Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ5272

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
05-08-2009
Datum publicatie
13-08-2009
Zaaknummer
78949 - HA ZA 05-186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 2: 248 lid 4 BW. Marktontwikkelingen geen belangrijke oorzaak van het faillissement, maar wel grond tot matiging van de vergoedingsplicht van de aansprakelijke bestuurder: 25% is bovenmatig. Geen verdere matiging mogelijk op grond van individuele omstandigheden. Art. 2: 248 lid 4 BW is lex specialis ten opzichte van het algemene art. 6: 109 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2009, 69
NJF 2010, 124
JRV 2009, 833
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

ljs/ma/me

zaak- en rolnummer: 78949 / HA ZA 05-186

datum: 5 augustus 2009

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

Mr. Maria Anna Theresia KLAVER, kantoor houdende te Opmeer,

in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschappen

WINO/FTP VIS B.V. en WINO/FTP BEHEER B.V.,

beide statutair gevestigd en kantoor houdende te Enkhuizen,

eiseres bij dagvaarding van 17 februari 2005,

advocaat mr. R. van der Hooft,

tegen

1. [GEDAAGDE SUB 1],

wonende te Enkhuizen,

2. [GEDAAGDE SUB 2],

wonende te Enkhuizen,

gedaagden,

advocaat mr. H.R.M. Jenné.

Partijen zullen verder worden genoemd "de curator" respectievelijk "[gedaagde sub 1]" en "[gedaagde sub 2]".

1. HET VERDERE VERLOOP VAN HET GEDING

1.1 Op 18 maart 2009 heeft de rechtbank een in deze zaak gewezen tussenvonnis uitgesproken. Voor het verloop van deze procedure tot dan toe verwijst de rechtbank naar hetgeen zij dienaangaande in voormeld vonnis heeft overwogen.

1.2 Ter uitvoering van voornoemd vonnis heeft de curator op 13 mei 2009 een akte genomen en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vervolgens op 10 juni 2009 een antwoordakte.

1.3 Ten slotte is opnieuw vonnis gevraagd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. DE VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL

2.1 In voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat [gedaagde sub 1] hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden in de faillissementen. Vervolgens is overwogen dat over een deel van het onder I gevorderde nog niet kon worden beslist. Het ging om het onderdeel [gedaagde sub 1] te veroordelen om het tekort in de faillissementen aan de curator te voldoen. Daarvoor diende eerst de hoogte van het tekort vast komen te staan.

De curator is in de gelegenheid gesteld het tekort in de faillissementen nader toe te lichten en te onderbouwen.

2.2 Bij akte van 13 mei 2009 heeft de curator verklaard dat op 24 april 2009 in de onderhavige faillissementen een verificatievergadering is gehouden. [gedaagde sub 1] is daarbij in de gelegenheid gesteld om de map met alle ingediende boedelschuldeisers, preferente en concurrente schuldeisers in te zien. Deze map is zonder commentaar weer bij de curator ingeleverd.

Volgens de gegevens van de curator beloopt het totale tekort in het faillissement een bedrag van [euro] 1.451.969,58. Dat bedrag is als volgt opgebouwd:

- boedelschulden [euro] 11.216,48

- preferente schulden [euro] 373.668,55

- concurrente schulden [euro] 1.037.598,30

- door de rechtbank vastgesteld salaris curator

(periode 26 mei 2005 tot en met 19 maart 2009) [euro] 37.852,76

- saldo boedelrekening [euro] 8.366,51 -/-

----------------------------------------------------------

[euro] 1.451.969,58

Laatstgemeld bedrag dient nog te worden verhoogd met het salaris van de curator vanaf 20 maart 2009 tot einde faillissement.

2.3 [gedaagde sub 1] heeft in zijn antwoordakte aangevoerd dat een deel van de vorderingen betrekking heeft op zaken en diensten, die zijn geleverd na het aftreden van [gedaagde sub 1] op 22 januari 2004.

Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] aangevoerd dat de preferente vorderingen grotendeels bestaan uit ambtshalve aanslagen van de belastingdienst, waartegen de curator geen bezwaar heeft gemaakt.

Voor zover een en ander als verweer is aangevoerd, gaat de rechtbank eraan voorbij. In de onderhavige procedure is geen plaats meer voor een inhoudelijke betwisting van de vorderingen.

2.4 Nu de volledige omvang van de schadevergoeding bekend is, komt de rechtbank toe aan het beroep op matiging.

Bij het beroep op matiging door de aansprakelijke bestuurder kunnen slechts de gronden, genoemd in art. 2: 248 lid 4 B.W. in aanmerking worden genomen en dus niet ook die van de algemene regeling bij schadevergoeding, zoals vermeld in art. 6: 109 B.W. In zoverre moet de regeling in art. 2: 248 lid 4 B.W. beschouwd worden als een lex specialis ten opzichte van art. 6: 109 B.W. (ook al is dat laatste artikel later ingevoerd dan het eerste). De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de parlementaire geschiedenis van art. 2: 248 B.W.

Bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel antwoordde de minister op vragen van kamerleden met betrekking tot een verdergaande mogelijkheid het matigingsrecht te individualiseren het volgende:

"Het invoeren van een algemeen individueel matigingsrecht in dat vierde lid staat mijns inziens op gespannen voet met de fundamentele filosofie achter de nieuwe bepalingen, dat het nooit kan gaan om de individuele bestuurder, maar dat het bestuur steeds een collectieve verantwoordelijkheid draagt en een daarop gebaseerde aansprakelijkheid voor het financiële beleid.

Uit die collectieve verantwoordelijkheid voor het financiële beleid vloeit een hoofdelijke aansprakelijkheid voort." (Handelingen Tweede Kamer 1985, p. 6344)

De voorgestelde bepaling is vervolgens ongewijzigd aangenomen.

Voor een verdergaande matiging in verband met de individuele omstandigheden van [gedaagde sub 1] is dus geen plaats. De leeftijd van [gedaagde sub 1] (inmiddels 71 jaar), zijn medische klachten en zijn inkomen (vrijwel uitsluitend AOW) kunnen daarom geen rol spelen bij zijn beroep op matiging.

2.5 [gedaagde sub 1] heeft als onderbouwing van zijn beroep op matiging aangevoerd dat hij na 22 januari 2004 geen enkele bemoeienis meer met de vennootschappen heeft gehad. Dat standpunt wordt verworpen. Hierover heeft de rechtbank in het eerdere tussenvonnis van 25 januari 2006 (onder 4.4) en het laatste tussenvonnis (onder 2.13) al een oordeel gegeven. Wat [gedaagde sub 1] nu in zijn antwoordakte aanvoert, geeft geen aanleiding om van dat oordeel terug te komen.

Daarnaast stelt [gedaagde sub 1] dat zijn aansprakelijkheid geheel berust op een formeel verzuim en dat daarom matiging op zijn plaats is. Dit standpunt van [gedaagde sub 1] is onjuist. Dat reeds het formele verzuim van de te late deponering van de stukken het wettelijk vermoeden oplevert van de onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde sub 1], wil nog niet zeggen dat dat verzuim de enige grond is om onbehoorlijke taakvervulling aan te nemen. Uit het in deze zaak verrichte deskundigenonderzoek volgt het tegendeel. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de oorzaken van het faillissement verband houden met de taakvervulling van de bestuurders. Het bestuur is nalatig geweest in het treffen van maatregelen met betrekking tot de gewijzigde marktomstandigheden. Bovendien is gewezen op het gevoerde financiële beleid, dat te wensen overliet. De rechtbank volstaat verder met een verwijzing naar overweging 2.6 in het tussenvonnis van 2 juli 2008.

[gedaagde sub 1] stelt zich ook op het standpunt dat het bedrag waartoe hij zal worden veroordeeld moet worden verminderd, omdat de curator zijn medebestuurder [naam] niet heeft gedagvaard. Dat [naam] daardoor "vrijuit gaat" druist in tegen het rechtsgevoel van [gedaagde sub 1]. De rechtbank merkt op dat dat rechtsgevoel geen matiging van de vergoedingsplicht rechtvaardigt. Indien ook [naam] in de onderhavige procedure zou zijn aangesproken, dan zou de veroordeling jegens [gedaagde sub 1] niet anders zijn geweest. In dat geval zouden de bestuurders immers beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn geweest.

2.6 De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de gewijzigde marktomstandigheden geen belangrijke oorzaak van het faillissement van het faillissement zijn, maar dat het faillissement te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dat wil echter niet zeggen dat het hele tekort aan dat kennelijk onbehoorlijk bestuur is te wijten. [gedaagde sub 1] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de marktomstandigheden en -ontwikkelingen rondom de aanvoer van vis uit Oost-Europa ook een oorzaak van het faillissement zijn geweest. In die zin houdt de rechtbank er bij het beroep op matiging toch rekening mee en zal beslissen dat 25% van het tekort in het faillissement ten aanzien van [gedaagde sub 1] als bovenmatig voorkomt.

De rechtbank neemt bij het toepassen van de matiging in aanmerking dat niet is gebleken dat [gedaagde sub 1] misbruik heeft gemaakt van de B.V. Evenmin is gebleken van opzettelijke bevoordeling ten koste van de crediteuren van de B.V.

2.7 [gedaagde sub 1] zal, als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten. De gevorderde beslagkosten worden afgewezen, omdat de rechtbank niet is gebleken van een gelegd beslag.

Ten aanzien van [gedaagde sub 2] zal geen afzonderlijke proceskostenveroordeling worden uitgesproken.

3. DE BESLISSING

De rechtbank:

Veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan de curator te betalen 75% van de schulden van beide gefailleerde vennootschappen, voor zover deze schulden niet door vereffening van overige baten kunnen worden voldaan;

Veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot heden begroot op [euro] 315,93 aan verschotten (dagvaarding [euro] 71,93, griffierecht [euro] 244,-) en [euro] 2.938,- aan salaris voor de advocaat;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, voorzitter en mrs. M.E. Allegro en M.C. Eggink, rechters van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 5 augustus 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.