Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ1936

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
07/3068
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn op grond van geloofsovertuiging gescheiden van tafel en bed. Eiseres dient als ongehuwd te worden aangemerkt voor de WWB. Tegenover sociaal rechercheur afgelegde verklaring innerlijk tegenstrijdig. Gezamelijke huishouding? Sprake van zorgbehoefte in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB?

artikelen: artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, artikel 9 EVRM, artikel 26 IVBPR

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 07/3068 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

eiseres,

gemachtigde mr. K.U.J. Hopman,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 19 juli 2007 heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) met ingang van 1 februari 2005 ingetrokken omdat vanaf dat moment sprake is van samenwoning met haar voormalige partner de heer [naam (ex)echtgenoot] (hierna: [naam (ex)echtgenoot]). Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij brief van 7 augustus 2007.

Verweerder heeft bij besluit van 16 oktober 2007 (bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 8 november 2007 beroep ingesteld.

Bij brief van 20 december 2007 heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat verweerder wordt opgedragen de betaling van de bijstandsuitkering te blijven voortzetten. Bij uitspraak van 15 februari 2008 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Het beroep is ter zitting van 9 april 2009 gevoegd behandeld met twee andere beroepen van respectievelijk eiseres en [naam (ex)echtgenoot] tegen de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), bij de rechtbank geregistreerd onder de procedurenummers 08/2236 AOW en 08/2237 AOW.

Ter zitting is eiseres verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. [naam (ex)echtgenoot] is vertegenwoordigd door zijn zonen [zoon1] en [zoon2], bijgestaand door dezelfde gemachtigde als eiseres. Namens verweerder is de gemachtigde R. van Gelder verschenen. In de zaken 08/2236 AOW en 08/2237 AOW is namens de SVB verschenen de gemachtigde mr. K. Verbeek. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres de gelegenheid te geven een uittreksel uit het huwelijksgoederenregister te overleggen.

Bij brief van 21 april 2009 heeft eiseres het uittreksel overgelegd. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een reactie op het ingediende stuk. Partijen hebben vervolgens de rechtbank meegedeeld dat nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. De rechter heeft vanwege op de betrokkenheid van verschillende verweerders en partijen voor het doen van uitspraak de onderscheiden zaken vervolgens weer gesplitst en het onderzoek op 25 mei 2009 gesloten.

Motivering

1. Ter beantwoording staat de vraag of verweerder in redelijkheid de WWB-uitkering van eiseres met ingang van 1 februari 2005 heeft kunnen intrekken.

2. Voor de beoordeling van dit geschil is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college van burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB kan het college – onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand – een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres ontving een pensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een ongehuwde en een aanvullende bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande op grond van de WWB. [naam (ex)echtgenoot] heeft vanaf 1996 in [plaatsnaam2] gewoond bij één van zijn zonen, de heer [z[naam (ex)echtgenoot]. [naam (ex)echtgenoot] lijdt aan verschillende ziektes, waaronder suikerziekte, hartklachten en de ziekte van Alzheimer. Door onder meer het ziektebeeld van [naam (ex)echtgenoot] werd de zoon de zorg voor [naam (ex)echtgenoot] te zwaar. De zoon heeft daarop aan eiseres gevraagd om [naam (ex)echtgenoot] op te vangen.

Eiseres is hierover in augustus 2006 met verweerder in overleg getreden. Verweerder heeft daarop een nader onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van eiseres en [naam (ex)echtgenoot], bestaande uit waarnemingen voor en bij de woning van eiseres in de periode november 2007 tot en met juli 2007, alsmede een verhoor van eiseres en een huisbezoek op 20 juni 2007.

Voorts stelt de rechtbank vast dat ter zitting bij de behandeling van de voorlopige voorziening is gebleken dat eiseres en [naam (ex)echtgenoot] sinds 1990 zijn gescheiden van tafel en bed.

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres vanaf 1 februari 2005 geen recht meer heeft op een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande omdat zij vanaf deze datum een gezamenlijke huishouding voert met [naam (ex)echtgenoot], zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Beide personen blijken aldus verweerder zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Verweerder baseert zijn standpunt op de gedane waarnemingen voor en bij de woning van eiseres vanaf november 2006, de door eiseres afgelegde verklaring en het huisbezoek.

