Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ8092

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
17-09-2009
Datum publicatie
21-09-2009
Zaaknummer
14.810116-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promis / diefstal met geweld / poging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/810116-09 + 14/811043-07 (tul)(P)

Datum uitspraak : 17 september 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd te P.I. Noord-Holland Noord, HvB Zuyder Bos te Heerhugowaard.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 september 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat daartoe een wijziging van de tenlastelegging is toegelaten,

ten laste gelegd, dat

1. primair

hij op of omstreeks 22 februari 2009 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in of uit een winkel gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] weg te nemen geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een persoon, genaamd [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] en/of één of meer (ander(e)) perso(o)n(en), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met één of meer van zijn mededader(s), althans alleen

naar die winkel is toegegaan en/of (vervolgens) heeft/hebben hij/zij zich (enige tijd) bij, althans in de (onmiddellijke) nabijheid van, die winkel opgehouden en/of heeft/hebben hij en/of (één van) zijn mededadere(s) aldaar één of meerma(a)l(en) aangebeld en/of die [slachtoffer] aangesproken en/of tegen de ramen getikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 22 februari 2009, althans in of omstreeks de maand februari 2009, in de gemeente [gemeente], te [vestigingsplaats], en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een misdrijf, te weten een diefstal met geweldpleging en/of een afpersing, opzettelijk heeft voorbereid in de zin van artikel 46 van het Wetboek van

Strafrecht;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 december 2008 tot en met 24 februari 2009 in de gemeente Heerhugowaard (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal(len) werd(en) voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen één of meer perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal(len) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld één of meer perso(o)n(en) heeft gedwongen tot de afgifte van geld en/of goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

3.

hij op of omstreeks 18 maart 2009 in de gemeente Alkmaar een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Zastava, kaliber 6.35 mm), voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde onvoldoende feitelijk is omschreven en derhalve niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering hieraan stelt. De rechtbank acht de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde nietig.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor wat betreft de overige tenlastegelegde feiten geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte is in de visie van de officier van justitie aan te merken als medepleger op grond van het volgende. Verdachte heeft zich tegenover medeverdachte [mededader 1] bereid verklaard mee te gaan om een overval te plegen. Verdachte en zijn medeverdachten zijn vervolgens op pad gegaan. Het voornemen was glashelder, ook was er een begin van uitvoering. De auto is achteruit ingeparkeerd, verdachte en een mededader bevonden zich op korte afstand zodat gemakkelijk tot verdere actie kon worden overgegaan indien de winkelier had opengedaan. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij medeverdachte [mededader 1] zou hebben gewaarschuwd indien er mensen aan waren gekomen.

De officier van justitie acht voorts het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

B. Het standpunt van de verdachte, de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsman gesteld dat er geen sprake is geweest van een begin van uitvoering. Er hebben geen gedragingen plaatsgevonden die gericht waren op voltooiing van het feit. Er was geen sprake van een rolverdeling of voorbereiding en verdachte heeft geen wapen gezien. Derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat de dagvaarding nietig is, nu de voorbereidingshandelingen niet beschreven zijn. Voorts heeft de raadsman gesteld niet te zien op welke wijze zijn cliënt bij de voorbereidingshandelingen is betrokken. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de medeverdachte van verdachte vrijwillig is teruggetreden toen de eigenaar van de winkel weigerde de deur open te doen en dus heeft de medeverdachte afgezien van voltooiing van het feit.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde acht de raadsman bewezen dat zijn cliënt een wapen voorhanden heeft gehad.

C. Beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1:

Op 23 februari 2009 heeft [slachtoffer] bij de politie een verklaring afgelegd over een voorval de avond ervoor. [slachtoffer] heeft verklaard dat er bij zijn tabakswinkel werd aangebeld en dat er bij de deur een jongen stond die hem vroeg of hij geld kon wisselen. [slachtoffer] heeft de jongen gezegd dat hij weg moest gaan. Deze jongen is vervolgens het pad afgelopen met nog twee personen. Kort daarna werd er tegen het raam getikt en stond dezelfde jongen weer voor het raam. De jongen vroeg [slachtoffer] opnieuw of hij kon wisselen. Toen [slachtoffer] zei dat hij de politie had gebeld is de jongen weggelopen .

Op de terechtzitting heeft verdachte het volgende verklaard. Op 22 februari 2009 in de vooravond is verdachte gebeld door medeverdachte [mededader 1]. Vervolgens is verdachte in het gezelschap van medeverdachten [mededader 1], [mededader 2] en [mededader 3] vanuit Heerhugowaard met de auto naar [vestigingsplaats] gereden. [mededader 3] zat achter het stuur en heeft de auto in de nabijheid van de tabakswinkel achteruit ingeparkeerd. [mededader 1], [mededader 2] en verdachte zijn uit de auto gestapt. [mededader 1] is naar de tabakswinkel gelopen, heeft aangebeld en heeft met de winkelier gesproken. Verdachte bevond zich op 10 meter afstand van de tabakswinkel. Verdachte heeft verklaard dat het zijn rol was om op de uitkijk te staan en dat hij met dit doel uit de auto is gestapt. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij wist dat [mededader 1] van plan was een overval te plegen.

Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen op 22 februari 2009 heeft plaatsgevonden is aan te merken als een begin van uitvoering van een diefstal met geweld. Verdachte en zijn mededaders zijn om een tabakswinkel te overvallen naar die winkel gereden. Vervolgens is de auto nabij de winkel achteruit ingeparkeerd. Verdachte en twee van zijn mededaders hebben de auto verlaten. Eén van de mededaders is vervolgens naar de winkel toegelopen, heeft aangebeld, op de ramen getikt en heeft de winkelier met een smoes getracht te bewegen de deur open te doen. Met name het aanbellen is aan te merken als een gedraging gericht op de voltooiing van het misdrijf. Het is slechts aan de argwaan van de winkelier te danken dat het plan van verdachte en zijn mededaders niet is gelukt en de deur aldus gesloten bleef. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte is aan te merken als medepleger van het onder 1 tenlastegelegde. Het verweer van de raadsman dat er geen sprake was van een rolverdeling wordt tegengesproken door de verklaring van verdachte ter terechtzitting. Juist uit het op zich nemen van de rol van uitkijk, waarbij verdachte tevens heeft verklaard dat hij [mededader 1] zou waarschuwen indien er mensen aan zouden komen, blijkt de verdeling van de taken en aldus ook de rol van medepleger. Nu de rechtbank het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren behoeft het verweer van de raadsman ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde geen bespreking.

Feit 3:

Bij de aanhouding van verdachte op 18 maart 2009 droeg verdachte een tas bij zich waar zich een vuurwapen in bevond . In het proces-verbaal wapenexpertise is gerelateerd dat het een vuurwapen betreft vallend onder categorie III van de Wet wapens en munitie . Verdachte heeft op de terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd ten aanzien van het wapenbezit. Op grond van bovenstaande acht de rechtbank het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

D. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 22 februari 2009 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] weg te nemen geld en/of goederen toebehorende aan [slachtoffer], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging van geweld tegen die [slachtoffer] en/of één of meer (ander(e)) perso(o)n(en), te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met zijn mededaders naar die winkel is toegegaan en vervolgens hebben zij zich enige tijd bij die winkel opgehouden en heeft één van zijn mededaders aldaar éénmaal aangebeld en die [slachtoffer] aangesproken en tegen de ramen getikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 18 maart 2009 in de gemeente Alkmaar een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Zastava, kaliber 6.35 mm, voorhanden heeft gehad.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair

Poging tot diefstal voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd door geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

- De eis van de officier

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

- Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op grond van het door hem bewezen geachte bepleit verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.

- Feitgerelateerde factoren

Verdachte heeft zich, terwijl hij nog geen maand eerder was veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf, bereid verklaard mee te doen aan een overval op een tabakswinkel. Bij zijn aanhouding op een later gelegen moment was verdachte in het bezit van een vuurwapen.

- Verdachte gerelateerde factoren

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 maart 2009 waaruit blijkt dat verdachte al meermalen voor vermogens- en geweldsdelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. Verdachte liep nog in een proeftijd van een vonnis van deze rechtbank van 29 januari 2009. Dit vonnis is gewezen zéér kort voor de bewezenverklaarde feiten.

Uit het adviesrapport van Reclassering Nederland d.d. 19 maart 2009, opgesteld door mevrouw M.M.M. Witte, blijkt dat het aan verdachte bij voormeld vonnis opgelegde toezicht is geretourneerd en dat toezicht thans, vanwege de persoonlijkheid van verdachte niet is geïndiceerd. Uit het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 16 juni 2009, opgesteld door S.J. Soffner, reclasseringswerker, blijkt dat om te komen tot inzicht in de achterliggende problematiek van verdachte Pro Justitia Rapportage noodzakelijk wordt geacht. Verdachte heeft aangegeven hier geen medewerking aan te willen verlenen. De Reclassering acht zich dan ook niet in staat een plan van aanpak voor verdachte op te stellen. Een reclasseringstoezicht is gelet op de ervaringen in het verleden en het huidige contact met verdachte niet geïndiceerd.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande en de ernst van de feiten, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Met betrekking tot de duur van deze vrijheidsstraf heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de straffen die aan de mededaders van verdachte voor het onder 1 primair bewezenverklaarde zijn opgelegd.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van deze rechtbank van 29 januari 2009 in de zaak met parketnummer 14.811043-07 aan de verdachte opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 20 februari 2009 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 13 februari 2009 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Daarom behoort de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf te worden gelast.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

Verklaart de dagvaarding voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde nietig.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1. primair en 3 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden, opgelegd bij voormeld vonnis van 29 januari 2009 in de zaak met parketnummer 14/811043-07 aldus, dat die straf geheel wordt ten uitvoer gelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. Devis, voorzitter,

mr. M. Lolkema en mr. A.E. Merkus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2009.