Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ8788

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
14.810115-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummers : 14.810115-09 (P) en 14.810291-08 (tul)

Datum uitspraak : 18 augustus 2009

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[ Naam verdachte],

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord, H.v.B. Zwaag te Zwaag.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 augustus 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. J.C. de Goeij, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

primair

hij op of omstreeks 15 maart 2009 in de gemeente Heerhugowaard, in een woning gelegen aan het [straatnaam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een vrouw, (zijn ex-partner), genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gepakt en/of (vervolgens) is hij, verdachte, met dat mes, althans met dat scherpe en/of puntige voorwerp, naar die[slachtoffer] toe gelopen en/of (daarna) heeft hij, verdachte, die[slachtoffer] bij haar haar (vast)gepakt en/of heeft hij, verdachte, getracht het haar van die[slachtoffer] eraf te snijden en/of (vervolgens) heeft hij, verdachte, met dat mes, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp, één of meerma(a)l(en) in haar been en/of arm en/of (elders) in haar lichaam gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 15 maart 2009 in de gemeente Heerhugowaard, in een woning gelegen aan het [straatnaam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een vrouw, (zijn ex-partner), genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gepakt en/of (vervolgens) is hij, verdachte, met dat mes, althans met dat scherpe en/of puntige voorwerp, naar die[slachtoffer] toe gelopen en/of (daarna) heeft hij, verdachte, die[slachtoffer] bij haar haar (vast)gepakt en/of heeft hij, verdachte, getracht het haar van die[slachtoffer] eraf te snijden en/of (vervolgens) heeft hij, verdachte, met dat mes, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp, één of meerma(a)l(en) in haar been en/of arm en/of (elders) in haar lichaam gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Partiële vrijspraak

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen verdachte onder primair is ten laste gelegd, te weten poging tot doodslag. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De bewijsmotivering

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlaste gelegde feit. Verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] door met een mes te steken in het been en de arm van het slachtoffer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling van de tenlastelegging

Op 15 en 17 maart 2009 heeft[slachtoffer] aangifte gedaan en een aanvullende verklaring afgelegd betreffende het incident tussen haar en verdachte op 15 maart 2009. Haar ex-vriend [verdachte] ging die dag samen met hun kinderen naar de speeltuin.[slachtoffer] wilde niet met hen mee, omdat zij haar ex-vriend niet vertrouwt. In de middag werd er op de deur geklopt en zag zij haar dochter voor de deur staan. Toen het slachtoffer de deur opendeed, kwam verdachte direct haar woning binnen. Vervolgens pakte hij een mes uit de keuken en heeft hij haar bij haar haren vastgepakt. Het slachtoffer heeft geprobeerd zich met haar armen te verweren, waarna een worsteling is ontstaan. Hierbij is zij aan haar linkerpols en linkerbeen gewond geraakt. Uit de medische informatie van 15 maart 2009 blijkt dat er bij het slachtoffer een snijwond in de linkerpols van 1 centimeter lang en een steekwond aan de zijde van het linkerbovenbeen van 2 centimeter lang is geconstateerd.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard een mes uit de keuken te hebben gepakt en naar de woonkamer te zijn gelopen. Vervolgens heeft hij het mes aan zijn ex-vriendin willen geven, zodat zij hem kon steken. Hij heeft het mes in haar hand gedrukt en hield zijn hand om haar hand toen er een worsteling ontstond.[slachtoffer] is daarbij per ongeluk met het mes geraakt. Verdachte ontkent dat hij heeft getracht haar haren af te snijden.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het staat vast dat er op 15 maart 2009 ruzie is ontstaan tussen verdachte en[slachtoffer]. Verdachte heeft een mes ter hand genomen. De lezingen ten aanzien van het incident van het slachtoffer enerzijds en verdachte anderzijds lopen uiteen. De rechtbank acht het niet van belang of verdachte het mes al dan niet aan zijn ex-vriendin heeft willen geven om hem neer te steken, zoals verdachte heeft verklaard. Verdachte heeft een mes gepakt en is daarmee op haar afgelopen. Hij heeft vervolgens - naar eigen zeggen - het mes in de hand van zijn ex-vriendin gedrukt en zijn hand om de hand van zijn ex-vriendin geklemd. In de daarop volgende worsteling, waarbij verdachte de hand van zijn ex-vriendin met daarin het mes bleef vasthouden, heeft laatstgenoemde verwondingen opgelopen aan haar arm en been. De rechtbank is van oordeel dat verdachte het mes dan wel de hand met het mes erin is blijven sturen waardoor hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer (of hijzelf) zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zijn ex-vriendin bij haar haren heeft gepakt en heeft geprobeerd haar haren eraf te snijden. Dit blijkt niet uit de processtukken en er is geen nader onderzoek verricht naar de aangetroffen haar-extensions en haarplukjes in de woning van aangeefster.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:

