Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BK0361

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
14-900004-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belastingfraude. Geen opgave inkomstenbelasting en Omzetbelasting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/900004-07(P)

Datum uitspraak : 16 april 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum] te [woonplaats],

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 april 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 november

2004 tot en met 25 november 2005 te Oosterblokker, gemeente Drechterland,

en/of in de gemeente Hoorn (NH) en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de

gemeente Heerlen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de

Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake

rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over

het/de jaar/jaren 2002 (bijlage D001/D012) en/of 2003 (bijlage D002/D013)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben verdachte en/of

zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der

belastingen of de Belastingdienst te Hoorn (NH) en/of te Apeldoorn en/of te

Heerlen, in elk geval in Nederland ingeleverde aangiftebiljet(ten)

inkomstenbelasting over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar

inkomen opgegeven en/of heeft hij (telkens) geen/onvolledig opgave gedaan van

zijn bezittingen, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te

weinig belasting werd geheven;

of/althans

hij in of omstreeks 1 januari 2003 tot en met 25 november 2005 te

Oosterblokker, gemeente Drechterland, en/of in de gemeente Hoorn (NH) en/of in

de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente Heerlen en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)

voor de inkomstenbelasting over de/het jaar/jaren 2002 en/of 2003, (telkens)

niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Hoorn (NH) en/of

te Apeldoorn en/of te Heerlen, in elk geval in Nederland gestelde termijn(en)

heeft gedaan, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te

weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 29 juli 2005 te

Oosterblokker, gemeente Drechterland en/of in de gemeente Hoorn, in elk geval

in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk

als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor

raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere)

gegevensdragers en/of de inhoud daarvan,

een (kopie van een) factuur van [besloten vennootschap 1] (gericht aan

Timmerbedrijf [naam] en/of gedateerd 25 mei 2002 en/of waarop staat

dat 7.500,- euro in rekening is gebracht voor werkzaamheden Vinkeveen volgens

afspraak) (bijlage D-004)

en/of

een (kopie van) een factuur van [besloten vennootschap 2] (met factuurnummer

411537 en/of gericht aan Timmerbedrijf [naam]) (bijlage D-005),

(telkens) in valse en/of vervalste vorm voor dit doel aan de Belastingdienst

te Hoorn (NH) en/of te Apeldoorn en/of te Heerlen, in elk geval in Nederland

ter beschikking heeft gesteld, terwijl dat/die feit(en) ertoe strekte(n) dat

(telkens) te weinig belasting werd geheven,

bestaande die valsheid hierin dat (telkens) in strijd met de werkelijkheid

opzettelijk

in/op bovengenoemde (kopie van een) factuur (van [besloten vennootschap 1] ) staat

dat deze factuur afkomstig is van [besloten vennootschap 1], gevestigd op/aan de

[adres] en/of dat het bedrag van de bovengenoemde werkzaamheden voor een bepaalde datum dient te worden overgemaakt op het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer], zulks terwijl er op [adres] geen bedrijf is gevestigd met de naam [besloten vennootschap 1] en/of de postcode op voornoemd adres [postcode] is en/of het

bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] de bankrekening van verdachte zelf betrof;

en/of

op bovengenoemde (kopie van een) factuur ([besloten vennootschap 2] ) staat dat

deze factuur afkomstig is van [besloten vennootschap 2] te [adres] en/of dat het factuurbedrag voor 27-02-2004 dient te worden overgemaakt op het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer], zulks terwijl er

op het adres te [adres] geen [besloten vennootschap 2] is gevestigd (geweest) en/of het adres te [adres] het woonadres van verdachte betrof en/of het

bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] de bankrekening van verdachte zelf betrof;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrechtart 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 juli 2005 te Oosterblokker, gemeente Drechterland,

en/of in de gemeente Hoorn (NH), en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de

gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk

gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

(kopie van een) factuur van [besloten vennootschap 1] (gericht aan Timmerbedrijf

[naam] en/of gedateerd 25 mei 2002 en/of waarop staat dat 7.500,- euro

in rekening is gebracht voor werkzaamheden Vinkeveen volgens afspraak)

