Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ7094

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
14.810053-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BO6080, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

12 jaar gevangenisstraf voor doodslag. Vrijspraak moord.

Beroep op noodweer (exces) verworpen. De lezing van verdachte – dat hij door het slachtoffer werd aangevallen, tegen welke aanval hij zich moest verweren, het slachtoffer vervolgens moest vastbinden en dat hij in paniek diens woning heeft verlaten – acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14.810053-08 ( P )

Datum uitspraak : 8 september 2009

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[NAAM VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Noord-Holland Noord, HvB Zuyderbos te Heerhugowaard.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

14 oktober en 22 december 2008 en 16 maart, 9 juni en 25 augustus 2009.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. J.Y Kuit, advocaat te Hoorn, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot nadere omschrijving van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2007 tot en met 25 december 2007 in de gemeente Enkhuizen opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, die [naam slachtoffer]

- een of meerdere ke(e)r(en) (met kracht) met een (schemer-)lamp, althans een hard voorwerp, op het hoofd geslagen en/of

- een of meerdere ke(e)r(en) samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals van die [naam slachtoffer] en/of

- die [naam slachtoffer] op de buik gelegd en/of de handen van die [naam slachtoffer] op diens rug vastgebonden (waardoor die [naam slachtoffer] zich niet vrijelijk kon bewegen), tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2007 tot en met 25 december 2007 in de gemeente Enkhuizen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een pinpas en/of een of meer (auto)sleutel(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2007 tot en met 25 december 2007 in de gemeente Enkhuizen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto ([merk en type], [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden welke blijken uit de hierna te vermelden bewijsmiddelen.

In de namiddag van 25 december 2007 is de heer [naam slachtoffer], hierna te noemen [naam slachtoffer], door zijn familie dood aangetroffen in zijn woning aan de [adres] te Enkhuizen. De politie is direct na die melding ter plaatse gegaan. Verbalisant [naam opsporingsambtenaar] zag het slachtoffer in de hal van de woning op zijn buik op de grond liggen met zijn handen geboeid op zijn rug en zijn hoofd onder het bloed. Het slachtoffer voelde reeds koud aan en leek stijf. Voorts zag verbalisant dat de hele woonkamer overhoop was gehaald. De laden waren uit de kast gehaald en overhoop gegooid en er lag veel bloed op de grond.

Teneinde de dood van [naam slachtoffer] te onderzoeken is een Team Grootschalig Onderzoek (TGO) opgezet onder de naam “Safier”. In dit onderzoek kwam verdachte, [naam verdachte], als zodanig in beeld. Op 26 december 2007 is een poging gedaan hem in zijn woning aan te houden, maar verdachte bleek daar niet meer aanwezig te zijn. Daarop heeft het openbaar ministerie een Europees arrestatiebevel uitgevaardigd.

Op 5 februari 2008 heeft verdachte zichzelf gemeld bij de politie in Hoorn, waarna hij is aangehouden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt voorts het volgende.

Verdachte is op 24 december 2007 omstreeks 20.00 uur met de hem bekende [naam] mee gegaan naar de woning van [naam slachtoffer] om daar wat te drinken. [naam slachtoffer] vond het goed dat verdachte ook binnen kwam, omdat hij dacht dat deze een vriend van [naam] was. [naam] is enige tijd later zijn vriendin [naam] gaan halen, waarna zij samen bij de woning van [naam slachtoffer] arriveerden. Verdachte is al die tijd bij [naam slachtoffer] gebleven. Verdachte, [naam] en [naam] hebben in de woonkamer met [naam slachtoffer] een tijdje gezeten en wat gedronken. [naam slachtoffer] heeft aan verdachte zijn woning laten zien, waarbij hij ook met hem op de zolder is geweest waar [naam slachtoffer] een modelspoorbaan had staan. Rond 22.15 uur hebben zij afscheid genomen van [naam slachtoffer]. [naam] en [naam] zijn samen met de scooter weggereden en om 22.45 uur in Bovenkarspel aangekomen. Verdachte is echter teruggekeerd naar de woning van [naam slachtoffer] om nog wat te drinken en te praten. Enige uren later is er tussen hen een vechtpartij ontstaan. Verdachte heeft het slachtoffer daarbij met een lamp op het hoofd geslagen, samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals, en, nadat [naam slachtoffer] op de grond was terecht gekomen, hem op zijn buik gedraaid en vervolgens zijn polsen op de rug vastgebonden met elektriciteitssnoeren. Verdachte heeft de autosleutel van [naam slachtoffer] gepakt en hij is vervolgens met de auto van het slachtoffer, een witte [merk en type] met kenteken [kenteken], weggereden. [naam slachtoffer] is op enig moment in de nacht van 24 op 25 december 2007 overleden.

