Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ3179

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
104334 - HA ZA 08-650
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil over de eigendom van een strook grond.

Gedaagden stellen op grond van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar te zijn van een strook grond. Deze verweren falen:

Van bezit is geen sprake geweest nu de strook grond met toestemming van de oorspronkelijk eigenaar werd gebruikt en de strook grond niet geleverd is.

Evenmin is sprake geweest van een onrechtmatige toestand waarvan eiser gedurende twintig jaar opheffing had kunnen vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

JR/JS

zaaknummer / rolnummer: 104334 / HA ZA 08-650

datum: 15 juli 2009

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

1.[naam eiser sub 1],

wonende te Schoorl,

2.[naam eiseres sub 2],

wonende te Schoorl,

eisers,

advocaat mr. E.C.W. van der Poel,

tegen

1.[naam gedaagde sub 1],

wonende te Schoorl,

2.[naam gedaagde sub 2],

wonende te Schoorl,

gedaagden,

advocaat mr. J.Th. van Oostrum.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 december 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 26 maart 2009.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Partijen zijn buren. [gedaagden] woont op het perceel [adres 1], kadastraal bekend gemeente Schoorl [nummer 1]. Een deel van de achterzijde van het perceel van [gedaagden] grenst aan een deel van de noordwestelijke zijde van het perceel van [eisers], die woont aan de [adres 2] te Schoorl.

2.2.[gedaagden] heeft het perceel aan de [adres 1] in februari 2005 gekocht van [naam 2] en [naam 3], (hierna te noemen [verkopers]) die het op hun beurt in 1987 hebben gekocht. [eisers] heeft op 10 april 2003 het perceel aan de [adres 2] gekocht, waaronder was begrepen (thans) perceelnummer 3380. Tot zijn overlijden in april 2007 is dit perceel in gebruik gebleven bij de vorige eigenaar, de heer [naam 1].

2.3.Met toestemming van [naam 1] is in 1988 een gedeelte van zijn perceel deel gaan uitmaken van de tuin van [verkopers] aan de [adres 1]. Hierop bevindt zich thans, onder meer, een schuur van [gedaagden]. Dit gedeelte (hierna: de strook) is op de volgende illustratie gearceerd weergegeven:

2.4.Bij brief van 12 februari 2008 heeft [eisers] de beëindiging van het gebruik van de strook door [gedaagden] gevorderd.

3.Het geschil

3.1.[eisers] vordert - samengevat - dat de rechtbank:

I.voor recht verklaart dat de strook in eigendom toebehoort aan [eisers];

II.[gedaagden] veroordeelt om op straffe van een dwangsom van [euro] 1.000,- per overtreding per dag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis geen gebruik te maken van de strook;

III.[gedaagden] veroordeelt om op straffe van een dwangsom van [euro] 1.000, - per overtreding per dag(deel) binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de schuur te verwijderen van de strook;

IV.[gedaagden] veroordeelt om aan [eisers] te betalen een bedrag van [euro] 904,- exclusief BTW voor buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente;

V.met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding

3.2.[gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.[gedaagden] stelt dat de strook aan hem in eigendom toebehoort op grond van onafgebroken bezit te goeder trouw gedurende tien jaren (artikel 3:99 Burgerlijk Wetboek (BW)), dan wel dat [eisers] zijn recht op revindicatie heeft verloren op grond van het verstrijken van een periode van meer dan twintig jaar na de aanvang van het bezit (3:105 BW).

4.2.Vast staat dat [gedaagden] viereneenhalf jaar aan de [adres 1] woont. Voor de vraag of voormelde artikelen het standpunt van [gedaagden] kunnen baten is dus van belang of [verkopers] na de ingebruikname van de strook moest worden aangemerkt als de bezitter of als de houder ervan.

