Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BK3133

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
14.810042-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3409, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

10 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging voor moord en mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 14/810042-09 en 14/701759-09 (gevoegd)

Uitspraakdatum: 12 november 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 oktober 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Vught, Nieuw Vosseveld 2 LAA, te Vught.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(parketnummer 14/810042-09)

hij op of omstreeks 03 februari 2009 in de gemeente Alkmaar opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg),

* een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gehaald en/of gepakt en/of

* 35 maal (met kracht) met dat mes/voorwerp, gestoken en/of gesneden in het lichaam van die [slachtoffer 1], (waardoor in het lichaam van die [slachtoffer 1] het hart en/of de lever en/of de dunne darm en/of de dikke darm en/of de longen werden doorstoken en/of geraakt en/of waarbij de hals [de halsspieren en/of de slokdarm en/of de luchtpijp en/of de diepe slagaders] is doorkliefd), tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

(parketnummer 14/701759-09)

Primair:

hij op of omstreeks 27 maart 2009 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het doorverdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], inrichtingswerker in “Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord”, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

* die [slachtoffer 2] (van achteren) heeft benaderd en/of

* die [slachtoffer 2] (met kracht) om haar hals/nek heeft vastgegrepen en/of

* een mes ter hand heeft genomen en/of

* één of meermalen (met kracht) (met dat ter hand genomen mes) heeft gestoken en/of gestompt en/of geslagen op/tegen de borst van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 27 maart 2009 in de gemeente Alkmaar met het opzet tot het mishandelen van een persoon (te weten [slachtoffer 2], inrichtingswerker in “Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord”),

* die [slachtoffer 2] (van achteren) heeft benaderd en/of

* die [slachtoffer 2] (met kracht) om haar hals/nek heeft vastgegrepen en/of

* een mes ter hand heeft genomen en/of

* één of meermalen (met kracht) (met dat ter hand genomen mes) heeft gestoken en/of gestompt en/of geslagen op/tegen de borst van die [slachtoffer 2], waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in de zaak met parketnummer 14/810042-09 en de in de zaak met parketnummer 14/701759-09 primair tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 14/701759-09 primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

Ten aanzien van parketnummer 14/810042-09

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder parketnummer 14/810042-09 op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 4 februari 2009 (dossierpagina’s B7 t/m B13);

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 4 e.v.);

• een schriftelijk stuk, te weten een pathologisch rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, opgemaakt d.d. 23 maart 2009.

Overweging ten aanzien van de voorbedachte raad:

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat van de ten laste gelegde voorbedachte raad die voor bewezenverklaring van moord is vereist, geen sprake is geweest. Verdachte is volgens de raadsman naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan om zijn belastingformulier in te laten vullen. Eenmaal binnen heeft verdachte tevergeefs te kennen gegeven niet gediend te zijn van de seksuele toenadering die [slachtoffer 1] tot hem zocht. Toen verdachte door de voordeur naar buiten wilde gaan en merkte dat deze op slot was, heeft verdachte een mes in de gang gepakt waarna een worsteling is ontstaan. Verdachte heeft hierbij een black out gehad, zodat van voorbedachte raad geen sprake kan zijn, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

In zijn eerste verhoor bij de politie heeft verdachte over hetgeen op 3 februari 2009 in de woning van [slachtoffer 1] is gebeurd expliciet verklaard dat hij van de stoel in de woonkamer, waar hij zat, naar de gang is gelopen om daar een mes te pakken . Dit mes lag al heel lang, volgens verdachte een jaar of twee, onder de trap in een emmer. Gevraagd naar wat verdachte van plan was met dit mes heeft hij vervolgens verklaard: “Ik wilde hem een keer neersteken.” Later in dezelfde verklaring geeft verdachte nog eens aan: “Ik heb dat mes gepakt omdat hij te ver was gegaan.” De rechtbank begrijpt uit de context van het verhoor dat verdachte hiermee kennelijk doelde op de door hem genoemde toenaderingspogingen van [slachtoffer 1]. Volgens verdachte zouden deze eruit bestaan hebben dat [slachtoffer] hem probeerde een zoen te geven.