(bijlage D-004)

en/of

(een) vals(e) of vervalst(e) (kopie van) een factuur van [besloten venootschap 2]

(met factuurnummer 411537 en/of gericht aan Timmerbedrijf [naam])

(bijlage D-005),

, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat

gebruikmaken hierin dat

hij, verdachte en/of zijn mededader(s) dit/deze geschrift(en) aan de

Belastingdienst te Hoorn (NH) en/of te Apeldoorn en/of te Heerlen, in elk

geval in Nederland ter beschikking heeft/hebben gesteld,

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens) in strijd met de

werkelijkheid opzettelijk

in/op bovengenoemde (kopie van een) factuur (van [besloten vennootschap 1] ) staat

dat deze factuur afkomstig is van [besloten vennootschap 1], gevestigd op/aan de

[adres]van de bovengenoemde werkzaamheden voor een bepaalde datum dient te worden overgemaakt op het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer], zulks terwijl er op de

[adres] geen bedrijf is gevestigd met de naam [besloten vennootschap 1]

en/of de postcode op voornoemd adres [postcode] is en/of het

bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] de bankrekening van verdachte zelf betrof;

en/of

op bovengenoemde (kopie van een) factuur ([besloten vennootschap 2] ) staat dat

deze factuur afkomstig is van [besloten vennootschap 2] te [adres] en/of dat het factuurbedrag voor 27-02-2004 dient te

worden overgemaakt op het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer], zulks terwijl er

op het adres [adres] geen [besloten vennootschap 2]is gevestigd (geweest) en/of het adres [adres] het woonadres van verdachte betrof en/of het

bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] de bankrekening van verdachte zelf betrof

terwijl hij, verdachte, (telkens) wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden

dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/deze

echt en onvervalst;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

4.1 De beoordeling van het bewijs met betrekking tot feit 1.

A. Standpunt van de officier van justitie.

Het onder 1 ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen op grond van het volgende.

Verdachte heeft op 24 februari 2005 tegenover de heer [brigadier], brigadier van politie district West Friesland, met betrekking tot zijn inkomsten het volgende verklaard:

“Ik zit in meerdere ondernemingen. Zo ben ik eigenaar van een café in Servië, bezit ik sinds kort een conservenfabriek en doe ik in onroerende zaken en bouwzaken. Ook investeer ik in diverse zaken en ben ik mede-eigenaar van een [automerk] raceteam. Ik ontvang salaris uit een aantal van deze ondernemingen. Ik was mede-eigenaar van [onderneming] in Utrecht, maar dat heb ik verkocht.

Ik bezit een woning aan de [adres]. Ik heb dat pand gekocht voor ongeveer 600.000 euro. De verbouwing van dat pand heeft inmiddels ongeveer 120.000 euro gekost, tel daarbij op de kosten van het hek om het terrein, zo’n 65.000 euro en u kunt nagaan dat er heel wat moet binnenkomen om dat te bekostigen. Ik schat dat ik een bruto inkomen heb van tussen de 80.000 en 100.000 euro per jaar. Eén van mijn hobby’s is het verzamelen van auto’s, met name raceklassiekers.”

In de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2002 en 2003 is geen opgave gedaan van de door verdachte genoemde vermogensbestanddelen en inkomsten.

De door verdachte genoemde uitgaven

- hypotheek € 530.000,--

- hypotheekrente € 28.000,--

- verbouwing € 120.000,--

- hek € 65.000,--

- stereoapparatuur € 21.000,--

- cash verbouwingskosten € 57.000,--

bedragen aanzienlijk meer dan de door verdachte in de aangiften vermelde inkomsten, te weten respectievelijk € 16.571,-- (2002) en € 74.624,--(2003).