Het stoffelijk overschot van [naam slachtoffer] is aan een onderzoek onderworpen. Op 26 december 2007 heeft de lijkschouwer verklaard er niet van overtuigd te zijn dat de dood door een natuurlijke oorzaak was ingetreden. In het voorlopige sectie rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) concludeert de arts-patholoog dat er vooralsnog geen zekere doodsoorzaak aanwijsbaar is maar dat de bevindingen sterk wijzen in de richting van samendrukkend geweld op de hals, tezamen met herhaalde uitwendige geweldsinwerking op het hoofd. Aanvullend onderzoek werd ingezet.

Uit het deskundigenrapport van het NFI inzake het Pathologie onderzoek van 9 juli 2008 (hierna: sectierapport) volgt dat er aan het lichaam van [naam slachtoffer] onder meer de volgende verwondingen te zien waren: vele oppervlakkige, dan wel wat diepere huidbeschadigingen aan het lichaam, aan de achterzijde van het hoofd een langwerpige huidklieving, vele huidbeschadigingen aan het hoofd, diverse rafelige huidverscheuringen aan de hals en de nek, aan de voorzijde van de borstwand meerdere oppervlakkige huidkrassen, aan beide polsen snoersporen en aan de rechterzijde van de hals een onderliggende bloeduitstorting. Daarnaast is een uitgebreide bloeduitstorting aan de linkerzijde van de halsspieren geconstateerd. Tevens was er sprake van een zeer matige conditie van het hart. Er waren aanwijzingen voor kort voor de dood opgetreden versterf van hartspierweefsel. In het sectierapport bevestigt de arts-patholoog de conclusie uit het voorlopig rapport voornoemd, inhoudende dat er geen zekere doodsoorzaak van [naam slachtoffer] aanwijsbaar is, maar dat de bevindingen sterk wijzen in de richting van samendrukkend geweld op de hals met herhaaldelijke geweldsinwerking op het hoofd. Beide mechanismen, kunnen op zich, en zeker in combinatie met een matige hartconditie, het intreden van de dood verklaren, aldus de arts-patholoog.

Op verzoek van de verdediging is een contra-expertise ingesteld door mevr. S.J.M. Eikelenboom, als forensisch medisch onderzoeker werkzaam bij Independent Forensic Services (hierna: IFS).

Op basis van de aan haar ter beschikking gestelde informatie en de resultaten van het onderzoek, wordt geconcludeerd dat de meest waarschijnlijke doodsoorzaak van het slachtoffer is zuurstofgebrek en stapeling van kooldioxide op basis van een verminderde ademhalingsfunctie op het niveau van de hersenen enerzijds en van de longen anderzijds, ten gevolge van de druk uitgeoefend op de hals en stomp trauma op het hoofd.

Zij omschrijft de meest waarschijnlijke doodsoorzaak als volgt:

“(a) Er zijn bloedingen in de halsspieren die duiden op drukuitoefening op de hals. Dit

betekent dat de bloedsomloop kan worden onderbroken. Dit veroorzaakt zuurstoftekort

in het lichaam en met name in de hersenen.

(b) Er bevindt zich vocht en zwelling in de hersenen. Hierdoor ontstaat zuurstoftekort in de hersenen, waardoor functieverlies optreedt, met name op het vlak van de ademhaling.

(c) Het slachtoffer ligt in buikligging met zijn gezicht tegen de deur aan en de handen

geboeid op de rug. Dit veroorzaakt beperking van de ademhaling en verergert daardoor

het zuurstoftekort in het lichaam en in de hersenen nog verder.

(d) Het slachtoffer heeft vocht in de longen. Dit beperkt de gasstofwisseling in de longen. Dit verergert eveneens het zuurstoftekort in het lichaam en in de hersenen.

Deze vier factoren zetten een dodelijke cascade in werking: de druk uitgeoefend op de hals belemmert de zuurstofvoorziening, -> zuurstoftekort in de hersenen veroorzaakt vocht in de hersenen, -> toename van vocht veroorzaakt zwelling in de hersenen, -> daardoor vermindert de ademhalingsfunctie, -> de beperkte ademhaling leidt tot vocht in de longen, -> vocht in de longen vermindert de gas-stofwisseling. Dit leidt ertoe dat ophoping ontstaat van kooldioxide, een gas dat normaal wordt uitgeademd. Kooldioxide is giftig en stapeling van kooldioxide verergert de hersenzwelling, -> de hersenzwelling vermindert de ademhaling, -> verminderde ademhaling leidt tot stapeling van kooldioxide etc. etc. Dit lijdt onvermijdelijk tot de dood.”