Verdachte heeft aldus besloten om vanuit zijn stoel in de woonkamer op te staan, naar de gang te lopen en uit een emmer onder de trap een mes te pakken waarvan hij wist dat het zich daar bevond, met als doel [slachtoffer 1] neer te steken omdat hij niet gediend was van diens seksuele toenadering. Het doelbewust gaan halen van het mes in een emmer in een andere ruimte heeft de verdachte tijd en gelegenheid gegeven zich te beraden over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad. Hierbij acht de rechtbank nog van belang dat verdachte zich volgens zijn eigen verklaring op dat moment niet in een conflictueuze en gewelddadige situatie bevond, zodat zijn handelen niet kan worden gezien als een reactie op een dergelijke situatie. De rechtbank acht het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ bewezen.

Ten aanzien van parketnummer 14/701759-09

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair telastegelegde op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte (dossierpagina Z1);

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige/aangeefster [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris;

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] bij de rechter-commissaris.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 14/810042-09 ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 14/701759-09 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

(parketnummer 14/810042-09)

hij op 3 februari 2009 in de gemeente Alkmaar opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

* een mes gehaald en

* 35 maal met kracht met dat mes, gestoken en gesneden in het lichaam van die [slachtoffer 1], waardoor in het lichaam van die [slachtoffer 1] het hart en de lever en de dunne darm en de dikke darm en de long werden doorstoken en/of geraakt en waarbij de hals [de halsspieren en de slokdarm en de luchtpijp en de diepe slagaders] is doorkliefd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(parketnummer 14/701759-09 )

Subsidiair:

hij op 27 maart 2009 in de gemeente Alkmaar met het opzet tot het mishandelen van een persoon te weten [slachtoffer 2], inrichtingswerker in “Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord”,

* die [slachtoffer 2] van achteren heeft benaderd en

* die [slachtoffer 2] met kracht om haar hals heeft vastgegrepen en

* een mes ter hand heeft genomen en

* meermalen met kracht met dat ter hand genomen mes heeft gestompt tegen de borst van die [slachtoffer 2], waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 14/810042-09: moord

Ten aanzien van parketnummer 14/701759-09 subsidiair: mishandeling

6. Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van verdachte is een onderzoek naar de geestesvermogens ingesteld in de Psychiatrische Observatiekliniek van het Pieter Baan Centrum. In het naar aanleiding hiervan opgestelde rapport van 10 september 2009 wordt geconcludeerd dat gezien de gebrekkige medewerking van verdachte aan het gedragskundig onderzoek, niet duidelijk is of, en zo ja in welke mate, de in dat onderzoek gevonden stoornissen van invloed zijn geweest bij de ten laste gelegde feiten. Voor het onderzoekend team is het daarom niet mogelijk een uitspraak te doen over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte bij deze feiten.

Mede op basis van deze conclusie komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sanctie en de maatregel

Bij de beslissing over de sanctie en de maatregel die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft in het huis van het slachtoffer, naar aanleiding van een - in de relatie tussen dader en slachtoffer niet geheel ongebruikelijke - seksuele toenadering, voorgenomen om [slachtoffer 1] met een mes te gaan steken. Daartoe haalde hij doelbewust uit de gang een mes uit een emmer om vervolgens [slachtoffer 1] 34 maal met kracht in het lichaam te steken. Ook heeft de verdachte de keel van het slachtoffer doorgesneden.

Verdachte heeft door aldus te handelen zich schuldig gemaakt aan een der ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Dit door verdachte gepleegde misdrijf heeft – mede gelet op de omstandigheden waaronder het is begaan – een ernstige inbreuk gemaakt op de rechtsorde, waardoor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving ontstaan. Voorts heeft de dood van het slachtoffer voor de nabestaanden onherstelbaar leed met zich gebracht.