Als er geen sprake is geweest van een hoger inkomen was er kennelijk vermogen waarop door verdachte is ingeteerd. Verdachte heeft op de in de tenlastelegging genoemde aangiften geen melding van de aanwezigheid van een hoger inkomen danwel vermogen gemaakt. Een en ander heeft er kennelijk toe gestrekt het belastbaar inkomen te verlagen zodat te weinig belasting wordt geheven.

B. Standpunt van de verdediging.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte veel meer inkomsten heeft genoten dan hij heeft opgegeven. Hij heeft inderdaad geen vermogen opgegeven. Hij heeft in Andorra inkomsten genoten. Deze inkomsten heeft hij in Andorra opgegeven. Hij heeft mij aangegeven dat hij van de opbrengst heeft geleefd. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bewijs.

C. Beoordeling van de tenlastelegging.

Door verdachte is bij de Belastingdienst te Hoorn de aangifte Inkomstenbelasting 2002 ingediend op 16 november 2004. Op deze aangifte, gedagtekend 12 november 2004 ’ , heeft verdachte opgegeven als inkomen een bedrag van € 16.571,--.

Op 23 november 2005 heeft verdachte opnieuw een – niet ondertekende - aangifte Inkomstenbelasting 2002 ingediend bij de Belastingdienst te Heerlen met daarin hetzelfde bedrag aan inkomsten.

Door verdachte is op 23 november 2005 bij de Belastingdienst te Heerlen de - niet ondertekende - aangifte Inkomstenbelasting 2003 ingediend. Op deze aangifte wordt als

inkomen opgegeven een bedrag van € 74.624,--.

Verdachte heeft op 17 december 2007 verklaard dat de opbrengst van de leegverkoop van het tuincentrum € 50.000,-- heeft opgebracht .

Voorts heeft verdachte op 24 februari 2005 tegenover de heer [brigadier], brigadier van politie district West Friesland, met betrekking tot zijn inkomsten het volgende verklaard :

“Ik zit in meerdere ondernemingen. Zo ben ik eigenaar van een café in Servië, bezit ik sinds kort een conservenfabriek en doe ik in onroerende zaken en bouwzaken. Ook investeer ik in diverse zaken en ben ik mede-eigenaar van een [automerk] raceteam. Ik ontvang salaris uit een aantal van deze ondernemingen. Ik was mede-eigenaar van [onderneming] in Utrecht, maar dat heb ik verkocht.

Ik bezit een woning aan de [adres]. Ik heb dat pand gekocht voor ongeveer 600.000 euro. De verbouwing van dat pand heeft inmiddels ongeveer 120.000 euro gekost, tel daarbij de kosten van het hek om het terrein, zo’n 65.000 euro en u kunt nagaan dat er heel wat moet binnenkomen om dat te bekostigen. Ik schat dat ik een bruto inkomen heb van tussen de 80.000 en 100.000 euro per jaar. Een van mijn hobby’s is het verzamelen van auto’s, met name raceklassiekers.”

In de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2002 en 2003 is geen opgave gedaan van de door verdachte genoemde vermogensbestanddelen en inkomsten.

De door verdachte genoemde uitgaven

- hypotheek € 530.000,--

- hypotheekrente € 28.000,--

- verbouwing € 120.000,--

- hek € 65.000,--

- stereoapparatuur € 21.000,--

- cash verbouwingskosten € 57.000,--

bedragen aanzienlijk meer dan de door verdachte in de aangiften vermelde inkomsten, te weten respectievelijk € 16.571,-- (2002) en € 74.624,--(2003).

Door [controlemedewerker belastingdienst], controlemedewerker Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Hoornis is een overzicht gemaakt van de contante opnamen en stortingen op rekening [bankrekeningnummer] over de jaren 2002 en 2003. ’

Contante stortingen

2002 € 25.011

2003 € 68.640

Contante opnamen

2002 € 20.455

2003 € 27.065

Door de raadsman is als gemachtigde van verdachte verklaard dat verdachte inkomsten heeft genoten in Andorra en dat verdachte van de opbrengst van zijn vermogen heeft geleefd na terugkomst in Nederland in 2000.