De onderzoeker concludeert voorts dat zich rechts naast het hoofd van het slachtoffer een kleine poel van bloed bevond en dat het slachtoffer van de plek met het poelpatroon is verplaatst naar de plek waar hij is overleden. Waarschijnlijk is het slachtoffer omgedraaid om zijn handen op zijn rug te binden. Op de plaats van overlijden bevond zich eveneens een kleine poel bloed onder het hoofd van het slachtoffer. De geringe omvang van beide bloedpatronen wijzen er op dat het slachtoffer vlak voor of vlak nadat hij op zijn buik is gedraaid, is overleden. Het feit dat er zichtbaar letsel is aan de rechterpols, doordat de snoeren om de rechterpols direct op de huid waren gebonden, ondersteunt het scenario dat het slachtoffer nog leefde toen zijn polsen werden geboeid. Verder is het waarschijnlijk, gezien de letsels en de hoeveelheid bloed, dat het slachtoffer zich tijdens het aanleggen van de boeien niet heeft verzet en derhalve buiten bewustzijn was. Het is voor de onderzoeker bij gebreke van temperatuurgegevens niet mogelijk om het tijdstip van overlijden, in de rapportage aangeduid als overlijden in de nacht van 24 op 25 december 2007, nader te schatten.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde, te weten het plegen van moord op [naam slachtoffer].

Zij stelt zich op het standpunt dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Er kan immers worden gesteld dat bij elk van de geweldshandelingen, met name het slaan op het hoofd en het wurgen, verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De officier van justitie is van mening dat bij verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad. Zij heeft daartoe aangevoerd, dat weliswaar niet kan worden gesteld dat vóór het bezoek aan het slachtoffer sprake is geweest van een door verdachte voorgenomen besluit om [naam slachtoffer] van het leven te beroven, maar dat uit de wijze waarop het feit is gepleegd wel blijkt dat verdachte de tijd had om zich te beraden en zich rekenschap te geven van zijn voorgenomen daad. Er is immers sprake geweest van meerdere vormen van geweld waarbij de geweldplegingen zich tevens op verschillende plaatsen in de woning hebben afgespeeld, zodat aangenomen kan worden dat deze handelingen enige tijd in beslag hebben genomen.

Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, zodat van moord geen sprake is. Voorts is er geen bewijs voorhanden dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van [naam slachtoffer] moet volgens de raadsman ook ontkennend worden beantwoord. Het slachtoffer is overleden ten gevolge van een cascade van factoren, zoals zuurstofgebrek enerzijds en stapeling van kooldioxide anderzijds. Dat de samenloop van deze - elkaar versterkende - factoren de dood tot gevolg zouden hebben, heeft verdachte niet kunnen voorzien en hij heeft dan ook niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 op de tenlastelegging heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling van de tenlastelegging

Bevindingen uit het technisch en forensisch onderzoek

Op 25 december 2007 heeft een forensisch onderzoek plaatsgevonden naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [naam slachtoffer]. Hieruit blijkt onder meer het volgende.

Het slachtoffer lag voorover op de vloer van de hal, met de benen richting de voordeur en het hoofd op de drempel van de keuken. De handen waren door middel van een wit en een grijs snoer en een blauw koord gebonden op de rug. De sokken van het slachtoffer waren aan de onderzijde bebloed. Op de achterzijde van het hoofd was een lichtgele substantie aanwezig en daarnaast was op het hoofd van het slachtoffer een aantal verwondingen en bloed zichtbaar. Rechts naast het slachtoffer bevond zich op circa 40 centimeter afstand van het hoofd op het zeil een bloedvlek en daarnaast lag een deel van een kunstgebit.

In de woonkamer bevonden zich bloedsporen en glasscherven. Gezien de stand van de tweezitsbank, moet deze zijn verplaatst. Verder zaten er bloedsporen op deze bank en lagen er goederen onder, waaronder het frame van een lampenkap. Ook lag er een lade uit de kast op de grond; hierop zaten bloedspatten en er lag een grijs speakersnoer onder. Op de vloer lagen papieren en goederen die vermoedelijk uit de laden van de kast afkomstig waren. Onder de papieren lag de voet van de schemerlamp. Op papieren en goederen op de vloer voor de kast werden schoensporen aangetroffen, qua profilering gelijk aan schoensporen op de vloer rond het slachtoffer. Een aantal van deze goederen was met bloed gestempeld.

In de conclusie van het technische onderzoek is tevens opgenomen dat bloedsporen zijn aangetroffen op de vloer onder papieren en goederen, hetgeen resulteert in de conclusie dat de kast en lades zijn onderzocht ná de geweldplegingen jegens het slachtoffer.

Naast een stoel lag een fotoalbum waarin zich bloedsporen bevonden, alsmede een in bloed gezet dactyloscopisch spoor. Uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat deze vingerafdruk afkomstig is van verdachte.

