Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ8604

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
25-09-2009
Zaaknummer
14.811020-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PROMIS jeugd, afpersing scholier

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Locatie Alkmaar

Parketnummer : 811020-09; 14.811059-08 (TUL) (P)

Datum uitspraak : 15 september 2009

OP TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Naam verdachte],

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode] [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 01 september 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. F.R. Menso, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 11 februari 2009 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A. met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer 400 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan genoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

B. met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer 400 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk onder ad A. en/of ad B. genoemd geweld en/of welke daar genoemde bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

* die [slachtoffer] bij zijn kraag heeft/hebben vastgepakt en/of

* die [slachtoffer] de woorden heeft/hebben toegevoegd: 'Ik hoor dat je een beetje geld hebt. Geef het.' en/of 'Je geeft het, anders pak ik alles en dan sla ik je.', althans (telkens) woorden van dergelijke (dreigende) strekking;

2.

hij op of omstreeks 24 februari 2009 in de gemeente Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging met geweld van geld.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een ketting.

B. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

Verdachte ontkent het onder 1. tenlastegelegde feit. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij op 11 februari 2009 weliswaar € 50,- van aangever heeft ontvangen, maar dat dit zonder bedreiging van zijn kant en spontaan is gebeurd in de vorm van een lening. Het terugbetalen was er naar zijn zeggen bij ingeschoten.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. tenlastegelegde. Volgens de raadsman lopen de verschillende verklaringen van verdachte en de getuigen bij de politie en de rechter-commissaris te veel uit elkaar en is er sprake van dusdanig veel discrepantie tussen de verklaringen dat niet kan worden vastgesteld wat er precies is gebeurd.

Verdachte heeft het onder 2. tenlastegelegde ontkend. De raadsman heeft zich op dat punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

C. Beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1:

Op 12 maart 2009 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van afpersing op 11 februari 2009 te Heerhugowaard. Aangever heeft verklaard dat hij die dag op school zat en veel geld bij zich had om een telefoon te kopen. In de klas viel het geld uit zijn tas. Hij werd door [getuige] in de klas aangesproken met de vraag waarom hij zoveel geld bij zich had. [getuige] heeft dit bevestigd in haar verklaring bij de rechter-commissaris op 23 juni 2009. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in zijn tweede verklaring (d.d. 24 maart 2009) bij de politie verklaard dat [slachtoffer] geld had laten vallen in de klas. [verdachte ](de rechtbank begrijpt verdachte) had dit gezien en aan iedereen doorverteld. Verdachte zelf heeft hierover bij de politie verklaard (d.d. 23 maart 2009 ) dat hij wist dat [slachtoffer] die dag veel geld bij zich had, omdat [slachtoffer] hem dat had laten zien in de les.

Aangever heeft voorts verklaard dat hij na schooltijd samen met [medeverdachte1], [verdachte ]en [medeverdachte 2] naar het station te Heerhugowaard liep. [medeverdachte 1]liep rechts naast aangever. Onderweg voelde en zag aangever dat hij door [medeverdachte 1]bij zijn werd kraag gepakt en hoorde hij hem zeggen: “Ik hoorde dat je een beetje geld hebt”. “Geef het”. Toen aangever te kennen gaf dat hij niet had voegde [medeverdachte 1]hem de woorden toe: “Je geeft het anders pak ik alles en dan sla ik je”. Vervolgens pakte aangever € 600,- uit zijn schoudertas waarna [medeverdachte 1]het geld aanpakte. [medeverdachte 1]pakte van deze € 600,- een bedrag van

€ 100,-, [verdachte ]€ 50,- en [medeverdachte 2] € 100,-.

[medeverdachte 2] heeft op 23 maart 2009 tegenover de politie verklaard dat hij op 11 februari 2009 samen met een Chinese jongen (de rechtbank begrijpt aangever), [medeverdachte 1] en [verdachte ]naar het station liep. [medeverdachte 1]liep naast aangever. [medeverdachte 2] zag dat de Chinese jongen met een angstige blik geld overhandigde aan [verdachte]. [medeverdachte 2] zag dat [medeverdachte 1]twee keer € 50,- in zijn zak stopte. [verdachte ]en [medeverdachte 2] ontvingen van [medeverdachte 1]ieder € 50,-. Op het station hoorde hij [medeverdachte 1]zeggen dat hij niet zonder buit naar huis wilde. Vervolgens zei [medeverdachte 1]tegen de Chinese jongen: “geef me geld, want anders neem ik alles van je af”. De Chinese jongen gaf [medeverdachte 1]daarop nog een briefje van € 50,-.

Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij van aangever € 50,- heeft gekregen.

Op grond van deze bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat [slachtoffer] door verdachte en zijn mededaders is afgeperst. Medeverdachte [medeverdachte 1]heeft daarbij tegen die [slachtoffer] de in de tenlastelegging opgenomen bewoordingen geuit.

Hoewel verdachte en medepleger [medeverdachte 2] aangever niet met woorden hebben bedreigd, hebben zij met hun aanwezigheid de groep getalsmatig versterkt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat alle jongens op de hoogte waren van het feit dat aangever veel geld bij zich had. Op het moment dat [medeverdachte 1]de confrontatie met aangever zocht hebben de anderen zich op geen enkel moment gedistantieerd en daarna het geld dat [medeverdachte 1]van aangever onder bedreiging had verkregen, geïncasseerd.