De rechtbank is van oordeel dat uit het bovenstaande blijkt van inkomsten en vermogensbestanddelen waarover verdachte in de jaren 2002 en 2003 heeft beschikt, welke niet in de aangiften inkomstenbelasting over genoemde jaren door verdachte zijn vermeld. Genoemde aangiften zijn, gelet op het bovenstaande onjuist, en in ieder geval onvolledig ingevuld.

De rechtbank is verder van oordeel dat, gelet op de omvang van de verzwegen inkomsten en het verzwegen vermogen, verdachte opzettelijk de aangiften onvolledig en onjuist heeft ingevuld met de kennelijke bedoeling minder inkomstenbelasting te betalen.

De rechtbank acht dit feit derhalve wettig en overtuigend bewezen.

4.2 De beoordeling van het bewijs met betrekking tot feit 2.

A. Standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dus vrijspraak moet volgen.

In de tenlastelegging wordt als pleegdatum van het feit genoemd 29 juli 2005, zijnde de datum waarop de heer [controlemedewerker belastingdienst], voornoemd, verdachte in diens woning heeft bezocht. De steller van de tenlastelegging is kennelijk uitgegaan van de veronderstelling dat verdachte op de genoemde datum facturen en bankafschriften aan [controlemedewerker belastingdienst] ter hand heeft gesteld. Ter terechtzitting heeft de heer [controlemedewerker belastingdienst] verklaard dat genoemde stukken op enig moment door verdachte zijn afgegeven op het Belastingkantoor te Hoorn en dat hij ze pas op 9 september 2005 heeft ontvangen.

Uit het vorenstaande volgt dat niet kan worden bewezen dat op of omstreeks 29 juli 2005 door verdachte aan de Belastingdienst valse of vervalste facturen voor raadpleging ter beschikking zijn gesteld.

B. Standpunt van de verdediging.

De raadsman stelt zich te kunnen vinden in het standpunt van het openbaar ministerie.

C. Beoordeling van de tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij – kort samengevat – primair op of omstreeks

29 juli 2005 te Oosterblokker en/of in de gemeente Hoorn, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen opzettelijk twee valse of vervalste facturen aan de Belastingdienst ter beschikking heeft gesteld, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting werd geheven dan wel subsidiair: dat hij op genoemde datum gebruik heeft gemaakt van beide valse of vervalste geschriften als waren deze echt en onvervalst door deze aan de fiscus ter beschikking te stellen .

Op 7 juni 2007 heeft de heer [controlemedewerker belastingdienst] controlemedewerker Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Hoorn het volgende verklaard:

Ik heb [verdachte] bezocht op 29 juli 2005. Tijdens mijn bezoek aan [verdachte] heb ik een aantal bankafschriften gezien, waarop ik diverse contante stortingen zag. Hierop heb ik hem gevraagd naar alle bankafschriften over de jaren 2003 een 2004. Ik heb een kattebelletje achtergelaten met daarop een vijftal vragen. Op 9 september 2005 heb ik van [verdachte] een reactie op deze vragen en de gevraagde bankafschriften over de jaren 2001 en 2002 ontvangen.

De heer [controlemedewerker belastingdienst], voornoemd, heeft ter terechtzitting – onder meer – het volgende verklaard:

De heer [verdachte] heeft persoonlijk aan mij niets afgegeven. Hij heeft op enig moment bij de receptie van het Belastingkantoor een hoeveelheid stukken, waaronder facturen en bankafschriften, afgegeven. Ik heb hem éénmaal bij hem thuis gesproken en hem daarna niet meer gezien. Ik heb toen – 29 mei 2005 – geen stukken meegekregen. Ik heb toen een met de hand geschreven briefje bij hem achtergelaten met daarop vermeld welke stukken ik nodig had voor controle. Later zijn de door mij gevraagde stukken op het Belastingkantoor gebracht. De in de tenlastelegging bedoelde facturen zijn niet op 29 mei 2005 door verdachte aan mij overhandigd.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op of omstreeks 29 juli 2005 aan de Belastingdienst valse of vervalste facturen voor raadpleging ter beschikking heeft gesteld. Het subsidiair ten laste gelegde kan, nu daarbij dezelfde pleegdatum is ten laste gelegd, evenmin worden bewezen. De verdachte moet daarom zowel van het onder 2 primair als subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