Uit de conclusie van het technisch onderzoek blijkt voorts dat het, gezien de ligging van het slachtoffer op de vloer van de hal en de aanwezige plakkerige vervuiling, niet mogelijk was om rond het slachtoffer te lopen, zonder hierbij schoensporen achter te laten. Dit gold ook voor het achterlaten van schoensporen in de overige vertrekken van de woning vanuit de hal.

Op de vloer van de overloop werden uitgaand vanuit de woning sporen van twee typen schoenen aangetroffen. Eén type bleek overeen te komen met de schoenzolen van [naam] en dit spoor is verder buiten beschouwing gelaten. Op de vloer rond het slachtoffer, maar ook in de richting van alle vertrekken werden bebloede schoensporen van één type schoen aangetroffen. Na het omkeren van het slachtoffer werden op de plaats waar hij had gelegen géén schoensporen aangetroffen.

De aanwezige schoensporen zijn nader onderzocht, waarbij werd vast gesteld dat alle aangeboden sporen waren veroorzaakt met soortgelijke schoenen, van gelijk profiel en zelfde maat. Het op de zolder aangetroffen - niet bebloede - schoenspoor was met een soortgelijke schoen gezet als de bebloede sporen rond het lichaam van [naam slachtoffer].

In een tas met lege flessen in de hal achter de voordeur werd een lege en bebloede portemonnee aangetroffen, ten aanzien waarvan aannemelijk is dat deze daar na de geweldplegingen is terechtgekomen. Op de flessen zat bloed en er zat een groen stukje glas in de portemonnee, gelijkend op de glasscherven in de woonkamer. Aan de binnenzijde van het kleingeldvak van de portemonnee is een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte.

Op grond van de hierboven weergegeven bevindingen van het technisch onderzoek, in samenhang met de eveneens weergegeven conclusie van de deskundige Eikelenboom voornoemd, komt de rechtbank tot de volgende slotsom.

De worsteling tussen verdachte en het slachtoffer heeft – in ieder geval ook – plaatsgevonden in de woonkamer. Uiteindelijk is het slachtoffer op de plek waar hij is aangetroffen, in de hal van de woning, op zijn buik gedraaid en zijn diens handen op zijn rug vastgebonden. Het slachtoffer is vlak vóór of vlak nadat hij op zijn buik werd gedraaid, overleden.

Gelet op de aangetroffen schoensporen en de bloedsporen op de diverse goederen, alsmede in aanmerking genomen dat bloedsporen zijn aangetroffen onder papieren en voorwerpen die op de vloer lagen, onderschrijft de rechtbank de conclusie uit het technisch onderzoek, inhoudende dat de woning is doorzocht ná de geweldplegingen.

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft omtrent het verblijf in de woning van [naam slachtoffer] het navolgende verklaard.

Hij had die avond, nadat [naam] en [naam] weg waren gegaan, op uitnodiging van [naam slachtoffer] nog gezellig een paar uur met deze zitten praten. Gedurende de avond had verdachte een grote hoeveelheid whisky gedronken. Eerder op de avond vijf of zes glazen en daarna nog een stuk of vier/vijf. Opeens kwam [naam slachtoffer] de keuken uit met een mes in zijn handen. Hij zei dat hij verdachte ging verkrachten en vermoorden. [naam slachtoffer] wilde verdachte steken, waarna een gevecht is ontstaan. Verdachte is daarbij met het mes geraakt in zijn linkerhand bij zijn pols. Al duwend en trekkend zijn zij in de achterkamer beland. Verdachte heeft hem vervolgens met de lamp op zijn hoofd geslagen. Toen [naam slachtoffer] op de grond viel, liet hij het mes los. [naam slachtoffer] stond echter weer op en hij bleef maar op verdachte afkomen. Verdachte heeft hem toen in zijn linker bovenarm gestoken. Uiteindelijk heeft verdachte het slachtoffer op de grond gekregen en heeft hij diens handen vastgebonden met het snoer van de lamp. Het slachtoffer bewoog daarbij wild om los te komen. Verdachte heeft de autosleutel van [naam slachtoffer], welke sleutel hij op de grond zag liggen, gepakt en is weggereden. Het mes heeft hij meegenomen en op enig moment uit het raam van de auto gegooid. Door de opgelopen steekwond, zat zijn hele hand onder het bloed. Hij heeft de wond niet meteen verzorgd, omdat hij dronken was en vol adrenaline zat. De volgende morgen werd hij in de auto wakker en daarna is hij gelijk naar het station gelopen om de trein naar Amsterdam te nemen.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij zich weinig van die avond kan herinneren. Hij heeft slachtoffer met snoeren vastgebonden om er zeker van te zijn dat het slachtoffer niet achter hem aan kon komen. Deze snoeren had hij tijdens de worsteling gepakt. Het vastbinden heeft volgens verdachte plaatsgevonden achter in de woonkamer, toen het slachtoffer voor de kast op de grond lag. Verdachte heeft desgevraagd verklaard dat de woning van [naam slachtoffer] netjes en opgeruimd was toen hij in de woning kwam.

