Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ5669

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
20-08-2009
Zaaknummer
106950
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8516, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslag ingevolge artikel 1019c Rv. is ten onrechte gelegd. De door de beslaglegger ingestelde inbreukvordering is bij vonnis in kort geding afgewezen, terwijl vaststaat dat nadien geen hoger beroep tegen dit vonnis is ingesteld en er evenmin een bodemprocedure aanhangig is gemaakt.

De beslaglegger heeft ervoor gekozen om geen andere procedure te starten dan een procedure in kort geding. Deze keuze heeft ertoe geleid dat er niet inhoudelijk in een bodemzaak over de vordering is beslist. De gevolgen van deze keuze dienen voor rekening en risico van de beslaglegger te komen. Onder genoemde omstandigheden dient de procedure in kort geding te worden bezien als ware het een bodemzaak waarin inhoudelijk over de vordering is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 478
IER 2010, 13 met annotatie van E.J. Numann
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

JB/DH

zaaknummer / rolnummer: 106950 / HA ZA 08-973

datum: 19 augustus 2009

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HANDELSKWEKERIJ B & L B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenzande,

eiseres bij dagvaarding van 28 november 2008,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GREEN WORKS INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 't Zand, gemeente Zijpe,

gedaagde,

advocaat mr. E.C.N. Sweep te Haarlem.

Partijen zullen hierna "B&L" en "GWI" genoemd worden.

De procedure

B&L heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding, waarbij 13

producties zijn overgelegd. B&L heeft op 17 december 2008 een akte genomen.

1.2. GWI heeft een conclusie van antwoord genomen, waarbij 14 producties zijn overgelegd.

1.3. Op 18 maart 2009 heeft de rechtbank een in deze zaak tussen partijen gewezen tussenvonnis uitgesproken. Ter uitvoering van dat vonnis heeft op 12 juni 2009 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Bij brief van 23 juni 2009 heeft B&L enkele opmerkingen gemaakt ten aanzien van het proces-verbaal.

1.4. Ten slotte is vonnis bepaald.

De inhoud van al deze stukken geldt als hier ingelast.

De feiten

GWI is een onderneming die zich onder meer bezig houdt met de teelt, introductie

en (kwekersrechtelijke) bescherming van nieuwe bloembollen en vaste planten.

GWI heeft voor de verkoop van bepaalde hibiscusrassen een licentie verstrekt aan Green Works Productions B.V. (hierna: Productions).

In een verslag van 21 september 2005 betreffende een bijeenkomst van B&L, MvL BV en Green Works is onder meer het volgende vermeld:

"Voordat Green Works aanwezig was op de bijeenkomst hebben wij kwekers gekeken of de neuzen de zelfde kant op stonden. Er ontstond in dat gesprek geen enkel meningsverschil, dat duid er dus op dat de gedachtegangen het zelfde waren. Een goede basis voor het uitstippelen van een toekomstplan. Er is uit dat gesprek het volgende voort gekomen.

(...)

4.-niets verkopen aan andere kwekers

(...)

9. - voor 5 jaar contract maken en ondertekenen

(...)

Nadat Green Works is gearriveerd volgens afspraak een uurtje later dan B&L, zijn we met de drie partijen om tafel gaan zitten. (...) Na deze gedachtewisseling hebben we een uitkomst gezocht voor de 9 punten van B&L en MvL BV. (...)

4. - dit is een punt waar we het niet helemaal eens zijn met elkaar. Wij willen absoluut niet dat er nog meer kwekers gezocht worden voor dit product. Wij kunnen garanderen dat wij de vraag van Europa aankunnen. In eerste instantie willen wij de markt niet overspoelen en het product exclusief houden.

(...)

9. - er wordt geen contract gemaakt dat vind G.W. voor alle partijen om diverse redenen geen goed idee. We hebben elkaar toegezegd iedere stap die we maken t.b.v. NEWbiscus in samenspraak te doen met elkaar. (...)"

