en hoe die ambtenaar die vaardigheid heeft verkregen.

De rechtbank zal voor het bewijs slechts die verslagen van met een technisch hulpmiddel opgenomen telefoongesprekken als “ander geschrift” laten meewerken, indien:

1. de deelnemers door middel van het noemen van een naam worden geïdentificeerd;

2. op grond van de inhoud van andere bewijsmiddelen (bijv. observaties en/of camerabeelden en/of verklaringen) de identiteit van ten minste één van de deelnemers aan dat gesprek vaststaat en

3. voorts de inhoud van het betreffende gesprek uit een oogpunt van beantwoording van de bewijsvraag voldoende steun vindt in de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Het onder 2. en 3. gestelde vindt ook toepassing in het geval dat geen woordelijk verslag van het telefoongesprek is opgenomen, maar een samenvatting van de inhoud van het gesprek is weergegeven.

De rechtbank is overigens van oordeel dat de gesprekken op rechtmatige wijze zijn opgenomen met een technisch hulpmiddel en dat met betrekking tot de kwaliteit van de door de tolken gemaakte vertalingen niet is gebleken dat er redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit bewijsmateriaal.

3. Beoordeling van het verdachte tenlastegelegde feit

Aan verdachte is tenlastegelegd de betrokkenheid bij zaak 7.

In aanvulling op de hierboven vaststaande feiten is het volgende bewijsmateriaal voorhanden.

Op 13 juli 2006 omstreeks 20:51:22 uur vindt er een telefoongesprek plaats tussen [verdachte 5] en iemand waarvan de stem wordt herkend als die van verdachte [verdachte 4] en waarvan [verdachte 5] verklaart dat zij dit gesprek heeft gevoerd en dat het onder andere ging over netjes waar je weed op moet leggen om het te drogen .

Dit gesprek houdt – onder meer – het volgende in:

[verdachte 4]: Had je me nodig?

[verdachte 5]: Ja, het moet, het gaat eruit

[verdachte 4]: O o o, eh, dan moet ik even kijken, morgenochtend vroeg?

Verdachte [verdachte 4] heeft in zijn vierde verklaring aangegeven dat dit het gesprek is geweest waarin [verdachte 5] hem belde en hem vroeg om de spullen van de hennepkwekerij in hun slaapkamertje weg te halen. [verdachte 4] verklaart dat hij de volgende dag [verdachte 2] heeft gebeld en dat [verdachte 2] er toen voor heeft gezorgd dat die spullen bij [verdachte 5] werden weggehaald .

Op 15 juli 2006 omstreeks 00:38:13 uur vindt er een telefoongesprek plaats tussen [verdachte 5] en iemand waarvan de stem wordt herkend als die van verdachte [verdachte 3] en waarbij [verdachte 5] verklaart dat zij dit gesprek heeft gevoerd met [verdachte 3] .

Dit gesprek houdt – onder meer – het volgende in:

[verdachte 3]: Lag je te slapen?

[verdachte 5]: Nee man ik ben boven bezig.

[verdachte 3]: O, eh, weet je wat het is, ik kan die mand toch niet vinden

(….)

[verdachte 3]: Nee maar weet je wat je moet doen?

[verdachte 5]: ik leg het boven gewoon neer als het klaar is.

[verdachte 3]; Ok, hebben jullie doekjes, deken, ouwe dekens?

[verdachte 5]: Eh nee, ik gebruik geen dekens.

[verdachte 3]: Of gewoon, hoe heet het ook alweer, die hoes van het bed?

[verdachte 5]: Matrashoes

(…)

[verdachte 3]: Dus dan zet je die op de vloer, en niet te dik, gewoon een beetje verspreid, en dan gewoon die ventilators ervoor, dan breng ik morgenochtend wel.

[verdachte 5]: Is goed, doe ik.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat met het beschikbare bewijsmateriaal voldoende wettig en overtuigend is komen vast te staan dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

Uit eigen verklaring van verdachte en zijn medeverdachten valt daarbij duidelijk af te leiden dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met betrekking tot de kwekerij op het [adres], waarbij de bewoners van het pand zowel met verdachte [verdachte 2] als met [verdachte 4] en [verdachte 3] contacten onderhielden over de voeding van de hennepplanten, het drogen daarvan en het weghalen van de oogst.

E. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 18 juli 2006 te Hoorn, gemeente Hoorn, telkens tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet, meermalen gepleegd.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar omdat nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

A. De eis van de officier van justitie

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat verdachte een kleinere schakel heeft gevormd in een veel groter geheel en daarover intussen zijn spijt heeft betuigd. Mede gelet op het ontbreken van eerdere documentatie op het terrein van drugs en het gegeven dat het gaat om een feit uit 2006, heeft de officier van justitie geëist dat aan verdachte wordt opgelegd een geheel voorwaardelijke werkstraf van 60 uren, te vervangen door

30 dagen, met een proeftijd van 2 jaren.

B. Het standpunt van de verdachte:

Verdachte heeft verklaard in te stemmen met de eis van de officier van justitie.

C. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het overtreden van de Opiumwet door in zijn woning hennepplanten te telen. Door aldus te handelen heeft verdachte de volksgezondheid in gevaar gebracht. Het gebruik van de op lijst II van de Opiumwet voorkomende middelen - de hennepproducten - brengt risico's mee voor de gezondheid van onder meer jonge gebruikers en veroorzaakt mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving. Verdachte heeft daaraan door zijn handelen bijgedragen.

Verdachte heeft ter terechtzitting blijk gegeven spijt te hebben van het gebeurde.

Verder is de rechtbank niet gebleken dat verdachte eerder ter zake enig strafbaar is veroordeeld.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de termijn van behandeling van de zaak tegen verdachte nog het volgende.

Op het aan verdachte toekomende recht op berechting binnen een redelijke termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Verdachte is op 18 juli 2006 voor het eerst als verdachte in deze zaak gehoord wegens verdenking te hebben gehandeld in strijd met artikel 3 van de Opiumwet.

De zaak wordt voor het eerst aangebracht bij de politierechter te Alkmaar op 19 februari 2008, maar vervolgens ingetrokken. Op 13 mei 2009 vindt de inhoudelijke behandeling plaats bij de meervoudige kamer en wordt het onderzoek ter terechtzitting van 27 mei 2009 gesloten.

De lange duur van de gehele procedure is niet aan verdachte te wijten.

Een deel van het tijdsverloop is terug te voeren op het feit dat de zaak tegen verdachte deel uitmaakte van een zeer omvangrijk dossier, waarbij in de zaak tegen de medeverdachten extra tijd gemoeid is geweest met het (trachten te) horen van door de verdediging en officier van justitie opgegeven getuigen. Daarnaast zijn er lange perioden van inactiviteit geweest welke verdachte niet zijn aan te rekenen. Tevens heeft de zaak tegen verdachte vertraging opgelopen door vertraging die in de behandeling van zaken tegen medeverdachten is ontstaan.

Er is in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van bijzondere omstandigheden die een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen.

Hoewel verdachte niet in voorarrest heeft gezeten en niet aan de rechter-commissaris is voorgeleid en pas in 2008 voor het eerst is gedagvaard zodat strikt genomen de redelijke termijn vanaf dat laatste moment is gaan lopen, heeft verdachte lange tijd onder de dreiging van een mogelijke vervolging moeten leven. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij sprake van een zodanig gebrek aan voortvarendheid in de behandeling van deze strafzaak dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM, in onwenselijke mate is overschreden. De rechtbank is daarbij –conform de hier geldende jurisprudentie van de Hoge Raad- van oordeel dat deze overschrijding niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leidt. Wel zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met de overschrijding van bedoelde termijn.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande van oordeel dat in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken dagen op zijn plaats zou zijn.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de op te leggen straf matigen door een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de hoogte van het aantal uren af te wijken van de vordering van de officier van justitie.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. Beslissing

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.A. Egter van Wissekerke, voorzitter,

mr. B.H. Franke en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2009.