Naar aanleiding van de aan hem voorgehouden bevindingen uit het technisch onderzoek en na het tonen van foto 31, uit de als bijlage bij dit rapport behorende fotomap aan verdachte ter terechtzitting, heeft verdachte verklaard dat het zou kunnen dat hij de woning in de staat van wanorde - zoals op die foto is te zien – in de nacht van 24 op 25 december 2007 heeft achtergelaten. Verdachte heeft aangegeven dat hij papieren uit de laden van de kast heeft gehaald, omdat hij op zoek was naar de autosleutels. Vervolgens is hij in paniek weggegaan met de auto van het slachtoffer. Hij heeft aan niemand verteld wat er in de woning is voorgevallen. Tenslotte heeft hij verklaard dat het mogelijk is dat hij met de bankpas van het slachtoffer heeft geprobeerd te pinnen. Verdachte kan zich dit echter niet meer concreet herinneren.

Verklaringen van getuigen, een pinpoging en het bezoek aan het Esso tankstation

Over het vertrek van verdachte met de auto van [naam slachtoffer] in de nacht van 24 december op 25 december 2007 heeft getuige [naam getuige 1], wonende aan de [adres] te Enkhuizen, het volgende verklaard. Hij heeft rond 02.00 uur het autoalarm gehoord van de auto van het slachtoffer. Hij omschrijft de auto als een witte auto met een zwart dak, sportief model, volgens hem een [merk en type]. De knipperlichten van deze auto gingen aan en uit.

Blijkens informatie van de Rabobank N.V. is er in de nacht van 25 december 2007 om 03.27 uur met de bankpas van het slachtoffer [naam slachtoffer] – tevergeefs – geprobeerd € 250,00 op de te nemen bij een geldautomaat van de ABN-Amro bank in de [adres] te Den Helder. Van deze transactie zijn geen camerabeelden beschikbaar.

Later die nacht, om 04.32 uur, is verdachte blijkens de camerabeelden van het Esso Tankstation Schepenwijk te Enkhuizen, met de witte [merk auto] van [naam slachtoffer] naar het tankstation gereden, waar hij in de winkel een pakje sigaretten heeft gekocht.

Op 12 januari 2008 is getuige [naam getuige 2] gehoord bij de politie. Hij heeft verklaard dat hij [naam verdachte] op 25 december 2007 heeft gezien bij het station Kersenboogerd te Hoorn tussen 10.00 en 11.00 uur. Hij kwam daar met een witte auto met koplampen die kunnen openklappen. [naam verdachte] kwam aangereden van de kant van Enkhuizen en had met [naam getuige 2] afgesproken om elkaar daar te treffen.

Op 12 maart 2008 heeft getuige [naam getuige 3] verklaard dat [naam verdachte] ongeveer een week na de jaarwisseling bij hem kwam. [naam verdachte] heeft aan hem verteld dat hij op Kerstavond bij een man wat was gaan drinken. Die man kwam opeens met een mes uit de keuken op hem af en wilde [naam verdachte] verkrachten en vermoorden. [naam verdachte] en de man zijn toen in een gevecht geraakt waarna [naam verdachte] de man heeft vastgebonden en gestoken met het mes, omdat hij weer los kwam. Hij heeft toen de auto van de man meegenomen. Later vertelde [naam verdachte] aan [naam getuige 3] dat hij ook de pinpas van die man had meegenomen.

Getuige [naam getuige 4] heeft bij de politie verklaard dat hij van [naam verdachte] heeft gehoord dat [naam verdachte] de man had vermoord omdat hij hem had aangerand. Verder heeft verdachte hem verteld dat hij wat geld uit de woning van het slachtoffer had meegenomen en een pasje, maar dat hij daar geen moer aan had gehad.

Oordeel van de rechtbank over de feitelijke toedracht

Vast staat dat verdachte in de woning een aantal geweldshandelingen jegens het slachtoffer [naam slachtoffer] heeft gepleegd. Hij heeft het slachtoffer met een lamp geslagen op het hoofd; hij heeft samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals van [naam slachtoffer] en hij heeft [naam slachtoffer], toen deze op de grond lag, op de buik gedraaid en diens handen op de rug gebonden.

Op grond van de hierboven weergegeven rapporten van de arts-patholoog Van de Goot en de arts/forensisch medisch onderzoeker Eikelenboom, in samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat [naam slachtoffer] als gevolg hiervan is overleden.