4.3 De bewezenverklaring.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 10 november 2004 tot en met 25 november 2005 in de gemeente Hoorn (NH) en in de gemeente Heerlen telkens opzettelijk een bij de

Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake

rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over

het jaar 2002 (bijlage D001/D012) en 2003 (bijlage D002/D013),

onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Heerlen ingeleverde aangiftebiljetten inkomstenbelasting over genoemde jaren telkens een te laag belastbaar inkomen opgegeven en heeft hij telkens geen/onvolledig opgave gedaan van zijn bezittingen, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar omdat nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

A. De eis van de officier

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, te

weten:

Oplegging van een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, maar dan geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

B. Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank rekening te houden met de omstandigheid dat het nadeel slechts € 61.000,-- bedraagt. Dit nadeel kan door middel van in de toekomst aan verdachte op te leggen aanslagen weer worden goedgemaakt.

Het opleggen van een werkstraf is onwenselijk, nu verdachte mogelijk gedurende enige jaren niet in staat zal zijn die werkstraf te verrichten wegens langdurig verblijf in het buitenland. Dit zou er toe kunnen leiden dat er met betrekking tot verdachte opnieuw een internationaal arrestatiebevel wordt uitgevaardigd. Verdachte heeft in Duitsland al 16 dagen in voorarrest doorgebracht. Dit dient een matigend effect op de straf te hebben.

Het opleggen van een geldboete komt het meest in aanmerking waarbij de verdediging zich ten aanzien van de hoogte daarvan refereert.

C. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2002 en 2003 inkomsten niet of onjuist opgegeven en aan hem toebehorend vermogen evenmin opgegeven. Door deze handelswijze heeft verdachte het vertrouwen dat aan de inhoud van belastingaangiftes mag worden ontleend, geschaad en door zijn handelwijze bijgedragen aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Tevens heeft hij door zijn handelen financieel nadeel toegebracht aan de Staat der Nederlanden.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte, blijkens het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 2 oktober 2008 niet eerder terzake van fiscale delicten tot straf is veroordeeld.

Verdachte verblijft voor onbepaalde tijd in het buitenland waardoor het opleggen van een taakstraf – waarvan de uitvoering onder die omstandigheden onmogelijk is – niet in aanmerking komt.

Gelet op de hoogte van het door de fiscus geleden nadeel acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.

Wel houdt de rechtbank rekening met de mogelijkheid dat, mocht verdachte zich opnieuw in Nederland vestigen, zijn belastingmoraal mogelijk lacunes zou kunnen vertonen waardoor verdachte zou kunnen recidiveren.

Om herhaling te voorkomen zal de rechtbank verdachte veroordelen tot gevangenisstraf van na te noemen duur, maar dan in geheel voorwaardelijke vorm met daaraan verbonden een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheid dat verdachte een aantal dagen in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenslotte heeft verdachte door het plegen van het bewezen verklaarde feit getracht een aanslag op zijn vermogen door de fiscus te voorkomen. De rechtbank zal verdachte daarom treffen in zijn vermogen door middel van het opleggen van een forse geldboete. Uit de uit het onderzoek ter terechtzitting verkregen informatie met betrekking tot de financiële toestand van verdachte lijkt daarvoor draagkracht aanwezig.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake de Rijksbelastingen zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een geldboete van € 3.000,-- drie duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 60 dagen.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoer- legging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. B.H. Franke en mr. N.O.P. Roché, rechters,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2009.

Mr. Roché is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.