5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij de zorg voor [naam (ex)echtgenoot] op zich heeft genomen omdat zij dat ziet als haar plicht en zij haar kinderen niet met die zorg wil belasten. [naam (ex)echtgenoot] woont pas sinds oktober 2006 bij haar. Zij heeft weliswaar de verklaring van 20 juni 2007 ondertekend waarin staat vermeld dat [naam (ex)echtgenoot] vanaf februari 2005 bij haar woont maar eiseres bestrijdt dat zij dit heeft verklaard. Het verhoor heeft eiseres als verwarrend ervaren. Zij duidde op de situatie ten tijde van haar gesprek met de behandelende medewerker van de gemeente in augustus 2006, die een oude bekende van haar is, terwijl de rapporteurs het kennelijk hadden over de situatie op dat moment. Eiseres heeft een aantal verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat [naam (ex)echtgenoot] in oktober 2006 is verhuisd naar haar woning. Zij moet primair als ongehuwd worden aangemerkt. Zij en [naam (ex)echtgenoot] zijn gescheiden van tafel en bed. De enige reden dat er geen formele echtscheiding is uitgesproken, is dat echtscheiding in strijd is met de geloofsovertuiging van eiseres en [naam (ex)echtgenoot]. Deze overtuiging heeft tot gevolg dat eiseres in casu gediscrimineerd wordt. Subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat indien zij wel als gehuwd moet worden aangemerkt, het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wegens strijd het artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) buiten toepassing moet blijven. In dat geval is de vraag of sprake is van wederzijdse zorg wel relevant. Eiseres meent dat er geen sprake is van wederzijdse zorg maar van éénzijdige hulpbehoevendheid waarbij eiseres mantelzorg aan [naam (ex)echtgenoot] verleent. De hulpbehoevendheid blijkt uit de overgelegde medische verklaringen. Tenslotte blijkt uit de verzamelbrief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 november 2007, Intercom 2007/34524 dat in gevallen van mantelzorg er geacht wordt niet of nauwelijks sprake te zijn van een zodanige verstrengeling tussen de mantelzorgverlener en de chronische zieke, dat die van invloed is op het recht op en de hoogte van de bijstand.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam (ex)echtgenoot] en eiseres in ieder geval vanaf 1 oktober 2006 in één woning, namelijk op het adres [adres] te [plaatsnaam], hun gezamenlijk hoofdverblijf hebben. Voorts is uit de stukken gebleken dat eiseres en [naam (ex)echtgenoot] in het verleden zijn gehuwd. Uit dit huwelijk zijn tien kinderen geboren. Het vonnis van scheiding tafel en bed van 3 mei 1990 is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister.

7.1. Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of eiseres en [naam (ex)echtgenoot] als gehuwd moeten worden aangemerkt. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De regering heeft (bij de invoering van het nieuw Burgerlijk Wetboek) de scheiding van tafel en bed gehandhaafd voor echtgenoten die hun samenleving willen beëindigen en de juridische gevolgen daarvan willen regelen maar om, onder andere, godsdienstige redenen het huwelijk in stand willen houden.

7.2. Door zowel het Europese Hof voor de Rechten van de Mens als door de Europese Commissie is herhaaldelijk overwogen dat niet iedere individuele opvatting of voorkeur een geloof of overtuiging ("religion or belief") is in de zin van artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en geeft de in dit artikel geformuleerde vrijheid een individu niet het recht om op grond van zijn subjectieve opvattingen af te wijken van voor een ieder geldende algemene wettelijke voorschriften.

Voorts valt niet iedere gedraging, ook al is deze gemotiveerd door geloof of overtuiging, onder de term "to manifest...in practice" als bedoeld in artikel 9: er moet sprake zijn van een gedraging waardoor de betrokkene naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking geeft aan zijn godsdienst of overtuiging in de zin van dat artikel.