De rechtbank stelt reeds thans voorop dat zij de lezing van verdachte ten aanzien van de toedracht van deze geweldshandelingen, uitmondend in een hierna te noemen verweer ten aanzien van noodweer(exces) zeer onaannemelijk acht.

Daartoe neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Aanvankelijk was volgens verdachte de sfeer in de woning goed. Verdachte en het slachtoffer hebben samen nog enige uren zitten praten en drinken. [naam slachtoffer] heeft ook op enig moment soep gemaakt, die door verdachte en het slachtoffer is genuttigd. Daarna zou, in de lezing van verdachte, het slachtoffer uit het niets met een mes op verdachte zijn afgekomen om hem te verkrachten en te vermoorden. Verdachte heeft voor deze beweerdelijke omslag in de gemoedstoestand van [naam slachtoffer] desgevraagd geen enkele verklaring kunnen geven. Noch uit de processtukken noch uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting is gebleken van enige omstandigheid, in of buiten de persoon van het slachtoffer gelegen, welke aanleiding zou kunnen geven om verdachte zo plotseling aan te vallen. De verklaring van verdachte vindt geen steun in andere bewijsmiddelen, terwijl verdachte aangeeft het enige bewijsmiddel, een mes, te hebben weggegooid.

Met betrekking tot het letsel van verdachte bevindt zich medische informatie in het dossier waaruit blijkt dat verdachte een verwonding had aan zowel zijn linker- als rechterhand, dat zou kunnen passen bij snijdend contact met een scherp voorwerp. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit letsel een verklaring vinden in het aantreffen van glasscherven, onder meer een glasscherf in de portemonnee met een DNA-spoor van verdachte. Op de camerabeelden van het Esso tankstation is niet te zien dat verdachte een hevig bloedende wond aan één van zijn handen heeft, terwijl uit het gedrag van verdachte op die beelden evenmin paniek of nervositeit valt af te leiden.

Het gewelddadig handelen van het slachtoffer vindt tenslotte evenmin steun in de aard van het door beiden opgelopen letsel, te weten uitgebreid letsel aan de zijde van [naam slachtoffer] en zeer gering letsel aan de zijde van verdachte.

Wat betreft het binden van [naam slachtoffer] is de verklaring van verdachte, inhoudende dat deze wild bewoog om los te komen, in strijd met de bevindingen van het IFS.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de verklaringen van verdachte omtrent het gebeurde in de woning ook in aanmerking genomen de wijze waarop hij heeft gehandeld ná het gevecht. Verdachte heeft immers, zonder zich om het slachtoffer - die ernstig gewond en geboeid op de grond lag - te bekommeren, de woning van [naam slachtoffer] doorzocht, zijn pinpas, autosleutel en mogelijk andere goederen weggenomen en het pand verlaten. Verdachte is vervolgens weggereden in de auto van het slachtoffer zonder bij enige instantie melding te maken van de beweerdelijke aanval door [naam slachtoffer], terwijl hij heeft verklaard dat deze nog leefde toen verdachte de woning verliet.

De verklaring, inhoudende dat verdachte bij het wakker worden direct naar het station is gelopen om Enkhuizen te verlaten, is in strijd met de verklaring van de getuige [naam getuige 2] over de telefonisch afgesproken ontmoeting op die dag.

De handelingen na het binden van [naam slachtoffer] doen naar het oordeel van de rechtbank ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van de lezing van verdachte, inhoudende dat hij na een aanval door [naam slachtoffer] in paniek de deur uit is gerend.

Voorbedachte raad niet bewezen

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad het slachtoffer van het leven heeft beroofd en de rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde, te weten het plegen van moord. Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting is onvoldoende komen vast te staan op welke wijze de door verdachte gepleegde geweldshandelingen hebben plaatsgevonden en hoeveel tijd daarmee gemoeid is geweest. Zo is niet komen vast te staan hoeveel tijd gelegen heeft tussen het slaan met de lamp, meer in het algemeen de herhaaldelijke geweldsuitoefening op het hoofd, enerzijds en het uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals anderzijds. Weliswaar acht de rechtbank aannemelijk dat enige tijd is verstreken tussen deze geweldshandelingen enerzijds en het omdraaien op de buik en het vastbinden van de handen van [naam slachtoffer] met van diverse plaatsen afkomstig snoer anderzijds. De rechtbank acht echter die laatste afzonderlijke gedraging, het binden van het slachtoffer om diens opstaan te verhinderen, onvoldoende voor de slotsom dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit om [naam slachtoffer] te doden en dat verdachte gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Voorwaardelijk opzet bewezen

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte “vol” opzet heeft gehad op de dood van [naam slachtoffer], in die zin dat hij wist dat [naam slachtoffer] door de gepleegde geweldshandelingen zou overlijden en dat hij dit gevolg ook uitdrukkelijk heeft gewild.

Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank verenigt zich - zoals uit het voorgaande al is gebleken - ten aanzien van de doodsoorzaak met de conclusie zoals vermeld in het deskundigenrapport van IFS, te weten dat door de vier omschreven factoren een “dodelijke cascade” in werking is gezet. Anders dan de officier van justitie concludeert de rechtbank dat verdachte niet met iedere geweldshandeling op zich, maar juist door de combinatie van geweldshandelingen, te weten het slaan op het hoofd met een lamp, het uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals en vervolgens het omdraaien van het slachtoffer op zijn buik en het knevelen van handen op de rug, de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden. De rechtbank acht voorts bewezen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat verdachte door het slachtoffer op de wijze als hiervoor omschreven in de woning achter te laten zonder hulp in te roepen, deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

De overige feiten op de tenlastelegging

Vast staat dat verdachte goederen uit de woning van [naam slachtoffer] heeft weggenomen, te weten een pinpas en een autosleutel en dat hij met de auto van [naam slachtoffer] is weggereden. Verdachte heeft de auto nadien enige tijd tot zijn beschikking gehouden en vervolgens elders achter gelaten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 24 december 2007 tot en met 25 december 2007 in de gemeente Enkhuizen opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, die [naam slachtoffer]

- met kracht met een schemerlamp op het hoofd geslagen en

- samendrukkend geweld uitgeoefend op de hals van die [naam slachtoffer] en

- die [naam slachtoffer] op de buik gelegd en de handen van die [naam slachtoffer] op diens rug vastgebonden (waardoor die [naam slachtoffer] zich niet vrijelijk kon bewegen),

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

2.

hij in de periode van 24 december 2007 tot en met 25 december 2007 in de gemeente Enkhuizen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een pinpas en een autosleutel, toebehorende aan [naam slachtoffer];

3.

hij in de periode van 24 december 2007 tot en met 25 december 2007 in de gemeente Enkhuizen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto ([merk en type], kenteken [kenteken]), toebehorende aan [naam slachtoffer], waarbij verdachte die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Beroep op noodweer en noodweer-exces

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter verdediging aangevoerd dat, indien de rechtbank feit 1 bewezen verklaart, verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij gehandeld heeft in een situatie van noodweer dan wel noodweer-exces.

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een wederrechtelijke aanval van [naam slachtoffer] waartegen verdachte zich moest verdedigen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de abrupte gewelddadigheid van [naam slachtoffer] een zodanig panische schrikreactie teweeg heeft gebracht bij verdachte, dat gesproken kan worden van een hevige gemoedsbeweging waardoor verdachte verder is gegaan in zijn verdediging dan strikt noodzakelijk was.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de lezing van verdachte met betrekking tot de gebeurtenissen in de nacht van 24 op 25 december 2007 ongeloofwaardig. Niet aannemelijk geworden is dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, gericht tegen zijn lijf of eerbaarheid, waartegen verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen. Er is derhalve geen sprake van noodweer en evenmin van noodweer-exces.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer en overweegt daarover het volgende.

Voor het slagen van een beroep op noodweer is in de eerste plaats vereist dat aannemelijk is geworden dat verdachte feitelijk is aangevallen door het slachtoffer en dat hij zich tegen die ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval moest verdedigen. Voor de beantwoording van die vraag is de enkele verklaring van verdachte niet voldoende. Die verklaring moet worden ondersteund door objectief vast te stellen feiten en omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij uit noodweer heeft gehandeld, niet wordt ondersteund door objectief vastgestelde feiten en omstandigheden.

Zoals hierboven onder het kopje de beoordeling van de tenlastelegging is overwogen, acht de rechtbank de lezing van verdachte omtrent de toedracht van de gepleegde geweldshandelingen zelfs zeer onaannemelijk. Het beroep op noodweer kan derhalve reeds vanwege het ontbreken van een feitelijke grondslag niet slagen.

Nu de rechtbank van oordeel is dat niet aannemelijk is dat er sprake was van een noodweersituatie, faalt een beroep op noodweer-exces.

Gelet op bovenstaande, zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1: impliciet subsidiair: doodslag

feit 2: diefstal

feit 3: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Het pro justitia rapport, gedateerd 14 juli 2008, opgemaakt door de psychiater R.J.H. Winter, vast gerechtelijk deskundige, houdt onder meer het volgende in:

“Onderzochte imponeert als laag gemiddeld intelligent, geschat IQ 80-90. De gewetensfuncties lijken lacunair ontwikkeld en er lijkt sprake van een duidelijk verhoogde narcistische kwetsbaarheid. De mate van empatisch vermogen is zeer matig. Er zijn voldoende aanwijzingen dat er bij onderzochte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, welke ook bestond ten tijde de ten laste gelegde feiten.

