Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BK2830

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
14.810038-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ2970, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontkennende verdachte wegens moord veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : : 14/810038-09 (P)

Datum uitspraak : 10 november 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboorteland] op [geboortedatum] 1976,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Noord Holland Noord – HvB Zwaag.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 oktober 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van de verdachte, mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering tot aanpassing van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 31 januari 2009 te [plaatsnaam], gemeente [gemeentenaam]

opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg)

(meermalen) met een mes, althans een scherp en/of langwerpig en/of hard en/of

scherprandig (steek- en/of snij-)voorwerp, gestoken en/of gesneden in de hals

en/of de nek en/of (elders) in het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer],

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

A. De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, die blijken uit de hierna te vermelden bewijsmiddelen.

Op 31 januari 2009 omstreeks 08.21 uur wordt er bij de politie melding gedaan van een man die bebloed op straat ligt. De politie gaat ter plaatse en 08.30 uur wordt [slachtoffer] levenloos op de openbare weg, op [straatnaam] ter hoogte van [perceel] te [plaatsnaam] in de gemeente [gemeentenaam] aangetroffen. Het ambulancepersoneel stelde na aankomst vast dat [slachtoffer] was overleden. Het slachtoffer lag op zijn rug op de grond en had een flink bebloed gezicht en er zat veel bloed op zijn kleding. Het slachtoffer had een flinke keelwond.

Ter hoogte van de rechtervoet van het slachtoffer was een concentratie bloed aanwezig en ook rechts naast het slachtoffer bevond zich een hoeveelheid bloed. Op korte afstand van het slachtoffer bevond zich een aantal bloedspatten.

Blijkens de conclusie van het deskundigenrapport inzake het pathologie onderzoek van 19 maart 2009 (verder te noemen: het sectierapport) is massaal bloedverlies en weefselschade als gevolg van meerdere steek- en steek/snijletsels de oorzaak van het intreden van de dood van [slachtoffer]. De arts-patholoog heeft tijdens zijn onderzoek vastgesteld dat sprake was van zesentwintig steek- en/of snijletsels ter plaatse van het gelaat, de borst, de nek, de linkerarm en het linkerbovenbeen. Ter plaatse van de hals en de nek waren diepe steek- en snijletsels. De steek/snijletsels aan de hals gingen gepaard met klieving van de halsspieren, van het strottenhoofd en de diepe halsslagader. Er waren tevens twee perforaties vanuit de nek door de halswervel-kolom tot in het halsruggenmerg met klieving van het halsruggenmerg. Volgens de arts-patholoog zijn de letsels veroorzaakt door één of meer scherpe, langwerpige, harde en scherprandige voorwerpen, zoals bijvoorbeeld één of meer mes(sen).

Uit de omstandigheid dat bij het slachtoffer weinig bloed in de luchtwegen aanwezig was en enig bloed in het longweefsel, concludeert de arts-patholoog dat er aanwijzingen zijn dat de halsletsels vermoedelijk als laatste van de toegebrachte letsels zijn opgelopen.

Teneinde de vragen naar aanleiding van het overlijden van [slachtoffer] te onderzoeken, is onder de naam “Jura” een zogenoemd Team Grootschalige Opsporing (TGO) opgezet.

In dit onderzoek is [getuige 1] als getuige gehoord. Zij verklaart dat zij sinds december 2008 een relatie heeft met het slachtoffer [slachtoffer]. Zij woont aan [adres], om de hoek van de plaats waar het slachtoffer is aangetroffen. [slachtoffer] was die ochtend om 08.00 uur nog even naar boven gekomen om te zeggen dat hij weg zou gaan en zij hoorde hem de deur dichttrekken. [getuige 1] vertelt over haar ex-man, de vader van haar twee dochtertjes, die erg jaloers is en zich regelmatig hinderlijk ophoudt rond haar huis. Deze man is genaamd [verdachte], wonende te [plaatsnaam]. Het ging helemaal mis sinds ze een nieuwe relatie had. [verdachte] had diverse malen vervelende, soms dreigende e-mails en brieven gestuurd aan haar en [slachtoffer]. Op vrijdagavond 30 januari 2009 was hij nog bij haar woning geweest en had hij problemen veroorzaakt. Die avond heeft zij nog een

e-mail verzonden naar [verdachte] met daarin onder andere het verzoek om haar wensen te respecteren zodat ze in de toekomst weer normaal contact konden hebben.