hij op 15 maart 2009 in de gemeente Heerhugowaard, in een woning gelegen aan het [straatnaam], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn ex-partner, genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een mes heeft gepakt en (vervolgens) is hij, verdachte, met dat mes naar die[slachtoffer] toegelopen en (daarna) heeft hij, verdachte, die[slachtoffer] met dat mes in haar been en arm gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling

7. De strafbaarheid van de verdachte

In de in dit vonnis onder motivering van de straf nader besproken rapporten, opgemaakt door I. Matthaei, psychiater en mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog, wordt geconcludeerd dat verdachte als (licht) verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank verenigt zich met voormelde conclusies en maakt die tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate. Gelet hierop en voorts in aanmerking nemende dat ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht de rechtbank verdachte strafbaar.

8. De strafoplegging

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de strafmaat het volgende aangevoerd. Verdachte heeft uitgebreide documentatie op het gebied van geweldsdelicten. Er is aan verdachte in het verleden echter nog geen kans geboden om een ambulante behandeling te volgen. De raadsman is dan ook van mening dat verdachte daartoe een kans moet krijgen, alvorens wordt overgegaan tot een klinische behandeling. De Waag is een instelling waar men gespecialiseerd is in het behandelen van stoornissen in de agressieregulatie. De raadsman heeft de rechtbank, gelet op het voorgaande, verzocht een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact en een behandeling bij De Waag.

Motivering van de straf

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn ex-vriendin. Verdachte kwam met hun kinderen bij haar aan de deur. Toen het slachtoffer opendeed, is verdachte naar binnen gegaan en heeft hij een mes gepakt. Hierna zijn verdachte en het slachtoffer in een worsteling geraakt, waarbij het slachtoffer verwondingen heeft opgelopen aan haar arm en been, in de vorm van messteken. Gebleken is dat de relatie tussen verdachte en zijn ex-vriendin al geruime tijd moeizaam verliep. Op de bewuste dag had het slachtoffer reeds aangeven dat zij er niets voor voelde om met verdachte en hun kinderen mee te gaan naar de speeltuin. Desondanks is verdachte toch de confrontatie met haar aangegaan, hetgeen (wederom) in een gewelddadige escalatie is uitgemond. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij de situatie zo uit de hand heeft laten lopen en een mes heeft gepakt. Door aldus te handelen heeft verdachte het slachtoffer in een angstaanjagende situatie gebracht en haar lichamelijke integriteit geschonden. Voorts zijn de kinderen getuigen geweest van het voorval.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 17 maart 2009 blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld, waaronder voor huiselijk geweld jegens zijn ex-vriendin.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende rapportages met betrekking tot verdachte:

- het over de verdachte uitgebrachte psychologische rapport gedateerd 16 juni 2009 van mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog;

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrische rapport gedateerd 2 juni 2009 van I. Matthaei, psychiater;

- het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland gedateerd 20 juli 2009, opgesteld door A. Wamsteeker, reclasseringswerkster.

Uit de psychologische rapportage blijkt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van verbale capaciteiten op zwakbegaafd niveau en van een persoonlijkheid met antisociale trekken. Van deze problematiek was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. De psycholoog heeft de rechtbank geadviseerd om verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde - indien bewezen - verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Ten aanzien van de kans op herhaling staat deze persoonlijkheidsproblematiek, waaronder zijn verstoorde copingmogelijkheden en agressieregulatie, op de voorgrond. De kans op recidive bestaat met name waneer een beroep wordt gedaan op beperkte copingvaardigheden, zoals bij contact met zijn ex-vriendin. Behandeling is geïndiceerd en de psycholoog acht een klinische opname in de FPA te Heiloo aangewezen.

