Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ8580

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
25-09-2009
Zaaknummer
14.810078-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promis / voorbereidingshandelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/810078-09 (P)

Datum uitspraak : 10 september 2009 (bij vervroeging)

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboorteland] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in: PI Noord-Holland Noord, Zuyder Bos te Heerhugowaard

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 september 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. F.R. Menso, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering tot wijziging van de tenlastelegging gedeeltelijk is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1. primair

hij op of omstreeks 24 februari 2009 in de gemeente [naam gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in of uit een (tabaks)winkel gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] weg te nemen geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een persoon, genaamd [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] en/of één of meer (ander(e)) perso(o)n(en), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met één of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met een personenauto naar, althans in de (onmiddellijke) nabijheid van, die (tabaks)winkel is gereden en/of heeft/hebben hij/zij (op de weg daar naar toe) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, opgehaald en/of bij zich gestoken en/of heeft een (van zijn) mededader(s) (in die personenauto) een panty over zijn hoofd getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 24 februari 2009 in de gemeente(n) [plaatsnaam] en/of [naam gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of ander(en), althans alleen, ter voorbereiding van (een) met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een diefstal in vereniging voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld en/of een afpersing in vereniging, te plegen tegen de eigenaar, [naam slachtoffer] genaamd, van een (tabaks)winkel aan de [adres] te [plaatsnaam], als volgt heeft gehandeld, hebbende/zijnde hij, verdachte, en/of (een van zijn) mededader(s) opzettelijk naar, althans in de nabijheid van, die winkel toegereden en/of heeft/hebben zij/hij (onderweg) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, opgehaald en/of

bij zich gestoken en aldus voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 24 februari 2009 in de gemeente(n) [plaatsnaam] en/of [naam gemeente] een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukpistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een echt vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Sig-Sauer (modellen P226/P228).

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie heeft gevorderd het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde bewezen te verklaren. Uit de tapgesprekken blijkt volgens de officier dat mededader [naam medeverdachte 1] “groot geld” wilde maken. [naam medeverdachte 1] was de initiator en wilde de overval die hij twee dagen eerder tevergeefs had proberen te plegen alsnog uitvoeren. Het voornemen om een overval te plegen was duidelijk en verdachte was daarvan op de hoogte. Verdachte heeft voor dat doel een wapen opgehaald. Op grond hiervan is de officier van justitie van mening dat gesproken kan worden van een strafbare poging. Indien de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde acht de officier van justitie in ieder geval het subsidiair tenlastegelegde bewezen, de voorbereidingshandelingen.

B. Het standpunt van de verdachte, de verdediging.

De raadsman acht zowel het onder 1 primair als het onder 1 subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en heeft verzocht verdachte hiervan vrij te spreken. Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er niet gesproken kan worden van een zodanige samenwerking dat verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. Er heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, verdachte is er op het laatste moment bijgehaald en wist niet dat het de bedoeling was een overval te plegen.

Gelet daarop kan ook het onder 1 subsidiair tenlastegelegde volgens de raadsman niet bewezenverklaard worden. Uit de toelichting op artikel 46 Sr blijkt dat het opzet gericht moet zijn op alles wat er na het woord opzettelijk volgt; er is geen bewijs dat verdachte opzet had op het plegen van een overval. Verdachte zat wel in de auto, maar had geen mogelijkheid om uit te stappen. Hij kon zich dus niet van de anderen distantiëren. Verdachte legde niet de link tussen het door hem opgehaalde nepwapen en het plegen van een overval.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

C. De rechtbank stelt de volgende feiten vast.

Op 24 februari 2009 om 18.06 uur worden [naam verdachte], [naam medeverdachte 1], [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] in een auto op de [adres] te [plaatsnaam] aangehouden door een arrestatieteam van de politie. In de auto wordt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen . De beslissing tot ingrijpen van de politie was gebaseerd op een aantal afgeluisterde telefoongesprekken, die werden gevoerd via de mobiele telefoon van [naam medeverdachte 1] . Het bevel tot opnemen en afluisteren van deze gesprekken was verleend naar aanleiding van een overval op de [adres] in [plaatsnaam] op 19 februari 2009.

In een telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] wordt gesproken over vervoer .

In een volgend telefoongesprek tussen [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] van 24 februari 2009 om 17.15 uur wordt gesproken over een “ding”, en dat verdachte bij [naam medeverdachte 1] is en dat er eerst nog een “ding” opgehaald moet worden. Verdachte heeft verklaard dat met een “ding” het nepwapen werd bedoeld. In de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie staat dat [naam medeverdachte 1] tegen verdachte had gezegd dat hij geld wilde maken. Verdachte is vervolgens met [naam medeverdachte 1] bij [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] in de auto gestapt. Verdachte heeft verklaard dat [naam medeverdachte 1] onderweg vroeg of hij dat ‘ding’ nog had en dat ze toen onderweg zijn gestopt en dat verdachte toen een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft opgehaald en bij zich heeft gestoken. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij wist dat [naam medeverdachte 1] wat van plan was met het wapen .

[naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij en [naam medeverdachte 3] [naam medeverdachte 1] en verdachte met de auto hebben opgehaald en dat [naam medeverdachte 1] hem tevoren had verteld dat hij met verdachte een overval wilde plegen op een tabakszaak bij de stoplichten in [naam gemeente].

D. De beoordeling van de bewijsmiddelen

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er een plan was om een overval te gaan plegen, en dat voor dat doel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is opgehaald, vervoer is geregeld en men op pad is gegaan naar de tabakswinkel aan de [adres] in [naam gemeente]. Niet is komen vast te staan dat één of meer van de inzittenden van de auto vermomd was, noch is sprake van andere uitvoeringshandelingen vóór het moment van ingrijpen door de politie.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een begin van uitvoering in de zin van een strafbare poging en derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder 1 primair tenlastegelegde poging. Wel is sprake van voorbereidingshandelingen, zoals onder 1 subsidiair ten laste gelegd. Verdachten hadden een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden.

De rechtbank heeft voorts weliswaar bewezen verklaard dat verdachte en zijn medeverdachten naar de tabakswinkel zijn toegereden, maar is van oordeel dat dit deel van de bewezenverklaring geen bestanddeel in de zin van artikel 46 Wetboek van strafrecht (Sr) oplevert, nu artikel 46 Sr als bestanddeel heeft “het voorhanden hebben” hetgeen niet in de tenlastelegging is opgenomen.

E. Behandeling van de verweren

Het door de raadsman gevoerde verweer dat verdachte in de auto zat en zich niet kon distantiëren gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op nu het verdachte is geweest die uit de auto is gegaan, het wapen heeft opgehaald om vervolgens weer in de auto plaats te nemen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het opzet van verdachte uit alle door hem gepleegde handelingen blijkt.

F. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 24 februari 2009 in de gemeenten [plaatsnaam] en [naam gemeente] tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van een met anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een diefstal in vereniging voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld en/of afpersing in vereniging, te plegen tegen de eigenaar, [naam slachtoffer], van een tabakswinkel aan de [adres] te [plaatsnaam], als volgt heeft gehandeld:

- verdachte en zijn mededaders zijn opzettelijk naar de nabijheid van die winkel toegereden en

- verdachte heeft onderweg naar die winkel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, opgehaald en bij zich gestoken en aldus voorhanden gehad.

2.

hij op 24 februari 2009 in de gemeenten [plaatsnaam] en [naam gemeente] een wapen van categorie I onder 7º, te weten een veerdrukpistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een echt vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Sig-Sauer.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Met betrekking tot de strafbaarheid van het onder 2 tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende. Het bewezenverklaarde levert geen strafbaar feit op en kan, meer specifiek, niet worden gekwalificeerd als een overtreding van het bepaalde in artikel 13 lid 1 Wet Wapens en Munitie – gelet op het in de tekst van de bewezenverklaring ontbreken van enige gedraging

Verdachte zal met betrekking tot dit feit dan ook van alle rechtsvervolging worden ontslagen.

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het overige bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair

Medeplegen van voorbereiding van medeplegen van een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld en/of afpersing.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

- De eis van de officier

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 325 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft de officier van justitie de oplegging van de bijzondere voorwaarde gevorderd dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook indien deze inhouden deelname aan een CoVa+ training.

- Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op de terechtzitting de opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht. Ten aanzien van de CoVa+ training is de raadsman van mening dat de problematiek van verdachte eerst in kaart moet worden gebracht. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard bereid te zijn aan de CoVa+ training deel te nemen.

- Feitgerelateerde factoren

Verdachte en zijn mededaders hebben een voorwerp voorhanden gehad met het doel dit te gebruiken voor het plegen van een diefstal met geweld of een bedreiging met geweld of een afpersing.

- Verdachte gerelateerde factoren

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 februari 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Uit het voorlichtingsrapport van Brijder Verslavingszorg d.d. 15 mei 2009, opgemaakt door mevrouw J.W.N. Booij, reclasseringswerker, blijkt dat op grond van RISc het recidiverisico als matig wordt ingeschat. Brijder Verslavingszorg heeft inmiddels een Plan van Aanpak voor verdachte opgesteld. Geadviseerd wordt onder meer een toezicht op te leggen - uit te voeren door de Brijder Reclassering - en een deelname aan een CoVa+ training.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 46, 47, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. Beslissing

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Stelt vast dat het onder 2 bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Verklaart de verdachte voor het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 288 dagen.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 90 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist. Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Brijder Verslavingszorg, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt deelname aan de CoVa+ training.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Lolkema, voorzitter,

mr. A.E. Merkus en mr. E.M. Devis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 september 2009.