Met machtiging van de rechter-commissaris zijn er telefoontaps geplaatst op de beschikbare telefoonnummers van [verdachte]. Hieruit bleek dat de telefoons zich in de ochtend van 31 januari 2009 verplaatsten naar België en later naar Frankrijk. Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is [verdachte] op 31 januari 2009 door de officier van justitie als verdachte aangemerkt.

Vanaf dat moment heeft het openbaar ministerie getracht de verdachte op te sporen. Tijdens de terugreis van de verdachte op 2 februari 2009 van Frankrijk, via België naar Nederland, heeft een arrestatieteam de verdachte in Hoorn aangehouden.

Verschillende getuigen, woonachtig in de omgeving van de plaats waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 31 januari 2009 was aangetroffen, hebben verklaard over hun waarnemingen op die bewuste ochtend.

Getuige [getuige 2] bevond zich in haar woning toen zij omstreeks 08.10 uur rare geluiden hoorde. Het waren stemmen die riepen ‘kom hier, kom hier’ en ‘ga weg, ga weg’ en ‘oh oh’. [getuige 2] vond het lijken alsof er iemand geslagen werd. Bovendien leken de geluiden op een soort gegorgel.

Getuige [getuige 3] e.v. [naam] is enkele minuten na 08.00 uur in haar auto gestapt en heeft met haar koplampen de hoek van de straat – waar [slachtoffer] is gevonden – geheel verlicht in zicht gehad. Zij heeft op dat moment geen lichaam zien liggen.

Getuige [getuige 4] hoorde geschreeuw van mannenstemmen en zag op de wekker – die naar haar zeggen ongeveer 6 a 7 minuten voorloopt – dat het 08.12 uur was.

Getuige [getuige 5] werd om 08.00 uur wakker. Omstreeks 08.10 uur hoorde zij gebrul, als een speenvarken, maar dan met een zware stem.

Uit het politieonderzoek, verricht op de plaats waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] was aangetroffen, is het volgende naar voren gekomen.

Naast het slachtoffer lag een GSM. In deze telefoon werd een e-mail bericht afkomstig van de telefoon van de verdachte aangetroffen.

In de buurt van het slachtoffer stond een personenauto, [merk auto], geparkeerd. Deze personenauto bleek niet afgesloten. Op het voetgedeelte van de rechter-voorstoel werd een bruine tas met hengsels aangetroffen. In de jaszak van het slachtoffer zat een autosleutel die paste op deze auto. De auto bleek op naam van het slachtoffer te staan.

Tussen de woning waar het slachtoffer die ochtend is vertrokken en de plek waar hij levenloos is aangetroffen staan vier woningen.

Er heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden in de auto van de verdachte, zijnde een [merk auto]. Van de bemonstering van de versnellingspook is een onvolledig DNA-mengprofiel verkregen. Het DNA-profiel van [slachtoffer] matcht met dit onvolledige DNA-mengprofiel. Dit betekent dat een deel van het celmateriaal in de bemonstering afkomstig kan zijn van [slachtoffer]. Vanwege de complexiteit en onvolledigheid van het DNA-mengprofiel is een berekening voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden match met het DNA-profiel van het [slachtoffer] niet uitgevoerd.

Tijdens de doorzoeking op 11 februari 2009 van de woning van de verdachte is een bloedspoor aangetroffen op een muur in de keuken naast een vuilnisbak. Van het DNA in deze bemonstering is een DNA-profiel verkregen. Het celmateriaal kan afkomstig zijn van [slachtoffer]. De berekende frequentie van het afgeleide DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat op 31 januari 2009 om 07.08 uur een pintransactie heeft plaatsgevonden bij tankstation [naam] ter waarde van € 29,34 ten laste van Rabobank betaalrekening [rekeningnummer]. Deze rekening staat op naam van de verdachte. Deze transactie heeft plaatsgevonden met pasvolgnummer 005, de enige bankpas die op dit rekeningnummer is verstrekt en die bij de verdachte is aangetroffen tijdens zijn aanhouding. De verdachte leent deze pas nooit uit. De verdachte heeft deze pinpas in de ochtend van 31 januari 2009 meegenomen toen hij vertrok naar Frankrijk.