Tenslotte wordt het verweer van de raadsman dat de verschillende verklaringen van verdachte en anderen teveel discrepantie opleveren waardoor niet goed is vast te stellen wat er precies is gebeurd, verworpen. De rechtbank is bij de vaststelling van de bewijsmiddelen uitgegaan van de aangifte en de verklaringen van getuigen en medeverdachten die relatief vlak na die aangifte zijn afgelegd. Deze verklaringen, in onderlinge samenhang beschouwd, schetsen een eenduidig beeld van de gebeurtenissen zoals hierboven vermeld. Het feit dat de inhoud van de verschillende verklaringen, bij nader verhoor door de rechter-commissaris, op onderdelen zijn gewijzigd, hetgeen door de raadsman als discrepantie wordt aangemerkt, doet daar niet aan af. De rechtbank houdt vast aan de in eerste instantie bij de politie afgelegde verklaringen aangezien zij het aannemelijk acht dat de desbetreffende personen op dat moment nog een ‘verse’ herinnering hadden aan het incident.

Ten aanzien van feit 2:

Op 12 maart 2009 heeft [slachtoffer] – zoals hierboven met betrekking tot feit 1 vermeld - aangifte gedaan van afpersing op 11 februari 2009 te Heerhugowaard. In diezelfde aangifte heeft aangever ook aangifte gedaan van een incident dat zich twaalf dagen later, op 24 februari 2009 eveneens in Heerhugowaard heeft voorgedaan. Aangever bevond zich op school en werd in de klas aangesproken door [medeverdachte 1]. Op verzoek van [medeverdachte 1]liep aangever mee naar buiten. Eenmaal buiten de school gekomen zei [verdachte ](de rechtbank begrijpt verdachte) tegen aangever: ”Wat heb je”. Toen aangever te kennen gaf dat hij alleen zijn ketting nog had, pakte [verdachte ]zijn koningsketting uit zijn rechterbroekzak.

[medeverdachte 1] heeft hierover bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat [verdachte ]een koningsketting uit de achterzak van [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt [slachtoffer]) heeft gehaald.

Op grond van deze bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte een koningsketting heeft gestolen, die toebehoorde aan [slachtoffer].

F. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 11 februari 2009 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

A. met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen toebehorende aan genoemde [slachtoffer],

welk onder ad A. genoemde bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededader:

* die [slachtoffer] bij zijn kraag heeft vastgepakt en

* die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: 'Ik hoor dat je een beetje geld hebt. Geef het.' en 'Je geeft het, anders pak ik alles en dan sla ik je.';

2.

hij op 24 februari 2009 in de gemeente Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ketting, toebehorende aan [slachtoffer].

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar omdat nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het onder

1 en 2 tenlastegelegde gelegde tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, waarvan 81 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, zodat het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie gelijk is aan het aantal dagen dat verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts, in het kader van de voorwaardelijke jeugddetentie, gevorderd als bijzondere voorwaarde op te nemen dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt deelname aan de Cognitieve Vaardigheids (Cova) training en/of de Arbeidsvaardigheden (Arva) training. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

B. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 en zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Subsidiair heeft de raadsman te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de strafeis van de officier van justitie.

C. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

Bij de bepaling van de duur en de vorm van na te noemen straf heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met anderen een school- en leeftijdsgenoot geld afgeperst door hem bij zijn kraag te grijpen en hem te bedreigen met geweld. Korte tijd daarna heeft verdachte van deze jongen een koningsketting gestolen.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich kennelijk enkel laten leiden door hun eigen financieel gewin zonder er bij stil te staan dat slachtoffers van delicten als deze nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Blijkens de verklaring van het slachtoffer heeft hij de overval als zeer beangstigend en bedreigend ervaren en durfde hij in eerste instantie geen aangifte te doen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 9 juni 2009, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte Rapport raadsonderzoek strafzaken, gedateerd 26 augustus 2009, opgemaakt door mevrouw E. Dronrijp, als raadsonderzoeker werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 26 augustus 2009 in haar rapport de rechtbank geadviseerd om verdachte - indien hij veroordeeld wordt voor hetgeen hem is tenlastegelegd - een deels voorwaardelijke en deels onvoorwaardelijke (gelijke aan het ondergane voorarrest) jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt deelname aan de Cognitieve Vaardigheids (Cova) training en/of de Arbeidsvaardigheden (Arva) training.

Aangezien verdachte inmiddels 18 jaar is geworden, is hij door de jeugdreclassering overgedragen aan Reclassering Nederland. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij twee banen bij het uitzendbureau heeft gehad en momenteel begeleid wordt door Stichting Rentree bij het zoeken naar werk en het volgen van trainingen. De komende maanden zal hij vier ochtenden training krijgen en in de middagen aan het werk gaan.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat oplegging van een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur op haar plaats is, een en ander zoals hierna zal worden aangegeven, waarbij het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie gelijk is aan de dagen die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden en het gegeven advies, tevens aanleiding aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie de geadviseerde bijzondere voorwaarde op te leggen.