Blijkens een orderbevestiging van 12 oktober 2006 van Productions heeft B&L een order geplaatst ter zake van diverse hibiscusplanten. Deze planten zijn aan B&L geleverd in de periode van 26 februari 2007 tot en met 14 mei 2007.

GWI heeft ten aanzien van een aantal hibiscusrassen kwekersrechtelijke bescherming aangevraagd. Op 25 augustus 2008 is deze verleend.

In een verzoekschrift van 10 september 2007 tot het leggen van conservatoir beslag tot bescherming van bewijs (artikel 1019 E.V. BRV) van GWI, is onder meer het volgende vermeld:

13. Ingevolge de verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautair kwekersrecht (PbEG L 227) is GWI ter handhaving van haar rechten van intellectueel eigendom bevoegd ter bescherming van haar rechten op de voet van artikel 1019 e.v. Rechtsvordering tot het doen treffen van conservatoire maatregelen.

(...)

16. Ter verzekering van hiervoor genoemde rechten en om verdere inbreuken tegen te gaan en de reeds gemaakte inbreuk zoveel mogelijk ongedaan te maken, heeft GWI recht en belang beslag tot bescherming van bewijs te doen leggen op:

- alle roerende zaken/plantmateriaal waarmee inbreuk wordt gemaakt op de kwekersrechten van GWI, in het bijzonder op de (ca. 25.000 stuks) opgepotte planten van de rassen die een gevolg zijn van een ongeoorloofde vermeerdering van de rassen van GWI onder gelijktijdige monsterneming daarvan en bewaring van deze monsters;"

Op 11 september 2007 - na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) - heeft GWI conservatoir beslag ter bescherming van bewijs ex artikel 1019 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) doen leggen op 21.364 opgepotte planten van B&L, onder gelijktijdige monsterneming daarvan en bewaring van deze monsters.

Bij dagvaarding van 9 oktober 2007 in kort geding heeft GWI gesteld dat B&L na mei 2007 zelf het plantenmateriaal heeft vermeerderd en dat B&L daardoor inbreuk op het communautair kwekersrecht van GWI maakt. GWI heeft een verbod op inbreuk met nevenvorderingen (afgifte van inbreukmakende planten, informatieverstrekking) gevorderd alsmede onder meer een voorschot op vergoeding van de door haar geleden schade.

Bij vonnis van 7 november 2007 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van GWI afgewezen omdat niet aannemelijk is geworden dat GWI zich kan beroepen op enig aan haar verleend communautair kwekersrecht.

Het geschil

B&L heeft - samengevat - gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, GWI zal veroordelen tot betaling aan B&L van een bedrag van

euro 121.873,-, vermeerderd met rente. Daarnaast vordert B&L dat GWI zal worden veroordeeld aan haar te betalen de schade op te maken bij staat ter zake van het niet nakomen van de afspraak om gedurende vijf jaren exclusief B&L te beleveren.

Ten slotte heeft B&L vergoeding van de buitengerechtelijke kosten gevorderd, alsmede een veroordeling van GWI in de proceskosten.

B&L heeft aan haar vorderingen - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. GWI heeft ten onrechte beslag gelegd op bedoelde planten van B&L. Het beslag is opgeheven (de rechtbank begrijpt: vervallen) na een voor GWI negatief kort geding vonnis. Gelet hierop en nu GWI het door haar gestelde kwekersrecht niet kon aantonen, heeft GWI onrechtmatig gehandeld jegens B&L door beslag te leggen, waardoor verkoop van de planten niet mogelijk was. GWI is aansprakelijk voor de schade die B&L hierdoor heeft geleden. De schade bestaat uit gederfde verkoop ten bedrage van euro 95.173,- en extra arbeidskosten ten bedrage van euro 26.700,-. Daarnaast stelt B&L dat sprake is van wanprestatie doordat GWI de afspraak dat B&L gedurende vijf jaren planten geleverd zou krijgen, niet is nagekomen. Die schade is thans nog niet te begroten, aldus B&L.