Verdachte heeft tevens, tijdens zijn verblijf in een penitentiaire inrichting, een medewerker van die inrichting aangevallen en mishandeld. Dergelijk gedrag heeft tot gevolg dat medewerkers in een penitentiaire inrichting zich in toenemende mate onveilig voelen in hun werk.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de persoon van verdachte zoals uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege hiervoor genoemde NIFP rapport van 10 september 2009, het door S.A. Höhner uitgebrachte psychologisch pro justitia rapport van 17 juli 2006 en het door C.J. van Gestel, psychiater, uitgebrachte pro justitia rapport van 10 juli 2006 is gebleken. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 februari 2009.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Uit het eerdergenoemde NIFP rapport van 10 september 2009 blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende. Verdachte is een benedengemiddeld intelligente tot zwakbegaafde polydruggebruiker met een sinds 2006 voor het eerst vastgestelde psychotische stoornis niet anderszins omschreven. Verdachte vertoont, met name onder stress, duidelijke psychotische symptomen zoals wanen, maar ook een aantal formele denkstoornissen en een vlak, niet altijd adequaat affect. Gezien de periode van drie jaar waarin de psychose bestaat of weer terug is gekeerd, is het mogelijk dat het om een sluimerend verlopende paranoïde schizofrenie gaat. Bij gebrek aan aanvullende anamnestische en heteroanamnestische gegevens kan dit niet geobjectiveerd worden. Zoals ook in de Pro Justitia rapporten van 2006 werd vastgesteld, komen rapporteurs niet verder dan een psychotische stoornis niet anderszins omschreven. Daarnaast was er sprake van opiatenafhankelijkheid en aanwijzingen voor cocaïne-, alcohol- en cannabisafhankelijkheid. Thans is er bij verdachte sprake van een psychotisch toestandsbeeld, met vooral religieus gekleurde wanen en formele denkstoornissen. Bij verdachte zijn duidelijk spanningen merkbaar door een bijzonder sterke psychomotorische onrust.

Uit het eerdergenoemde rapport van psychiater C.J. van Gestel van 10 juli 2006 blijkt dat op klinische gronden het risico van recidive, gezien de instabiele omstandigheden en de persisterende ernstige en complexe problematiek van onderzochte, groot is te achten.

Op basis van de rapportage van 10 september 2009 komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van de moord leed aan een ziekelijke stoornis. In welke mate deze stoornis van invloed is geweest op het gepleegde delict kan de rechtbank evenwel niet vaststellen, nu verdachte niet zijn volledige medewerking heeft gegeven aan het psychiatrisch observatieonderzoek.

Ingevolge artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op last van de rechter ter beschikking worden gesteld. Dit artikel eist, anders dan bij de vraag of het feit kan worden toegerekend, niet meer dan een verband bestaande uit gelijktijdigheid (HR 22 januari 2008, LJN BC1311). Voorts dient de veiligheid van anderen het opleggen van een ter beschikkingstelling met dwangverpleging te eisen.

Ook aan deze laatste voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Naast het feit dat verdachte in het verleden diverse keren voor geweldsdelicten is veroordeeld, slaat de rechtbank hierbij acht op de conclusies van het genoemde Pro Justitia rapport van 10 juli 2006. De rechtbank ziet zich genoodzaakt zich mede op dit rapport te baseren, hoewel het advies eerder dan een jaar voor aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, nu verdachte geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen aan het psychiatrisch observatieonderzoek. In voornoemd rapport van 10 juli 2006 komt de psychiater tot de conclusie dat op klinische gronden de kans op recidive groot is. Hierbij merkt de rechtbank op dat het in 2006 ging om een onderzoek in het kader van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De door de psychiater destijds gewogen factoren die de kans op recidive groot maakten, lijken echter onverminderd aanwezig. Deze factoren (psychotische stoornis, geschiedenis van middelengebruik, factoren uit de levensgeschiedenis, recent middelengebruik, beperkt inzicht in eigen problematiek het beperkte steunsysteem en het beperkt vermogen om te gaan met stressfactoren) worden, op het recent middelengebruik na, alle ook door het recentere rapport van het NIFP onderschreven. Ook de indruk die verdachte op de terechtzitting maakte, bevestigt dit beeld.

Nu verdachte ook na het plegen van de moord zich wederom zeer gewelddadig heeft gedragen, zonder dat daar een aanwijsbare, objectiveerbare aanleiding toe was, en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het in het kader van de veiligheid van anderen noodzakelijk dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met een bevel tot dwangverpleging.

De rechtbank acht, naast oplegging van genoemde maatregel, en gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Deze duur zal aanzienlijk korter zijn dan door de officier van justitie geëist, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de noodzakelijke verpleging en behandeling binnen afzienbare tijd aanvangen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

37a, 37b, 57, 289, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder parketnummer 14/701759-09 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder parketnummer 14/810042-09 ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 14/701759-09 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van TIEN (10) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J. Kronenberg, voorzitter,

mrs. J. Candido en K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier W. van den Bergh,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 november 2009.