Op 2 februari 2009 wordt er onderzoek gedaan naar de handwond van de verdachte. De geneeskundige [naam] constateert een sneetje in de rechterhandpalm en omschrijft dat deze verwoning waarschijnlijk is ontstaan door met de handpalm langs een puntig scherp voorwerp te schuren. De verwonding is waarschijnlijk 1-3 dagen voor het onderzoek ontstaan.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde, te weten de moord op [slachtoffer].

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er bij de verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte in de avond van 30 januari 2009 nog bij [getuige 1] aan de deur was geweest en dat hij toen niet werd binnengelaten. Aannemelijk is dat de verdachte op dat moment vermoedde dat [slachtoffer] bij [getuige 1] was. Na een slapeloze nacht is de verdachte heel vroeg teruggegaan naar [plaatsnaam], waar hij [slachtoffer] uit het huis van [getuige 1] zag komen. De officier van justitie acht aannemelijk dat de verdachte [slachtoffer] heeft opgewacht. De verdachte had een mes op zak en toen [slachtoffer] iets zei over hoe de verdachte [getuige 1] en de kinderen behandelde en hij ook een opmerking maakte over de e-mail die [getuige 1] de avond ervoor aan de verdachte had gestuurd, werd de verdachte boos en heeft hij, in zijn jaloezie, na de afwijzing de avond ervoor, direct op [slachtoffer] ingestoken. Vervolgens is de verdachte in totaal zesentwintig keer blijven steken, waarbij de laatste doodsteek – het doorsnijden van de keel van [slachtoffer] – een weloverwogen daad is geweest. Hierin ligt besloten een zekere opbouw en een beredeneerde wijze van handelen, aldus de officier van justitie.

C. het standpunt van de verdachte, de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, aangezien hij ontkent betrokken te zijn geweest bij de dood van [slachtoffer]. De verdachte is van mening dat hij het slachtoffer is geworden van een complot.

Subsidiair heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van moord, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Er zijn geen aanwijzingen en omstandigheden die een vooropgezet plan ondersteunen. Zo liggen de gedragingen van de verdachte in de ochtend van 31 januari 2009, zoals het tanken, het versturen van een sms en het zwaaien naar de getuige [getuige 6], niet voor hand als de verdachte het plan zou hebben opgevat om [slachtoffer] om het leven te brengen.

De raadsman stelt voorts dat, indien de rechtbank van oordeel is dat de verklaring van de getuige [getuige 7] betrouwbaar moet worden geacht en aan een bewezen-verklaring ten grondslag kan worden gelegd, er bij de verdachte geen sprake is geweest van een moment van kalm beraad en rustig overleg, doch eerder van een vlaag van razernij. Concluderend stelt de raadsman dat, indien de rechtbank het door de verdediging primair ingenomen standpunt, inhoudende dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, niet deelt, dan slechts plaats is voor een bewezenverklaring van doodslag.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

De verklaringen van de getuige [getuige 7]

De neef van de verdachte, [getuige 7], heeft een drietal getuigenverklaringen afgelegd. Op 17 juni 2009 heeft [getuige 7] bij de rechter-commissaris, in de Engelse taal en onder ede, ten aanzien van het tenlastegelegde feit het volgende verklaard:

‘Op 31 januari 2009 ontving ik vroeg in de ochtend een sms-bericht van mijn neef [verdachte]. Het bericht luidde: “[verdachte] has committed suicide”. Ik schrok van het bericht en ik had dit totaal niet verwacht. Ik heb na het bericht gebeld maar ik kreeg geen contact. Pas om een uur of negen ’s ochtends lukte het mij om contact met hem te maken.

Het was een wonderlijk gesprek. [verdachte] was verward en maakte de indruk dat hij geheel verloren was en dat het leven zinloos was geworden voor hem. Hij heeft op enig moment in dit gesprek gezegd ‘ik heb iemand dood gemaakt en ik voel me alsof ik gek aan het worden ben’. Het enige wat ik begreep was dat hij hard hulp nodig had op dat moment.