Buiten de evident aanwezige ziekelijke ontwikkeling van de persoonlijkheid zijn er geen aanwijzingen voor ander relevante psychopathologie en onvoldoende inzicht in de wederrechtelijkheid van de verweten gedragingen.

Geadviseerd wordt om onderzochte volledig toerekeningsvatbaar te achten.”

Door J.M. Oudejans, psycholoog, is op 14 juli 2008 schriftelijk aangegeven dat verdachte niet heeft willen meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek, zodat het voor de deskundige niet mogelijk is om diagnostische conclusies te trekken.

Gelet op het voorgaande en voorts in aanmerking nemende dat ten opzichte van verdachte ook overigens niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit, acht de rechtbank verdachte strafbaar.

7. De strafoplegging

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake het onder 1 impliciet primair en onder 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd de in beslag genomen goederen te retourneren aan de rechthebbende.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bij ten aanzien van het strafmaat aangevoerd rekening te houden met de jeugdige leeftijd en de toekomst van verdachte. De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

Motivering van de straf

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft [naam slachtoffer] in de Kerstnacht van 2007 op gewelddadige wijze om het leven gebracht, door het slachtoffer in diens eigen woning met een lamp op het hoofd te slaan, door samendrukkend geweld uit te oefenen op diens hals en door het slachtoffer vervolgens op zijn buik te draaien en zijn handen op de rug te knevelen.

Na deze geweldshandelingen is verdachte met de auto van het slachtoffer weggereden. Verdachte was - naar eigen zeggen - in de veronderstelling dat het slachtoffer nog leefde, maar hij heeft hem achtergelaten zonder hulpdiensten in te schakelen. Familieleden van het slachtoffer hebben [naam slachtoffer] op Eerste Kerstdag dood in zijn woning aangetroffen.

Doodslag is één van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht en wordt bedreigd met een zeer lange gevangenisstraf. Verdachte heeft met dit misdrijf het slachtoffer zijn meest kostbare bezit, het leven, ontnomen. De verdachte heeft daarnaast groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de familie en andere naasten van het slachtoffer. De rechtbank verwijst hiertoe naar de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring van twee nabestaanden, zusters van het slachtoffer. Door een dergelijk feit is de rechtsorde ernstig geschokt en worden in de maatschappij gevoelens van onveiligheid teweeg gebracht. Dit feit is dermate ernstig dat uitsluitend een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is.

Daarnaast heeft verdachte goederen uit de woning van het slachtoffer weggenomen, alsook diens auto.

De rechtbank heeft kennis genomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 juni 2009, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen jaren meerdere malen is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten, waaronder meerdere geweldsdelicten en vermogensdelicten.

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportages die met betrekking tot de verdachte zijn opgemaakt, te weten:

- een voorlichtingsrapport, gedateerd 23 juni 2008, opgesteld door M.C. de Vries, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Unit Alkmaar;

- het bovengenoemde rapport van de psychiater R.J.H. Winter.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat oplegging van een vrijheidsstraf van lange duur passend en geboden is. De rechtbank zal echter een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Daarbij is allereerst van belang dat de rechtbank tot een andere kwalificatie komt dan de officier van justitie, nu de ten laste gelegde moord niet bewezen is geacht. Daarnaast heeft de rechtbank – anders dan de officier van justitie – bij de bepaling van de strafmaat acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten nog een jong meerderjarige was, te weten 19 jaar.

8. Beslag

De rechtbank is van oordeel, dat het in beslag genomen pistool dient te worden onttrokken aan het verkeer. Het pistool is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

De overig in beslag genomen goederen dienen te worden teruggegeven aan de recht-hebbenden. Deze goederen waren eigendom van het slachtoffer, zodat de nabestaanden als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 57, 287, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

44. 1.00 STK Pistool.

Gelast de teruggave aan de rechthebbenden van:

1. 1.00 STK Portemonnee;

3. 1.00 STK Plastic zak;

7. 1.00 STK Tafelkleed;

14. 1.00 STK Kussensloop, kl: roze;

15. 1.00 STK Kussensloop, kl: roze;

16. 1.00 STK Laken;

18. 1.00 STK Trui;

19. 1.00 STK Broek;

20. 1.00 STK Zakdoek;

21. 1.00 STK Sok;

22. 1.00 STK Sok;

23. 1.00 STK Telefoontoestel ALCATEL E-23;

24. 4.00 STK Mat, vloer;

25. 1.00 STK Kussensloop kl: roze;

26. 1.00 STK FLS Fles cola;

27. 1.00 STK Handschoen, Ovenwant;

28. 1.00 STK Theedoek;

31. 1.00 STK Aansteker, kl: rood;

35. 1.00 STK Dashboard.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. N.O.P. Roché en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.E. Stroink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 september 2009.