GWI heeft de vordering en de onderbouwing daarvan gemotiveerd weersproken op gronden die, voor zover van belang, hierna aan de orde zullen komen.

De beoordeling

Tussen partijen is ten eerste in geschil of het beslag ten onrechte is gelegd.

Ingevolge vaste jurisprudentie handelt degene die conservatoir beslag legt op eigen risico en dient hij, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden indien het achteraf ten onrechte blijkt te zijn gelegd.

De beslaglegger is in dat geval aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens eigendomsrecht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Ditzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank - afgezien van het bepaalde in artikel 1019g Rv betreffende schadevergoeding - ten aanzien van het conservatoir beslag tot bescherming van bewijs ingevolge artikel 1019c, eerste lid, Rv waarbij aansluiting wordt gezocht bij de wetsartikelen ter zake van conservatoir beslag.

Het bewijsbeslag is in het leven geroepen om de rechthebbende ter zake van intellectueel eigendom te voorzien van materiaal om zijn inbreukvordering te onderbouwen. Nu de door GWI gestelde inbreukvordering bij vonnis in kort geding van 7 november 2007 is afgewezen, vast staat dat er nadien geen hoger beroep tegen dit vonnis is ingesteld en er evenmin een bodemprocedure aanhangig is gemaakt, is dit het enige rechterlijk oordeel ten aanzien van de inbreukvordering, ter ondersteuning waarvan het bewijsbeslag is gelegd. Dit oordeel behelst dat niet aannemelijk is dat GWI zich op enig aan haar verleend communautair kwekersrecht kon beroepen.

GWI heeft ervoor gekozen om geen andere procedure te starten dan een procedure in kort geding. Deze keuze heeft ertoe geleid dat er niet inhoudelijk in een bodemzaak over de vordering is beslist. De gevolgen van deze keuze dienen voor rekening en risico van GWI te komen. Onder genoemde omstandigheden dient de procedure in kort geding te worden bezien als ware het een bodemzaak waarin inhoudelijk over de vordering is beslist. Gelet op al het vorenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat nu is beslist dat niet aannemelijk is dat GWI zich op enig aan haar verleend communautair kwekersrecht kon beroepen, de vordering GWI niet toekomt.

Een andersluidend oordeel zou bovendien indruisen tegen de rechtszekerheid en hetgeen onder 4.2. voorop is gesteld. Het zou betekenen dat een beslaglegger geruime tijd na afronding van een dergelijke procedure in kort geding - zonder dat er destijds een bodemprocedure aanhangig is gemaakt - alsnog door middel van een nadien gestarte procedure de gelegenheid krijgt te bewijzen dat het beslag niet ten onrechte was gelegd. Dit is onwenselijk.

Bijzondere omstandigheden om aan te nemen dat het beslag niet ten onrechte is gelegd, zijn de rechtbank niet gebleken. GWI heeft aangevoerd dat zij op het moment dat zij werd geconfronteerd met de (vermoedelijke) vermeerdering van het plantmateriaal de communautaire kwekersrechten reeds had ingediend. Nu GWI echter heeft nagelaten dit destijds aan haar inbreukvordering en het bewijsbeslag ten grondslag te leggen, maakt dit het vorenstaande niet anders. De rechtbank tekent hierbij aan dat de vraag of het beslag onrechtmatig is gelegd, in zijn algemeenheid niet moet worden beoordeeld naar het moment waarop het beslag is gelegd, maar naar het moment waarop later onherroepelijk in rechte op de vordering wordt beslist. Dit betekent dat verder niet van doorslaggevend belang is of GWI bij het leggen van het beslag hiervoor goede gronden had. Al het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank er in de onderhavige procedure vanuit dient te gaan dat het beslag ten onrechte is gelegd en dat GWI onrechtmatig jegens B&L heeft gehandeld.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de door B&L gestelde schade ten gevolge van bedoeld beslag. Voor zover GWI heeft betoogd dat van schade geen sprake kan zijn omdat het B&L ondanks het bewijsbeslag vrij stond bedoelde planten te verkopen, kan de rechtbank dit betoog niet volgen. Uit het verzoekschrift tot het leggen van bedoeld beslag en de handelwijze van GWI vloeit veeleer voort dat GWI hiertegen was. Gelet op het feit dat GWI meende dat sprake was van ongeoorloofde vermeerdering van plantmateriaal ligt dat ook in de lijn der verwachting. Indien GWI geen bezwaar had tegen verkoop van de planten waarop het beslag lag, had zij dit duidelijk aan B&L kenbaar moeten maken. Dit heeft zij echter nagelaten. Dit komt voor rekening en risico van GWI.