Na het gesprek ben ik een auto gaan huren om [verdachte] tegemoet te rijden. [verdachte] en ik hebben elkaar ontmoet op een parkeerplaats in de buurt van Tilburg. We zijn achter elkaar aan naar een parkeerplaats bij Eppegem gereden. [verdachte] heeft daar zijn auto geparkeerd en stapte bij mij in de auto. We zouden vervolgens samen naar Parijs rijden.

[verdachte] zei dat hij die nacht slecht geslapen had en dat hij ’s morgens om 06.00 uur al was opgestaan. Ook vertelde hij, dat hij al heel vroeg, ongeveer zeven uur of half acht, naar het huis van [getuige 1] was gereden. Hij had de auto in de buurt van het huis geparkeerd en terwijl hij in de auto zat, zag hij dat een man uit het huis van [getuige 1] kwam. Hij droeg een tas bij zich. Die man liep naar zijn auto toe, gooide de tas in zijn auto en liep om de auto heen naar de bestuurdersplaats. [verdachte] vertelde dat hij naar die man toe was gelopen en hem had aangesproken. Hij had zijn handen uitgestoken. [verdachte] vertelde dat hij hem van een foto bij [getuige 1] kende. [verdachte] en de man hebben vervolgens gesproken over de kinderen. [verdachte] vertelde mij dat die man negatief sprak over de manier waarop [verdachte] met [getuige 1] omging wat betreft de kinderen. [verdachte] was er boos over aangezien die man sprak over de kinderen van [verdachte] en niet over zijn eigen kinderen. [verdachte] vond dat hij dus totaal geen recht had om zich daarmee te bemoeien. Vervolgens zei de man ook nog iets over de e-mail van de avond daar voor. [verdachte] kreeg de indruk dat hetzij die man die e-mail had geschreven, hetzij dat die man het samen met [getuige 1] had geschreven. Hierdoor werd [verdachte] heel erg boos.

[verdachte] vertelde dat hij een mes uit zijn jas had gepakt en dat bij die beweging een bloedende kras op het lichaam van die man was gekomen. [verdachte] vertelde dat die man iets zei in de trant van ‘we hoeven het niet zo te doen’. Vervolgens raakte [verdachte] en de man met elkaar in een worsteling en tijdens die worsteling heeft [verdachte] die man gestoken. Die man is op de grond terecht gekomen. [verdachte] vertelde dat hij met zijn voet op de rug van de man was gaan staan, dat hij zijn hoofd achterover had getrokken en dat hij vervolgens met het mes de keel van de man had doorgesneden, op een manier waarop je in Kenia een kip slacht.

[verdachte] was, nadat hij de man de keel had doorgesneden, in zijn auto gestapt en weggereden. Hij was zo in paniek dat hij merkte dat hij zijn gordel niet om had en zijn lichten niet aan had. Hij vertelde ook nog dat hij in zijn zijspiegel had gezien dat de man een beweging met zijn been maakte als een soort laatste stuiptrekking. Ook hier verwees [verdachte] naar een geslachte kip. Hij reed in een soort trance naar huis. Hij vertelde dat hij bloed aan zijn kleren had. Ik heb nog naar zijn kleding gekeken maar ik heb geen bloed gezien. Hij zei dat hij zich thuis gewassen had.’

Bij de politie te Brussel heeft [getuige 7] op 19 maart 2009 op navolgende onderdelen meer specifiek verklaard:

‘[verdachte] zei me dat hij de man in de rug had gestoken. [verdachte] zei me ook nog dat hij buiten zichzelf was en was blijven steken tot de man op de grond viel. Zelfs toen de man op de grond was gevallen, was [verdachte] blijven steken met het mes. [verdachte] zei me ook nog dat hij op een bepaald ogenblik – terwijl de man op de grond lag – zijn voet of knie in de rug plaatste, het hoofd van de man wat optilde en vervolgens diens keel oversneed.

[verdachte] stelde mij toen de vraag of ik wist hoe ze bij ons een kip klaar maakten om te eten. [verdachte] vertelde mij namelijk letterlijk dat het precies zo was gebeurd. Elke Keniaan weet hoe een kip wordt klaargemaakt om te eten en hoe brutaal dit gebeurt.’