Uit de psychiatrische rapportage blijkt het volgende:

“Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens die omschreven kan worden als een persoonlijkheid met antisociale trekken, terwijl ook sprake is van een op zwakbegaafd niveau functionerend verbaal vermogen. Deze gebrekkige ontwikkeling is ook ten tijde van het tenlastegelegde, indien bewezen, aanwezig geweest. (..)

Betrokkene heeft sinds een jaar weer terugkerende conflicten met zijn ex-vriendin terwijl hij door zijn beperkte verbale vermogens niet in staat is deze conflicten uit te praten. (..)

Betrokkene kan licht verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. Indien betrokkene niet wordt behandeld of begeleid in verband met zijn verminderde controle over zijn agressieve impulsen is de kans op recidive groot. (..)

Een behandeling of begeleiding in verband met de gestoorde agressieregulatie dient plaats te vinden. (..)

Betrokkene heeft naar aanleiding van het advies in een vorig jaar uitgebracht rapportage reeds een intakegesprek bij de FPA Heiloo gehad, waarna is geconcludeerd dat de behandeling klinisch dient te starten. Een dergelijk behandeling zou in het kader van een voorwaardelijk op te leggen strafdeel kunnen worden uitgevoerd.”

In het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland worden twee opties besproken met betrekking tot de behandeling en begeleiding van verdachte, te weten:

1. hij wordt aangemeld bij het NIFP voor het afgeven van een indicatie voor een forensisch klinische gestructureerde setting;

2. er wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, waarbij de reclassering in het kader van TR (Terugdringen Recidive) en V.I. (voorwaardelijke invrijheidsstelling) verdachte kan aanmelden bij het NIFP en een plan van aanpak met hem kan opstellen.

Mevrouw A. Wamsteeker heeft de rapportage ter terechtzitting als getuige-deskundige toegelicht en betoogd dat de tweede optie haar voorkeur geniet, omdat de reclassering dan een “grote stok achter de deur” heeft. Ook zullen bij deze mogelijkheid geen onzekerheden ontstaan betreffende de geldigheidsduur van de indicatiestelling. Voorts heeft zij ter terechtzitting aangegeven niet positief te staan tegenover een ambulante behandeling bij De Waag, gelet op de gebrekkige motivatie van verdachte in het verleden en de hoge kans op recidive.

De rechtbank overweegt met betrekking tot bovenstaande dat verdachte zich in het verleden weliswaar niet coöperatief heeft opgesteld ten aanzien van begeleiding, maar dat verdachte tot op heden nog nooit ambulant is behandeld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat De Waag gespecialiseerd is in de behandeling van personen met stoornissen in de agressieregulatie. Er is in dit geval dan ook aanleiding om, in afwijking van de uitgebrachte adviezen, een straf op te leggen die het mogelijk maakt dat verdachte een ambulante behandeling ondergaat bij De Waag.

De rechtbank acht alles overwegende, mede gelet op de straffen die de rechtbank in vergelijkbare gevallen van geweld oplegt, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Daarnaast zal een voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact.

9. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 100,00 wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11. Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd de dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 21 oktober 2008 in de zaak met parketnummer 14.810291-08 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 13 november 2008 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 5 november

2008 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van

justitie niet geëindigd.

De raadsman van verdachte heeft zich met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Daarom zal de gevorderde tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar, noodzakelijk oordeelt, ook indien zulks inhoudt het meewerken aan een intakegesprek bij polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling en - indien geïndiceerd - het volgen van een ambulante behandeling bij deze instelling.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 100,00 (honderd euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan. De tot op heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van

€ 100,00 (honderd euro) bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden opgelegd bij voormeld vonnis van 21 oktober 2008 in de zaak met parketnummer 14.810291-08, aldus, dat die straf geheel wordt ten uitvoer gelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.D.M. Hoedemaker, voorzitter,

mrs. B.H. Franke en N.O.P. Roché, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.E. Stroink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 augustus 2009.