4.3.Of [verkopers] voor zichzelf hield of voor [naam 1], dient naar verkeersopvatting te worden beoordeeld, met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van de uiterlijke feiten (3:108 BW). Volgens [verkopers] - blijkens een zich in het dossier bevindende brief van zijn hand d.d. 7 januari 2008 - was de strook 'met toestemming verkregen' van [naam 1] in ruil voor het op de afvoer van [adres 1] mogen aansluiten van een drainage vanuit het perceel van [naam 1]. Levering van de strook door middel van het opmaken van een notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers is echter niet geschied. Dit betekent dat [naam 1] tot 10 april 2003 eigenaar is gebleven van de strook en dat het door hem feitelijk in gebruik geven van de strook aan [verkopers] deze laatste - gezien de tussen hen bestaande rechtsverhouding - naar verkeersopvatting niet tot bezitter, maar slechts tot houder voor [naam 1] maakte. [verkopers] was ermee bekend, althans moet geacht worden er mee bekend te zijn geweest dat hij geen eigenaar was, omdat de voor verkrijging van onroerend goed vereiste levering niet had plaatsgevonden. Op grond hiervan faalt de stelling van [gedaagden] dat [verkopers] bezitter te goeder trouw van het perceel is geweest. Daarmee faalt ook het door [gedaagden] gedane beroep op verjaring op grond van artikel 3:99 BW, nu tijdens het gebruik door [verkopers] geen van de in die artikelen genoemde verjaringstermijnen zijn verstreken. De verjaringstermijn van 3:99 BW is niet aangevangen omdat [verkopers] zich bij ontbreken van levering redelijkerwijs niet als rechthebbende mocht beschouwen (zie 3:118 BW). Dat [verkopers] de strook ervoer als 'eigen grond' maakt dat bij ontstentenis van de bijbehorende levering niet anders. Of [gedaagden] vanaf februari 2005 kon worden aangemerkt als bezitter van de strook behoeft in dit geding geen beoordeling nu van het verstrijken van de tienjarige verjaringstermijn geen sprake kan zijn.

4.4.Voor het slagen van het beroep dat [gedaagden] doet op het verstrijken van de twintigjarige verjaringstermijn vereisen de van toepassing zijnde artikelen 3:105 BW en 3:314 BW dat sprake is van een onrechtmatige toestand waarvan [eisers], althans zijn rechtsvoorganger, gedurende twintig jaren opheffing had kunnen vorderen. De stellingen van [gedaagden] stuiten af op het ontbreken van een onrechtmatige toestand in de periode van (in ieder geval) 1988 tot 2003. [gedaagden] heeft immers nadrukkelijk betoogd dat aan het gebruik door [verkopers] van de strook een overeenkomst met en derhalve instemming van [naam 1] ten grondslag lag (zie rechtsoverweging 4.3). Van een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van [naam 1] is derhalve (in ieder geval) tot 10 april 2003 geen sprake geweest, evenmin van een aanvang, laat staan van het verstrijken van de twintigjarige verjaringstermijn van de rechtsvordering van [eisers] tot beëindiging van de inbreuk.

4.5.Op grond van het voorgaande staat het [eisers] als eigenaar vrij de strook op te eisen. De vorderingen en de gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen als na te melden, waarbij de rechtbank ambtshalve een maximum aan de dwangsommen zal verbinden.

4.6.De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat onvoldoende is gesteld of gebleken dat kosten zijn gemaakt dan wel (voldoende) werkzaamheden zijn verricht anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een vergoeding plegen in te sluiten.

4.7.[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eisers] worden veroordeeld.

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.verklaart voor recht dat de strook in eigendom toebehoort aan [eisers].

5.2.veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gebruik van de strook te staken, en de daarop aanwezige schuur te verwijderen;

5.3.bepaalt dat [gedaagden] aan [eisers] een dwangsom verbeurt ter grootte van [euro] 200,- voor iedere dag, dat [gedaagden] in strijd handelt met hetgeen waartoe hij onder 5.2. is veroordeeld, tot een maximum van [euro] 10.000,00;

5.4.veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op [euro] 1.107,44 (verschotten: [euro] 85,44 + [euro] 254,00, en salaris advocaat [euro] 768,00), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5.verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2009.