Oordeel van de rechtbank over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 7]

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 7] betwist. Gesteld is dat de mogelijkheid bestaat dat [getuige 7] zijn informatie heeft van een derde, niet zijnde de verdachte, en dat sprake is van een complot waarin [getuige 7] een cruciale rol speelt. Dit complot heeft tot doel het overlijden van [slachtoffer] in de schoenen van de verdachte te schuiven, aldus de raadsman en de verdachte.

De rechtbank overweegt daarover dat de – niet onderbouwde – stelling dat ten aanzien van de verdachte sprake zou zijn van een complot waarin de getuige [getuige 7] een wezenlijke rol speelt, op geen enkele manier aannemelijk is geworden. De rechtbank verwerpt de complottheorie dan ook en zij is met de officier van justitie van oordeel dat de verklaringen zoals afgelegd door [getuige 7] als betrouwbaar zijn aan te merken en derhalve aan de bewijsvoering ten grondslag kunnen worden gelegd. Vastgesteld moet worden dat [getuige 7] steeds consistent heeft verklaard over wat hij van de verdachte heeft vernomen over de gebeurtenissen in de vroege ochtend van 31 januari 2009. De rechtbank stoelt haar oordeel over de betrouwbaarheid van [getuige 7] mede op het feit dat hetgeen [getuige 7] heeft verklaard op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door de onderzoeksbevindingen welke in dit vonnis zijn weergegeven in onderdeel A van rubriek 4 “De bewijsmotivering”.

De verklaringen van [getuige 7] worden ook ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Zo heeft [naam], de echtgenote van [getuige 7], verklaard dat zij en [getuige 7] 31 januari 2009 samen omstreeks 09.00 uur zijn opgestaan in hun woning in [plaatsnaam] te België. In de loop van de ochtend heeft haar man verschillende telefoontjes gehad, voornamelijk in het Luo, en toen vertelde hij haar dat hij een auto ging huren. [getuige 7] heeft om enkele minuten over tien een auto gehuurd, hetgeen door getuige [getuige 8], een medewerker van [autoverhuurbedrijf] is bevestigd.

Ook blijkt [getuige 7] op de hoogte te zijn van de e-mail die [getuige 1] de avond van 30 januari 2009 naar de verdachte had gestuurd en weet [getuige 7] te vertellen dat het slachtoffer zijn tas aan de passagierszijde in zijn auto had gezet.

Uit de afgeluisterde telecommunicatie blijkt dat de verdachte op 2 februari 2009 om 00.10 uur een telefoongesprek heeft gevoerd met [getuige 7]. De verdachte heeft tijdens dit gesprek het volgende gezegd (vertaald vanuit het Luo): ‘en ik wijs je aan dat andere mensen jou niet wijs moet maken dat, dat, ik toegegeven heb, dat ik heb toegegeven dat ik iets heb gedaan.’ [getuige 7] heeft hierop geantwoord: ‘ik zeg niks, ik zeg niks’, waarna de verdachte het gesprek heeft afgesloten met de woorden: ‘Oke, we zijn het er mee eens.’

[getuige 7] heeft over dit telefoongesprek met de verdachte het volgende verklaard. [verdachte] had hierover tegen hem verteld dat hij te allen tijde zijn mond moest houden ook al zou hem gezegd worden dat [verdachte] bekend had bij de politie. Hij mocht het absoluut aan niemand vertellen.

Anders dan de verdachte ter terechtzitting heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat de vertaling van het hiervoor weergegeven telefoongesprek tussen de verdachte en [getuige 7] vanuit het Luo in het Nederlands onjuist zou zijn. Met name de stelling van de verdachte dat het gesprek over “sponsoring” zou gaan, is – mede gelet op de ook op dit punt consistente verklaringen van [getuige 7] – niet geloofwaardig.

Overigens worden de verklaringen van [getuige 7] door de verdachte bevestigd ten aanzien van de wijze waarop zij beiden de ochtend van 31 januari 2009 telefonisch contact hebben gehad alsmede ten aanzien van de afgesproken reis naar Parijs.