B&L heeft zich op het standpunt gesteld dat zij door het beslag niet kon overgaan tot verkoop en levering van de planten en dat toen het beslag was opgeheven (de rechtbank begrijpt: vervallen) het seizoen voorbij was en verkoop niet meer mogelijk was. B&L stelt bij dagvaarding dat de gehele voorraad (de rechtbank begrijpt: de planten waarop beslag was gelegd) had kunnen worden verkocht tegen redelijke prijzen. Vervolgens berekent B&L de schade door uit te gaan van een gemiddelde verkoopprijs van euro 4,95 per plant, hetgeen zij vermenigvuldigt met 19.227 - uitgaande van een percentage verkoopbaar van 90 % van de planten waarop beslag lag -, hetgeen resulteert in een bedrag van euro 95.173,-.

GWI heeft voormelde stellingen van B&L bij conclusie van antwoord gemotiveerd betwist. Zo heeft GWI er onder meer op gewezen dat een onderbouwing van de gestelde verkoopprijs en feiten en omstandigheden op grond waarvan B&L ervan uitgaat dat zij 90 % van bedoelde voorraad kon verkopen, ontbreken. Ter zitting is namens GWI uitvoerig betwist dat bedoelde voorraad ten tijde van het beslag voor verkoop gereed zou zijn.

Namens B&L heeft de heer [] ter zitting verklaard dat er afspraken met verschillende klanten waren om planten te leveren. Ook heeft hij verklaard dat een deel van de planten na het (vervallen van het) beslag alsnog is verkocht.

De rechtbank is van oordeel dat nog daargelaten dat hetgeen ten aanzien van de verkoop in de dagvaarding is gesteld niet overeenkomt met hetgeen van de zijde van B&L ter zitting naar voren is gebracht, het op de weg van B&L lag te concretiseren, zo mogelijk onderbouwd met bescheiden, hoeveel planten tegen welke prijs reeds waren verkocht en welke afspraken er reeds ten aanzien van verkoop en levering van de planten waarop beslag lag, waren. Op die wijze zou de omvang van de schade immers deugdelijk kunnen worden vastgesteld. Nu een onderbouwing echter ontbreekt, moet dit deel van de vordering reeds daarom worden afgewezen. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen.

Daarnaast heeft B&L gesteld dat zij extra arbeidskosten heeft moeten maken doordat zij bedoelde planten niet heeft kunnen verkopen en afleveren. B&L betoogt dat zij deze planten buiten heeft moeten zetten en weer naar binnen heeft moeten halen, dat de teelt buiten moest worden verzorgd en dat in 2008 de planten van onkruid moesten worden ontdaan. Hiervoor rekent B&L 2,5 minuten arbeid per plant, oftewel 2,5 maal 21.364 is 890 uur arbeid tegen een tartief van euro 30,- per uur, hetgeen resulteert in een bedrag van euro 26.700,- aan extra arbeidskosten, aldus B&L. GWI heeft deze schadepost gemotiveerd betwist.

