Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ7288

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
14.810189-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing jeugdstrafrecht. Bevel gevangenneming. Samenhang met uitspraak tegen verdachte van dezelfde datum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14.810189-09 (P)

Datum uitspraak : 16 juni 2009

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juni 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. L.M.L. van Berkel, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

hij op of omstreeks 04 mei 2009 in de gemeente Utrecht ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om, in/uit een winkel gevestigd op/aan de

[adres] aldaar, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening weg te nemen een of meer (polo)shirt(s), geheel of ten dele

toebehorende aan (de winkel) "[naam onderneming]", in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen

voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2], te plegen met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

naar die winkel is toegegaan en/of (daarna) heeft hij, verdachte, een of meer

(polo)shirt(s) gepakt en/of is, hij, verdachte, met dat/die shirt(s) naar

de/een paskamer in die winkel toegegaan

en/of

(vervolgens) heeft hij, verdachte, een shirt onder zijn, verdachtes, kleding

gestopt

en/of

(daarna) heeft hij, verdachte, aanstalte gemaakt die winkel -met medeneming

van dat shirt onder zijn kleding- te verlaten

en/of

(vervolgens) heeft hij, verdachte, een of meerma(a)l(en) op/tegen/naar de/het

licha(a)m(en) van die/deze [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] geslagen en/of gestompt en/of

geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

A. Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

B. Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat, nu de verklaringen van de aangever [naam slachtoffer 1] en de getuige [naam slachtoffer 2] uiteenlopen, de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit kan komen. Volgens de raadsvrouw hebben de aangever [naam slachtoffer 1] en de getuige [naam slachtoffer 2] te snel de conclusie getrokken dat er sprake zou zijn van een diefstal. De verdachte moet daarom vrijgesproken worden van het hem tenlastegelegde feit.

C. Beoordeling van de tenlastelegging

Op 4 mei 2009 doet [naam slachtoffer 1] aangifte van winkeldiefstal en verklaart hij dat hij op 4 mei 2009 twee jongens de winkel “[naam onderneming]” in Utrecht ziet binnenkomen. Vervolgens ziet hij één van de jongens met twee poloshirts een paskamer ingaan. Hij gaat voor de paskamer staan en ziet in het licht van de lamp boven de paskamer dat de verdachte een poloshirt onder zijn jas stopt. Aangever brengt direct zijn collega [naam slachtoffer 2] op de hoogte. De verdachte komt met één poloshirt uit de paskamer. De aangever ziet duidelijk dat hij een poloshirt onder zijn jas heeft zitten. De collega [naam slachtoffer 2] spreekt de verdachte aan. Vervolgens ziet aangever dat de verdachte het shirt onder zijn jas vandaan haalt en in de handen van [naam slachtoffer 2] duwt. Daarop houdt [naam slachtoffer 2] de verdachte aan wegens winkeldiefstal. De verdachte maakt een slaande beweging in de richting van het bovenlijf van [naam slachtoffer 1], die de klap weet te ontwijken. Vervolgens probeert de verdachte de winkel uit te rennen waarbij hij wild om zich heen slaat.Toegesnelde collega’s werken de verdachte vervolgens naar de grond, waarbij de verdachte om zich heen blijft slaan en schoppen, aldus de aangever.

De getuige [naam slachtoffer 2] verklaart dat hij door aangever [naam slachtoffer 1] is gewaarschuwd dat er een winkeldiefstal gaande was. Op het moment dat de verdachte de paskamer verlaat, ziet hij duidelijk dat de verdachte een artikel onder zijn jas heeft. Vervolgens spreekt hij de verdachte aan en deelt hem mede dat hij is aangehouden wegens winkeldiefstal. Op dat moment wordt de verdachte agressief en slaat wild om zich heen, waarbij hij [naam slachtoffer 1] bijna raakt. Hij laat de verdachte los en gaat achter de verdachte aan. Twee andere collega’s schieten te hulp waarbij de verdachte opnieuw in het wilde weg om zich heen slaat en schopt, aldus de getuige [naam slachtoffer 2].

Op de terechtzitting heeft verdachte erkend dat hij op 4 mei 2009 in de “[naam onderneming]”in Utrecht is geweest en dat hij met twee poloshirts een paskamer is ingegaan. Omdat hij onterecht beschuldigd werd van winkeldiefstal, heeft hij slaande en schoppende bewegingen gemaakt, aldus de verdachte.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verklaringen van de aangever [naam slachtoffer 1] en de getuige [naam slachtoffer 2], zoals deze zijn opgenomen in het aangifteformulier Politie Utrecht d.d. 4 mei 2009, worden door de rechtbank als bewijsmiddelen gebezigd. Zij zijn opgesteld kort na de poging tot winkeldiefstal. Beiden verklaren eenduidig dat zij de verdachte uit de paskamer zien komen, een poloshirt onder zijn jas vandaan zien halen, een slaande beweging zien maken en dat hij de winkel probeert te verlaten en daarbij slaande en schoppende bewegingen maakt, zowel voor als na het moment dat hij naar de grond is gewerkt door andere collega’s.

De verklaringen zijn nader uitgewerkt in de later telefonisch opgenomen verklaringen van de aangever [naam slachtoffer 1] (12 mei 2009) en de getuige [naam slachtoffer 2] (14 mei 2009) als blijkens het op ambtseed op 14 mei 2009 door [naam opsporingsambtenaar] opgemaakt proces-verbaal.

Op grond van de in de noten 1, 2 en 3 genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

F. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 mei 2009 in de gemeente Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om uit een winkel, gevestigd aan de [adres] aldaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een poloshirt, toebehorende aan "[naam onderneming]", en daarbij die voorgenomen diefstal te doen volgen van bedreiging met geweld tegen[naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

naar die winkel is toegegaan en daarna heeft hij, verdachte, poloshirts gepakt en is, hij, verdachte, met die shirts naar een paskamer in die winkel toegegaan

en vervolgens heeft hij, verdachte, een shirt onder zijn, verdachtes, kleding gestopt

en daarna heeft hij, verdachte, aanstalte gemaakt die winkel -met medeneming

van dat shirt onder zijn kleding- te verlaten

en

vervolgens heeft hij, verdachte, meermalen naar de lichamen van die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] geslagen en/of geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld en gepleegd met het oogmerk om die diefstal bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

6. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar omdat niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

De eis van de officier van justitie:

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, te weten oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 maanden, met aftrek van de periode dat de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft verbleven.

Het standpunt van de verdediging:

De raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak van het aan de verdachte tenlastegelegde feit.

Feitgerelateerde en aan de verdachte gerelateerde factoren:

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot winkeldiefstal, waarbij hij met geweld heeft gedreigd naar het winkelpersoneel door wild om zich heen te slaan en te schoppen. Dit is een ergerlijk feit, dat vaak schade en hinder veroorzaakt en in het algemeen bij het winkelpersoneel gevoelens van onrust en onveiligheid oproept.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 6 mei 2009, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van vermogens- en geweldsdelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is. Nu in een andere strafzaak waarin heden uitspraak is gedaan, aan de verdachte de PIJ-maatregel is opgelegd, zal de rechtbank de gevangenisstraf in deze strafzaak beperken tot de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

• Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 43 (DRIE EN VEERTIG) DAGEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

• Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.O.P. Roché, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. T.H. Bosma, rechters,

in tegenwoordigheid van D.H. Geuze, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2009.