Conclusie van de rechtbank

Op grond van de hiervoor in rubriek 4 onder A “De Bewijsmotivering” opgenomen bewijsmiddelen en de hierboven weergegeven verklaringen van de getuige [getuige 7] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 31 januari 2009 [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

De rechtbank acht tevens bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor het aannemen van voorbedachte raad moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat voor de verdachte gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis of de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de processtukken is niet gebleken, dat de verdachte met een vooropgesteld plan om [slachtoffer] van het leven te beroven met zijn auto naar de straat is gereden in [plaatsnaam], waar zijn ex-partner [getuige 1] woonde.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de voorbedachte raad uit van het in de verklaringen van getuige [getuige 7] omschreven tijdsbestek waarbinnen de handelingen van de verdachte hebben plaatsgevonden en uit welke verklaringen tevens de wijze blijkt waarop het delict is gepleegd.

Toen de verdachte in zijn auto in de nabijheid van [getuige 1]’s huis zat, zag hij [slachtoffer] uit de woning van [getuige 1] lopen. De verdachte herkende hem van een foto. [slachtoffer] liep naar zijn auto en zette zijn tas erin. Op dat moment liep de verdachte op [slachtoffer] af en sprak hem aan. Een woordenwisseling volgde, waarbij de verdachte heel erg boos is geworden.

De verdachte heeft naar aanleiding van de woordenwisseling op enig moment een mes uit zijn jas gepakt, waarmee hij bij [slachtoffer] een bloedende kras op het lichaam veroorzaakte. [slachtoffer] heeft vervolgens getracht de-escalerend op te treden door aan de verdachte te vragen het anders op te lossen. Desondanks heeft de verdachte het mes ter hand gehouden en [slachtoffer] gestoken. De verdachte is vervolgens blijven steken totdat [slachtoffer] op de grond terecht is gekomen. Eenmaal op de grond heeft de verdachte wederom bij herhaling ingestoken op [slachtoffer].

Ten slotte heeft de verdachte zijn voet op de rug van [slachtoffer] gezet, vervolgens diens hoofd omhoog getrokken en met het mes de keel van [slachtoffer] doorgesneden.

Uit het sectierapport blijkt dat het slachtoffer nog leefde tijdens het doorsnijden van de hals en dat aannemelijk is dat dit halsletsel de laatste van de reeks levens-berovende handelingen is geweest, getuige de geringe hoeveelheid bloed in de luchtwegen en enig bloed in het longweefsel. Nu blijkens de rapportage van de

arts-patholoog ook de letsels in de nek afzonderlijk het intreden van de dood kunnen verklaren, kan naar het oordeel van de rechtbank ervan worden uitgegaan dat het slachtoffer toen reeds stervende was.

Reeds uit deze laatste uitvoeringshandeling van de verdachte, waarbij hij het op de grond liggende slachtoffer, op de hierboven omschreven wijze de hals doorsnijdt, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte zich daadwerkelijk moet hebben gerealiseerd wat het gevolg van zijn handelen zou zijn, daargelaten het gegeven dat de dood tengevolge van de eerdere steekletsels ook zou zijn ingetreden.

Ook echter uit de daaraan voorafgaande geweldshandelingen, zoals hierboven beschreven, leidt de rechtbank af dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank tekent hierbij aan dat niet is aangevoerd en evenmin is gebleken dat de handelingen van de verdachte het directe gevolg waren van één voortdurende hevige gemoedsbeweging, die aan ieder moment van bezinning in de weg zou staan.

Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad in de zin van artikel 289 Wetboek van Strafrecht heeft gehandeld.

E. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 januari 2009 te [plaatsnaam], gemeente [gemeentenaam],

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

meermalen met een mes gestoken en/of gesneden in de hals

en de nek en in het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer],

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

moord

6. De strafbaarheid van de verdachte

Gelet op het voorgaande en voorts in aanmerking nemende dat ten opzichte van de verdachte ook overigens niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit, acht de rechtbank verdachte strafbaar.

