Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ8576

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-08-2009
Datum publicatie
25-09-2009
Zaaknummer
08/627 en 08/1461
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 EVRM. Overschrijding redelijke termijn.

Door verweerder bij CRvB ingestelde beroep is na 23 maanden ingetrokken. De periode dat hoger beroep aanhangig is geweest geldt naar het oordeel van de rechtbank als behandeling in rechterlijke faste, waarbij intrekking op één lijn wordt gesteld met uitspraak CRvB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: 08/627 WAO en 08/1461 WAO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaken van:

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

eiser,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Amsterdam),

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaken

Bij besluit van 14 mei 2004 heeft verweerder geweigerd aan eiser met ingang van

27 januari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat eiser minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 18 oktober 2004 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 mei 2004 heeft verweerder van eiser een bedrag van € 3.653,27 bruto teruggevorderd wegens onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 27 januari 2004 tot en met 31 mei 2004.

Bij uitspraak van 10 november 2005 (zaaknummer 04/6045 WAO) heeft deze rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2004 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser te nemen. Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij brief van 23 november 2007 heeft verweerder het hoger beroep ingetrokken.

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft verweerder het bezwaar tegen besluit van 14 mei 2004 ongegrond verklaard. Eiser heeft bij brief van 21 februari 2008 tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit I) beroep ingesteld.

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij de eerder met hem afgesproken betalingsregeling niet is nagekomen en dat hij vóór 10 februari 2008 de hele vordering van € 2.434,24 in één keer moet terugbetalen. Daarbij is aangegeven dat als het bedrag niet vóór 10 februari 2008 is ontvangen, direct loonbeslag kan worden gelegd of een deurwaarder kan worden ingeschakeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 4 april 2008 ongegrond verklaard. Daarbij is het verzoek van eiser om kwijtschelding afgewezen. Eiser heeft bij brief van 12 mei 2008 tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit II) beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 10 augustus 2009. Eiser is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde A. Schilder.

Motivering

1. De rechtbank stelt gelet op het verweerschrift van 21 juli 2009 vast dat verweerder het bestreden besluit II voor zover het betrekking heeft op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 29 januari 2008, niet langer handhaaft. Eiser heeft geen belang meer bij een beoordeling van dit onderdeel van het bestreden besluit II. Het beroep zal derhalve in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

2. Met verweerder in het verweerschrift is de rechtbank van oordeel dat de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding in het bestreden besluit II een primair, op zelfstandig rechtsgevolg gericht besluit is. Dit betekent dat het beroep van eiser ook voor zover het betrekking heeft op dit onderdeel van het bestreden besluit II, niet-ontvankelijk is. Met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de rechtbank de brief van eiser van 12 mei 2008 ter behandeling als bezwaarschrift doorsturen aan het Uwv.

3. Ten aanzien van het bestreden besluit I moet de rechtbank beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser heeft vastgesteld op minder dan 15% en of een WAO uitkering in verband daarmee terecht is geweigerd met ingang van 27 januari 2004.

4. Verweerder gaat er volgens het bestreden besluit I van uit dat eiser ondanks zijn medische beperkingen gedurende 40 uur per week nog bepaalde arbeid kan verrichten. De medische beperkingen van eiser zijn vastgesteld door de verzekeringsarts en weergegeven in de Functionele mogelijkhedenlijst. De arbeid die eiser naar de mening van verweerder nog kan verrichten bestaat uit de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van het loon in die functies met het inkomen dat eiser voorheen met zijn werk verdiende – het maatmaninkomen – leidt er volgens verweerder toe dat eiser minder dan 15% arbeidsongeschikt is en dat een WAO-uitkering daarom moet worden geweigerd met ingang van 27 januari 2004.

5. Eiser heeft aangevoerd dat bij het nemen van het bestreden besluit I is uitgegaan van oude gegevens. Volgens eiser heeft de rechtbank geoordeeld dat hij voor 50% geschikt is tot het verrichten van arbeid. Bij het nemen van het bestreden besluit I is hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. Verweerder heeft niet voor het einde van de wachttijd een besluit genomen, maar pas in mei 2004. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot terugvordering. Tot slot lijdt eiser psychisch onder de lange duur van de procedure.

6. In de uitspraak van 10 november 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat de medische grondslag van het besluit van 18 oktober 2004 voor onjuist te achten. Het was de rechtbank onvoldoende duidelijk of eiser per 27 januari 2004 (de datum einde wachttijd) geschikt is te achten voor zijn eigen werk. Om deze reden heeft de rechtbank de geschiktheid voor het eigen werk buiten beschouwing gelaten en zich beperkt tot de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser aan de hand van de geduide functies. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten onrechte aan het bestreden besluit geen aanvullende rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige ten grondslag is gelegd waarin wordt aangegeven waarom de geduide functies geschikt zijn voor eiser.