Ter zitting heeft GWI gewezen op de als productie 13 bij dagvaarding overgelegde brief van 4 oktober 2007 waarin door GWI aan B&L is meegedeeld dat de verplaatsing een hele dag in beslag zal nemen. Ter zitting heeft de heer [] verklaard dat na een paar dagen alle planten waren verplaatst. Gelet op vorenstaande tegenstrijdigheden is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet duidelijk om hoeveel uren extra arbeid het gaat, nog daargelaten dat het vorenstaande slechts betrekking heeft op het binnen en buiten zetten van de planten en niet op het verzorgen van de planten en het wieden van onkruid. Ook dit deel van de vordering zal reeds daarom worden afgewezen.

Gelet op al het vorenstaande kan in het midden worden gelaten het antwoord op de vraag of voornoemde schade, schade betreft ten gevolge van het gelegde beslag. Ditzelfde geldt ten aanzien van het antwoord op de vraag of, en zo ja, in welke mate sprake is van eigen schuld dan wel schadebeperking van B&L doordat bedoelde planten vanwege onkruid onverkoopbaar waren geworden. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de verklaring van de heer [] ter zitting dat "de nieuwe plant het beter deed" en dat B&L daarom "de planten waarop beslag lag een beetje hebben laten hangen" omdat "ze daar geen toekomst meer in zagen", in dat kader een factor van betekenis zou zijn.

Verder heeft B&L zich bij dagvaarding op het standpunt gesteld dat sprake is van wanprestatie van GWI doordat zij de afspraak dat B&L gedurende vijf jaren planten geleverd zou krijgen, niet is nagekomen. Evenals GWI die dit gemotiveerd heeft betwist, kan de rechtbank vorenstaand standpunt van B&L zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet volgen. Zo blijkt uit de overgelegde orderbevestiging van 12 oktober 2006 en de daaropvolgende afleverbonnen dat B&L bedoelde planten van Productions geleverd kreeg en derhalve niet van GWI. Voor zover B&L heeft bedoeld haar stellingen te staven met het overleggen van voormeld gespreksverslag van 21 september 2005, faalt dit. In dit verslag staat ten aanzien van het onder 9 voorgestelde "voor 5 jaar contract maken en ondertekenen" immers juist dat er geen contract wordt gemaakt, waarbij in het midden wordt gelaten of dit namens GWI dan wel Productions naar voren is gebracht.

Ter zitting heeft de heer [] namens B&L nog het volgende verklaard:"Het was de bedoeling een aantal planten te ontwikkelen en op de markt te zetten. Wij hebben toen aan de heer [] gevraagd om die planten, te weten de plant waar het beslag op werd gelegd, exclusief te houden voor een periode van vijf jaar.

De heer [] heeft dat mondeling toegezegd, in zijn hoedanigheid van verkoopvertegenwoordiger van de planten". Voor zover hiermee is bedoeld te stellen dat met GWI een afspraak is gemaakt dat gedurende vijf jaar exclusief de betreffende hibiscusplanten geteeld zouden kunnen worden, acht de rechtbank dit onvoldoende onderbouwd met feiten en omstandigheden. Daar komt bij dat in voormeld gespreksverslag onder 4 "niets verkopen aan andere kwekers" juist is vermeld dat - daargelaten of sprake is van GWI dan wel Productions - dit een punt is waar partijen het niet helemaal eens zijn met elkaar. Gelet op al het vorenstaande heeft B&L onvoldoende feiten naar voren gebracht waaruit aannemelijk wordt dat mogelijk schade is geleden vanwege wanprestatie door GWI. Derhalve zal ook dit deel van de vordering worden afgewezen.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten en rente zijn nevenvorderingen die in dit geval het lot van de hoofdvorderingen moeten delen. B&L zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van GWI worden begroot op:

- vast recht 2.780,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punt × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 5.720,00

De beslissing

De rechtbank

wijst het gevorderde af;

veroordeelt B&L in de proceskosten, aan de zijde van GWI tot op heden begroot op

euro 2.780,00 aan verschotten en euro 2.842,00 aan salaris van de advocaat;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op woensdag 19 augustus 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.