7. Oplegging van de straf

a. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte terzake het impliciet primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

b. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van het hem ten laste gelegde feit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de strafoplegging in soortgelijke zaken, inhoudende veroordelingen voor doodslag.

c. De motivering van de straf

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft [slachtoffer] in de ochtend van 31 januari 2009 op gruwelijke wijze om het leven gebracht, door het slachtoffer op de openbare weg zesentwintig keer met een mes in het lichaam te steken en/of te snijden. De verdachte heeft dit met voorbedachte raad gedaan en hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het plegen van moord op [slachtoffer]. De verdachte heeft het slachtoffer daarmee het meest fundamentele recht ontnomen waarover de mens beschikt: het recht op leven. Bovendien heeft de verdachte door zijn handelen onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer en diens levenspartner en haar jonge kinderen.

Dit is ter terechtzitting op niet mis te verstane wijze gebleken uit de schriftelijke verklaringen van de ouders en de partner van [slachtoffer] alsmede uit de, in het kader van de uitoefening van het spreekrecht, uitgesproken verklaring van de wettelijk vertegenwoordigster van diens zoontje.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit, is de rechtbank van oordeel dat hierop niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zeer aanzienlijke duur.

De verdachte, die het feit heeft ontkend, heeft daarmee geen inzicht gegeven in hetgeen hem tot zijn handelen heeft gebracht. Slechts indirect, te weten door middel van de verklaringen van de getuige [getuige 7], blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting dat de verdachte door emoties in de relatiesfeer is gedreven.

Ook overigens zijn er met betrekking tot de persoon van de verdachte geen omstandigheden naar voren gekomen die bovenstaande slotsom anders zouden kunnen maken.

De rechtbank heeft gelet op het op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie, gedateerd 3 februari 2009, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het voorlichtingsrapport, gedateerd 6 mei 2009, opgemaakt door mevrouw G. Lautenbag, als reclasseringswerker werkzaam bij Reclassering Nederland.

8. Vorderingen van de benadeelde partijen

- De benadeelde partij [wettelijk vertegenwoordiger], [adres], [woonplaats], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van materiële schade waarvan in deze procedure een bedrag van € 11.241,23 wordt gevraagd. Tevens wordt gevorderd de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit.

De vordering is door middel van een voegingsformulier ingediend en is als volgt opgebouwd:

uitvaartkosten € 3.259,74; uitvaartkosten € 396,50; grafsteen € 4.015,50; grafrechten € 1.049,26; rouwwerk € 545,00; verklaring van executele € 346,24;

actie van erfrecht en vaststellingsovereenkomst € 1.048,07; telefoonkosten € 177,00;

reiskosten € 133,92.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente. Tevens heeft zij gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft zich ten aanzien van deze vordering aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in rubriek 4 onder E weergegeven “Bewezenverklaring” bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag, kan de vordering worden toegewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De benadeelde partij [getuige 1], [adres], [plaatsnaam], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van in totaal € 3.665,45 wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht. De vordering is door middel van een voegingsformulier ingediend en als volgt opgebouwd:

materiële kosten: € 1.265,45; immateriële kosten: € 2.400,00.

De officier heeft geconcludeerd dat de vordering niet eenvoudig van aard is en dat op die grond de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsman heeft zich ten aanzien van deze vordering aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Met betrekking tot de schade van [getuige 1] is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de benadeelde partij niet in haar vordering kan worden ontvangen, nu is gebleken dat deze vordering niet van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9. Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade in rubriek 4 onder E weergegeven “Bewezenverklaring” bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde [wettelijk vertegenwoordiger].

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag heft de opgelegde verplichting niet op.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

De rechtbank verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in rubriek 4 onder E weergegeven “Bewezenverklaring” aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in rubriek 4 onder E weergegeven “Bewezenverklaring” bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in rubriek 5 “De strafbaarheid van het bewezen verklaarde” vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 (vijftien) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [wettelijk vertegenwoordiger], [adres], [woonplaats].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 11.241,23 (elfduizend tweehonderdeenenveertig euro en drieëntwintig cent) als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2009 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [wettelijk vertegenwoordiger] te betalen een som geld ten bedrage van € 11.241,23 (elfduizend tweehonderdeenenveertig euro en drieëntwintig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 91 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [getuige 1], [adres], [woonplaats], niet ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. N.O.P. Roché en mr. M.W. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. van Aert, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 november 2009.