Tenslotte zal de rechtbank een werkstraf opleggen van na te melden duur.

9. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer], heeft door tussenkomst van [ouder van slachtoffer] als diens gemachtigde vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 866,70 ter zake materiële schade en € 300,--, zijnde een voorschot, wegens immateriële schade (in totaal € 1166,70) die de verdachte met zijn mededader(s) aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Tevens wordt gevorderd de wettelijke rente vanaf het moment van het schadeveroorzakende feit.

De gevorderde materiële schade bestaat uit:

iPod € 197,45 (terzake feit 2)

Halsketting € 216,50 (terzake feit 2)

Geld € 440,- (€ 400,- terzake feit 1 en € 40,- terzake feit 2)

Reiskosten € 12,75

In totaal: € 866,70

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de gestelde materiële schade terzake reiskosten, de ketting en de immateriële schade toe te kennen zoals verzocht. Het gevorderde geldbedrag kan worden toegewezen tot een geldbedrag van € 400,-. De kosten betreffende de iPod en het geldbedrag ter hoogte van € 40,- kunnen naar het oordeel van de officier niet worden toegewezen nu verdachte niet wordt beschuldigd van enig strafbaar feit met betrekking tot deze schade.

B. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

Verdachte ontkent elke betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten. De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen danwel niet-ontvankelijk te verklaren.

C. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

Het ten aanzien van feit 1 gevorderde geldbedrag (€ 400,-) zal worden toegekend tot een bedrag van € 250,-. De rechtbank overweegt hiertoe dat zij bewezen acht dat verdachte samen met zijn mededaders aangever heeft afgeperst voor een totaalbedrag van € 250,- en verwijst daartoe naar bovengenoemde bewijsmiddelen. Voor deze kosten is verdachte hoofdelijk aansprakelijk.

Voor wat betreft de ten aanzien van feit 2 gevorderde schade is de rechtbank van oordeel dat slechts de schade met betrekking tot de ketting kan worden toegewezen. De gestelde schade terzake de iPod en de het geldbedrag van € 40,- kan niet aan verdachte worden toegerekend. Er is met betrekking tot deze schade geen strafbaar feit aan verdachte tenlastegelegd, zodat benadeelde partij voor dat deel niet ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

De gevorderde reiskosten die verdachte heeft gemaakt in verband met de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zullen worden toegewezen. Verdachte is hiervoor hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank acht een vergoeding tot in ieder geval een bedrag van € 150,- aan immateriële schade billijk zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het overige gedeelte van de vordering betreffende de immateriële schade van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding, zodat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Ook hier is verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor.

Gelet op vorenstaande zal de vordering worden toegewezen tot een totaal bedrag van

(€ 250,- + € 12,75 + € 216,50+ € 150,- = ) € 629,25 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. De benadeelde partij zal voor het overige niet-onvankelijk worden verklaard in de vordering.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorzover de schade waarvoor verdachte hoofdelijk aansprakelijk is door of namens een ander of anderen is vergoed, hoeft verdachte alleen het restant te betalen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken, tot op heden begroot op nihil.

10. Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek bewezenverklaring onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van jeugddetentie, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11. Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 20 januari 2009 in de zaak met parketnummer 14/811059-08 aan de verdachte opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft in eerder genoemd rapport de rechtbank geadviseerd om verdachte – indien hij veroordeeld wordt voor hetgeen hem is tenlastegelegd – de bij vonnis van de kinderrechter van 20 januari 2009 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 80 uur ten uitvoer te leggen.

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte momenteel zijn leven goed op de rails heeft en verzoekt de rechtbank de vordering daarom af te wijzen.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 24 februari 2009 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 4 februari 2009 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Daarom behoort in beginsel de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf te worden gelast.

De rechtbank vindt echter in de persoon van de verdachte, zoals hierboven vermeld, aanleiding om de proeftijd te verlengen een en ander op de wijze zoals hierna in de rubriek BESLISSING zal worden aangegeven.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 180 dagen.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 81 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt deelname aan de Cognitieve Vaardigheids (Cova) training en/of de Arbeidsvaardigheden (Arva) training.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende jeugddetentie wordt toegepast, welke vervangende jeugddetentie wordt vastgesteld op 40 dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 629,25 (€ 479,25 aan materiële schade en € 150,- als voorschot immateriële schade) (zeshonderdnegenentwintig euro en vijfentwintig eurocent) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 629,25 vanaf 24 februari 2009.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte (ten aanzien van € 412,75 van het toegewezen bedrag) niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededader(s) zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats] te betalen een som geld ten bedrage van € 629,25 (zeshonderdnegenentwintig euro en vijfentwintig eurocent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Verlengt de in voormeld vonnis van 20 januari 2009 in de zaak met parketnummer 14.811059-08 op twee jaar vastgestelde proeftijd met ÉÉN JAAR.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. L. Jansen en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Graag, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 september 2009.

De jongste rechter is wegens afwezigheid niet in staat deze beslissing mee te ondertekenen.