Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ8509

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
14.810236-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis / diefstal met geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/810236-09 (P)

Datum uitspraak : 17 september 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

Naam verdachte,

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd te P.I. Noord-Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 september 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. G. Kaaij, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 03 december 2008 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

in of uit een winkel gelegen aan de Middenweg heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) éénduizendachtenzestig euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1], en/of "[naam onderneming]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) te bevoordelen door geweld of bedreiging met geweld die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) éénduizendachtenzestig euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of "[naam onderneming]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die winkel is/zijn binnengegaan en/of

(vervolgens) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, aan/op die [slachtoffer 1] heeft/hebben getoond en/of gericht en/of gericht gehouden en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Geef mij het geld maar", althans woorden van soorgelijke aard en/of strekking (waarna die [slachtoffer 1] geld uit een kassa[lade] heeft gehaald en/of dat geld aan verdachte en/of zijn

mededader(s) heeft gegeven) en/of die [slachtoffer 1] (vervolgens) onder bedreiging van dat vuurwapen/voorwerp heeft/hebben gedwongen te knielen en/of tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd dat die [slachtoffer 1] met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) naar de kluis moest lopen en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 2] onder bedreiging van een mes, althans een daarop gelijkend voorwerp, gedwongen naar de kluis te lopen en/of die kluis te openen, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) uit die kluis één of meer geldbedrag(en) heeft/hebben weggenomen en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) geld van een tafel weggenomen en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (toen hij/zij de winkel wilde(n) verlaten en dit niet lukte) gedreigd door een deur van het kantoortje van die winkel (alwaar die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zich bevond[en]) heen te schieten als die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] niet naar buiten zou(den) komen, om hem, verdachte en/of zijn

mededader(s) uit die winkel te laten.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

B. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

C. Beoordeling van de tenlastelegging

Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting, de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van medeverdachte [verdachte2] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd.

D. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 december 2008 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel aan de Middenweg heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [naam onderneming], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders de vlucht mogelijk te maken

en

met het oogmerk om zich en anderen te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [naam onderneming], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij met zijn mededader die winkel is binnen gegaan en vervolgens heeft één van zijn mededaders een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan [slachtoffer 1] getoond en op [slachtoffer 1] gericht en gericht gehouden en tegen [slachtoffer 1] gezegd: “Geef mij het geld maar”, waarna [slachtoffer 1] geld uit een kassalade heeft gehaald en dat geld aan één van zijn mededaders heeft gegeven onder bedreiging van dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp en tegen [slachtoffer 1] gezegd dat [slachtoffer 1] met hem, zijn mededader, naar de kluis moest lopen en heeft hij [slachtoffer 2] onder bedreiging van een mes gedwongen naar de kluis te lopen en die kluis te openen, waarna hij uit die kluis een geldbedrag heeft weggenomen en heeft hij geld van een tafel weggenomen en heeft hij of zijn mededader toen zij de winkel wilden verlaten en dit niet lukte gedreigd door een deur van het kantoortje van die winkel, alwaar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, heen te schieten als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet naar buiten zouden komen om hem en zijn mededader uit de winkel te laten.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen en medeplegen van afpersing.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

- De eis van de officier

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie de oplegging van de volgende bijzondere voorwaarde gevorderd: dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de Brijder Reclassering, ook indien dit inhoudt het meewerken aan een intake bij Brijder verslavingszorg.

- Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte een groot deel van de gevorderde onvoorwaardelijke straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Mogelijk zouden de bijzondere voorwaarden gekoppeld kunnen worden aan een werkstraf.

- Feitgerelateerde factoren

Verdachte en zijn mededader hebben een winkel overvallen, waarbij de eigenaar en zijn medewerker met wapens zijn bedreigd. Dit soort strafbare feiten tast het gevoel van veiligheid in het algemeen aan en dat van slachtoffers in het bijzonder. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lang belastende psychische gevolgen hiervan kunnen ondervinden.

- Verdachte gerelateerde factoren

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 juni 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens een geweldsdelict en vermogensdelicten is veroordeeld.

Uit het voorlichtingsrapport van de Brijder Verslavingszorg d.d. 28 augustus 2009, opgemaakt door mevrouw J.W.N. Booij, reclasseringswerker, blijkt dat op grond van RISc er sprake is van een hoge kans op recidive. Bijna alle leefgebieden zijn risicoverhogend of staan in direct contact met het delictgedrag. Het cannabisgebruik van verdachte is problematisch. In het plan van aanpak wordt dan ook aanbevolen dat verdachte behandeling bij Brijder verslavingszorg zal volgen.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, waarbij aan het voorwaardelijk strafdeel de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde zal worden gekoppeld. Met betrekking tot de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank mede acht geslagen op de straf die aan één van de mededaders van verdachte is opgelegd.

8. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1], heeft, door tussenkomst van M. Burggraaff, werkzaam bij Das Rechtsbijstand, Postbus 23000, 1100 DN Amsterdam, vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 3.000,00 wegens schade die de verdachte met zijn mededaders aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De officier van justitie heeft toewijzing van een bedrag van € 1.500,00 gevorderd. Voor het overige deel van de vordering acht de officier van justitie de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

De raadsman van verdachte is van mening dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering nu deze onvoldoende is onderbouwd.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij, voor zover die een bedrag van € 1.000,00 betreft, van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte - ook al zijn andere daders daarbij betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,00, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Brijder Reclassering, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt het meewerken aan een intake bij Brijder verslavingszorg.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1.000,00 (eenduizend euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 1.000,00, (eenduizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.E. Merkus, voorzitter,

mr. M. Lolkema en mr. E.M. Devis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2009.