7.3. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval sprake van een "religion of belief" in de zin van artikel 9 van het EVRM. De scheiding van tafel en bed van eiseres en [naam (ex)echtgenoot] is bij vonnis van 3 mei 1990 uitgesproken en de beschikking is in het huwelijksregister ingeschreven. Als niet weersproken en ook ter zitting door eiseres bevestigt gaat de rechtbank ervan uit dat eiseres en [naam (ex)echtgenoot] uitsluitend vanwege hun geloofsovertuiging niet (officieel) gescheiden zijn in de zin van de artikelen 1:150 - 167 van het Burgerlijk Wetboek. Voorts is gesteld noch gebleken dat eiseres en [naam (ex)echtgenoot], na de scheiding van tafel en bed, niet ieder afzonderlijk hun eigen leven hebben geleid als ware zij niet (formeel) met de ander gehuwd en deze toestand als bestendig werd bedoeld; er heeft ook een verdeling van de boedel plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat eiseres en [naam (ex)echtgenoot] materieel gescheiden zijn en als ongehuwd voor de WWB moeten worden aangemerkt.

8.1. De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder ter zitting 1 februari 2008, tijdens de behandeling van de voorlopige voorziening, zijn standpunt nader gemotiveerd en gewijzigd heeft in die zin dat verweerder meent dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB, zodat een gezamenlijke huishouding aanwezig wordt geacht.

8.2. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in haar uitspraak van 24 april 2008 (vindplaats: www.rechtspraak.nl onder LJN: BD0478) geoordeeld dat het in strijd is met artikel 26 IVBPR om bij toepassing van het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB geen enkele beperkingen in tijd op te leggen. Een voldoende rechtvaardiging voor toepassing van dit rechtsvermoeden acht de CRvB in beginsel aanwezig tot de leeftijd waarop het (jongste) kind 18 jaar oud geworden is.

8.3. In de conclusie van de Advocaat-Generaal (A-G) van de Hoge Raad van 28 januari 2009 (LJN: BH2580) heeft de A-G geconcludeerd dat het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, onderdeel b, van de WWB niet in strijd is met artikel 26 IVBPR. De A-G heeft geconcludeerd dat uitgaande van de wettekst, dat voor toepassing van onderdeel b elk soort relatie volstaat waaruit een kind is geboren, ook de relatie die tussentijds is verbroken, en dat de leeftijd van het kind alsmede zijn eventuele verzorging op het moment van bijstandsverlening er niet toe doen. Naar de opvatting van de A-G is er geen strijd met artikel 26 IVBPR in verband met het onderscheid tussen ex-samenwoners mét en ex-samenwoners zonder kinderen omdat beide situaties verschillend zijn. De A-G concludeert ambtshalve dat in geval onderdeel b niet van toepassing wordt geacht, het rechtsvermoeden in onderdeel a van toepassing is. Hij volgt de uitspraak van de CRvB (van 29 november 2005, LJN: AU7657) waarin is geoordeeld dat de temporele beperking van 2 jaar die geldt voor ex-samenwoners eveneens geldt voor ex-gehuwden (beide onderdeel a) dus niet.

8.4. Nu de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgelaten over de zaak waarin voormelde A-G heeft geconcludeerd, ziet de rechtbank aanleiding de lijn van de CRvB te volgen. Dit betekent dat nu de kinderen van eiseres en [naam (ex)echtgenoot] op 1 februari 2005 allen meerderjarig zijn, zij zelfstandig wonen en niet meer verzorgd worden door eiseres en [naam (ex)echtgenoot], verweerder niet gerechtigd was het bestaan van een gezamenlijke huishouding zonder meer, dat wil zeggen zonder enig onderzoek naar de vraag of sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB aan te nemen.

9.1. Eiseres heeft gesteld dat [naam (ex)echtgenoot] eerst sinds oktober 2006 bij haar woont en heeft daartoe getuigenverklaringen overgelegd.

9.2. Volgens vaste rechtspraak mag in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

9.3.1. Uit de rapportage van de gemeentelijke rapporteur Elling van 26 oktober 2006 blijkt het volgende. [naam werknemer] (werkzaam bij de gemeente) en eiseres zijn oude bekenden van elkaar. Eiseres heeft op 19 augustus 2006 telefonisch contact met [naam werknemer] gehad. Tijdens dit gesprek heeft eiseres verteld dat [naam (ex)echtgenoot] sinds enkele maanden bij haar verbleef omdat er niemand voor hem kon zorgen. Vervolgens heeft eiseres met [naam werknemer] en een collega op 25 augustus 2006 een gesprek gehad. Eiseres heeft tijdens dat gesprek verklaard dat [naam (ex)echtgenoot] in [plaatsnaam2] woont en ingeschreven staat. Hij komt op maandag, dinsdag en woensdag bij haar op bezoek, hij eet mee maar blijft niet overnachten. Geconfronteerd met de gewijzigde versie van haar verhaal heeft eiseres verklaard dat zij [naam werknemer] zo lang niet gesproken had en daardoor in de war was.