Om die reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 oktober 2004 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, waarin het motiveringsbeginsel is neergelegd. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het gegeven dat verweerder niet binnen de beslistermijn een beslissing heeft genomen omtrent eisers aanvraag om een WAO-uitkering er niet toe kan leiden dat eiser in strijd met de wet, over de periode dat niet tijdig is beslist, een WAO-uitkering krijgt.

7. In voormelde uitspraak zijn een aantal beroepsgronden van eiser, waaronder het betoog dat verweerder niet binnen de wachttijd de WAO-aanvraag heeft afgehandeld, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, zodat op deze punten het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan. Dit betekent dat de rechtbank in onderhavige procedure niet in kan gaan op de grond van eiser dat verweerder niet voor het einde van de wachttijd een besluit heeft genomen.

8. Het betoog van eiser dat hij door de rechtbank voor 50% geschikt is geacht tot het verrichten van arbeid en dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit I hier ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden, kan geen doel treffen. De rechtbank heeft in de uitspraak van 10 november 2005 geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat de medische grondslag voor onjuist te houden maar heeft geen oordeel gegeven over de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser. Het was de rechtbank onvoldoende duidelijk of eiser per de datum einde wachttijd geschikt was voor zijn eigen werk. Bij de beoordeling van de geschiktheid van de geduide functies voor eiser heeft de rechtbank geoordeeld dat een deugdelijke toelichting en motivering ontbreekt.

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit I het standpunt dat eiser geschikt is voor zijn eigen werk, heeft verlaten. De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid berust op de functies inpakker (sbc-code 111190), laboratoriummedewerker (sbc-code 251010) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180).

10. Ter beoordeling staat de vraag of verweerder deze aan de schatting ten grondslag gelegde functies thans wel van een deugdelijke toelichting en motivering heeft voorzien.

11. Uit het resultaat functiebeoordeling van 18 juli 2007 volgt dat bij al deze functies signaleringen voorkomen die zijn voorzien van een “*” of “M”.

12. De rechtbank stelt vast dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 18 juli 2007, dus voordat het bestreden besluit I is genomen, een toelichting heeft gegeven bij de verschillende signaleringen. De rechtbank stelt voorts vast dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage de punten torderen, knielen of hurken, geknield of gehurkt actief zijn en gebogen en/of getordeerd actief van een nadere motivering heeft voorzien. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor eiser. Verweerder heeft de WAO-uitkering van eiser dan ook terecht geweigerd met ingang van 27 januari 2004.

13. De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 19 mei 2004, waarbij verweerder is overgegaan tot terugvordering van het bedrag van € 3.653,27 bruto wegens over de periode van 27 januari 2004 tot en met 31 mei 2004 aan eiser onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Het besluit van 19 mei 2004 is derhalve rechtens onaantastbaar geworden. De rechtbank kan aldus niet ingaan op het standpunt van eiser dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot terugvordering.

14.1 De rechtbank vat het betoog van eiser dat hij psychisch lijdt onder de lange duur van de procedure op als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

14.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet de vraag of de redelijke termijn is overschreden, worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer: CRvB 10 juni 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BI9386).

14.3 De CRvB acht in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,00 per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden (onder meer: CRvB 10 juni 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BI9386).

14.4 Gelet op de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 14.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

14.5 Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (onder meer: CRvB 10 juni 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BI9386) moet in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie). Voor het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt dat in dit geval de hernieuwde behandeling door de rechter niet aan verweerder doch aan eiser dient te worden toegerekend ziet de rechtbank geen enkel aanknopingspunt.

14.6 Voor de onderhavige zaak betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door verweerder op 22 juni 2004 van het bezwaarschrift van eiser tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en twee maanden verstreken. De rechtbank heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van eiser aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen duren. De periode dat het door verweerder ingestelde (en later ingetrokken) hoger beroep bij de CRvB aanhangig is geweest maakt naar het oordeel van de rechtbank deel uit van de onder 14.4 genoemde behandeling in de rechterlijke fase. De rechtbank stelt vast dat vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 30 november 2004 tot de, naar het oordeel van de rechtbank in dit geval met een uitspraak van de CRvB op één lijn te stellen, intrekking van het hoger beroep door verweerder op 23 november 2007 bijna drie jaar zijn verstreken. De onderhavige rechterlijke behandeling heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 22 februari 2008 tot deze uitspraak anderhalf jaar geduurd. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de totale overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van verweerder komt. Deze periode van overschrijding bedraagt veertien maanden. De door eiser in dit verband geleden immateriële schade wordt daarom vastgesteld op een bedrag van driemaal € 500,00, dat is € 1.500,00.

14.7 Uit hetgeen is overwogen onder 14.1 tot en met 14.6 vloeit voort dat verweerder zal worden veroordeeld tot een schadevergoeding van € 1.500,00.

15. Nu niet is gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen, ziet de rechtbank geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2008 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 januari 2008 ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade aan eiser ten bedrage van € 1.500,00;

- bepaalt dat dit bedrag dient te worden betaald aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 78,00 (2 x € 39,00) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 21 augustus 2009 door mr. drs. C.M. van Wechem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. Bankert, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.