9.3.2. Uit het rapport van bevindingen van het Bureau Onderzoek en Bevindingen van de gemeente Alkmaar (ongedateerd) blijkt dat bijzonder onderzoekers waarnemingen hebben verricht voor en bij de woning van eiseres in de periode van 29 november 2006 tot en met 19 juni 2007. De waarnemingen bestonden uit controle of de auto van [naam (ex)echtgenoot] bij de woning van eiseres werd aangetroffen. Voorts hebben de bijzonder onderzoekers op 20 juni 2007 een huisbezoek bij eiseres afgelegd. Eiseres heeft haar slaapkamer getoond en die van [naam (ex)echtgenoot]. In de badkamer waren verschillende verzorgingsproducten voor zowel vrouw als man. Tijdens dit huisbezoek heeft eiseres enerzijds verklaard dat [naam (ex)echtgenoot] drie dagen per week bij haar komt, anderzijds heeft zij verklaard dat [naam (ex)echtgenoot] sinds de winter van 2005 (waarschijnlijk februari) bij haar woont. Eiseres heeft de verklaring ondertekend.

9.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan de door eiseres ondertekende verklaring niet (op voorhand) de betekenis worden toegekend dat [naam (ex)echtgenoot] sinds februari 2005 bij eiseres woont. De verklaring is hierover innerlijk tegenstrijdig. Verweerder heeft weliswaar waarnemingen verricht in en rond de woning van eiseres, echter deze betreffen de periode na oktober 2006 wanneer tussen partijen niet in geschil is dat [naam (ex)echtgenoot] bij eiseres woont. In [plaatsnaam] noch in [plaatsnaam2] is buurtonderzoek verricht en verweerders stelling wordt door geen ander bewijsmateriaal ondersteund. Mede gelet op de door eiseres overgelegde verklaringen, waaruit blijkt dat [naam (ex)echtgenoot] in september/oktober 2006 verhuisd is naar [plaatsnaam], dient verweerder nader onderzoek te verrichten sinds wanneer [naam (ex)echtgenoot] bij eiseres zijn hoofdverblijf heeft.

10. De rechtbank is tenslotte van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft weersproken dat bij [naam (ex)echtgenoot] geen sprake is van zorgbehoefte. De omstandigheid dat verweerder geconstateerd heeft dat [naam (ex)echtgenoot] enkele keren zelfstandig auto heeft gereden, hij zich met de sleutel toegang tot de woning heeft verschaft en domino speelt, zegt niets over zijn zorgbehoefte. Het is de rechtbank ambtshalve, gelet op de procedures over de AOW, bekend dat er sprake is van zorgbehoefte. In die zaken is in opdracht van de SVB door ClientFirst onderzoek gedaan naar de hulpbehoevendheid van [naam (ex)echtgenoot]. In haar rapport van 27 september 2007, dat ook aan deze uitspraak is gehecht, heeft ClientFirst geconcludeerd dat [naam (ex)echtgenoot] is aangewezen op dagelijkse hulp en dat hij (al voor 2006) als hulpbehoevend in de zin van de Algemene Ouderdomswet is te achten. Of er sprake is van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB zal verweerder dan ook nader dienen te onderzoeken. Ten aanzien van de voorwaarden hiervoor verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 17 maart 2009 onder LJN: BH7978.

11. Bovenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en berust op een ondeugdelijke motivering, zodat dit besluit wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

12. De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 2 (1 punt voor het opstellen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1,00 (gewicht van de zaak: gemiddeld). Omdat eiseres procedeert met een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze kosten worden voldaan aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 16 oktober 2007;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Alkmaar eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 39,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten van € 644,00;

- wijst de gemeente Alkmaar aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat de betaling van voornoemde proceskosten aan de griffier van de rechtbank dient te worden gedaan.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2009 door mr. J. Blokland, ¬rechter, in tegen¬woordig¬heid van D.M.M. Luijckx, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak op het beroep kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.