Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BJ1048

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
08/1470
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mantelzorgcompliment. Strikte toepassing van de vereisten dat de zorgvrager de aanvraag om een mantelzorgcompliment mede ondertekent en dat de zorgvrager de betreffende mantelzorger als begunstigde aanwijst leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, nu de zorgvrager inmiddels is overleden. Deze vereisten hadden in dit geval in redelijkheid buiten toepassing gelaten moeten worden. Nu is voldaan aan alle andere vereisten om in aanmerking te kunnen komen voor een mantelzorgcompliment, voorziet de rechtbank zelf in de zaak en kent zij een mantelzorgcompliment toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/1470 WMO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), gevestigd te Amstelveen,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij niet aan de voorwaarden voldoet om een mantelzorgcompliment te ontvangen en dat de aanvraagformulieren haar daarom niet worden toegezonden.

Verweerder heeft de brief van eiseres van 14 november 2007 aangemerkt als voortijdig ingediend bezwaarschrift tegen dit besluit en eiseres daarvan bij brief van 21 maart 2008 in kennis gesteld.

Bij besluit van 8 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 13 maart 2008 gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 mei 2008 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 21 april 2009. Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. J.Y. van den Berg.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Motivering

1. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden de aanvraag van eiseres om een mantelzorgcompliment heeft afgewezen.

2. Voor de beoordeling is de volgende regelgeving met name van belang.

In artikel 1 van het Besluit bekendmaking regels ter uitvoering van het mantelzorg-compliment 2007 (hierna: het Besluit) van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is bepaald dat de SVB bij betaling van de geldelijke waardering aan mantelzorgers de regels toepast zoals die zijn neergelegd in de bijlage bij het Besluit.

Ingevolge artikel 2 van de bijlage bij het Besluit ontvangt een mantelzorger ter waardering van zijn werk een uitkering indien:

a. door het CIZ of het bureau jeugdzorg na 1 april 2007 aan een persoon een indicatie is afgegeven met een geldigheidsduur van ten minste zes maanden voor extramurale zorg in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten,

b. ter gelegenheid van het afgeven van de onder a bedoelde indicatie door het CIZ of het bureau jeugdzorg is aangegeven, dat voor een gedeelte van de geïndiceerde zorg mantelzorg aanwezig zal zijn, en

c. de onder a bedoelde persoon de desbetreffende mantelzorger als begunstigde voor de uitkering heeft aangewezen.

In artikel 3, eerste lid, van de bijlage bij het Besluit is bepaald dat toekenning van een uitkering plaatsvindt door de SVB naar aanleiding van een daartoe door de mantelzorger bij de SVB ingediende aanvraag.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel zendt de SVB een zorgvrager een aanvraagformulier met begeleidende brief.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat de aanvraag door de mantelzorger wordt ingediend uiterlijk drie maanden na de dag waarop het aanvraagformulier aan een zorgvrager is toegezonden of uitgereikt. De aanvraag is medeondertekend door die persoon.

Ingevolge artikel 6 van de bijlage bij het besluit bedraagt de uitkering voor het jaar 2007

€ 250,00.

Ingevolge artikel 8 van de bijlage bij het Besluit kunnen de artikelen 2 en 3, vierde lid, buiten toepassing worden gelaten of kan daarvan worden afgeweken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

3. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de eerste aanvraagformulieren voor een mantelzorgcompliment op 24 augustus 2007 zijn verzonden aan potentieel gerechtigde mantelzorgers. Aan de moeder van eiseres is geen aanvraagformulier verzonden aangezien zij op dat moment reeds was overleden. De brieven van eiseres van 14 november 2007 en 3 december 2007 heeft verweerder alsnog aangemerkt als een aanvraag voor een mantelzorgcompliment. Eiseres kan volgens verweerder niet aan de voorwaarde van medeondertekening door de zorgvrager voldoen zodat zij niet in aanmerking komt voor het ontvangen van een mantelzorgcompliment.

4. Eiseres heeft aangevoerd dat zij aan alle voorwaarden voor het ontvangen van een mantelzorgcompliment over het jaar 2007 voldoet. Zij heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij de enige mantelzorger van haar moeder was, zodat de omstandigheid dat haar moeder haar niet heeft kunnen aanwijzen en de aanvraag niet mede heeft kunnen ondertekenen haar niet kan worden tegengeworpen. Eiseres is dan ook van mening dat in haar geval een uitzondering op de regels moet worden gemaakt. Eiseres heeft 18 jaar voor haar ouders gezorgd en verweerder laat haar nu in de kou staan. Ten slotte heeft eiseres aangegeven dat zij diverse malen onjuist door verweerder is voorgelicht.

5. Uit de toelichting bij het Besluit blijkt dat de SVB het Besluit heeft vastgesteld ter uitvoering van een opdracht van de Staatssecretaris van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om een regeling die uitsluitend nog in concept bestaat - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet werk en bijstand in verband met het verstrekken van een uitkering aan mantelzorgers, kamerstukken 31317 - al in 2007 uit te voeren. De staatssecretaris heeft met haar opdracht beoogd vooruit te lopen op een wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarbij een wettelijke basis zal worden gecreëerd voor de landelijke regeling. Uit het voorgaande volgt dat het Besluit geen wettelijke basis heeft, zodat de in de bijlage bij dit Besluit geformuleerde regels moeten worden gezien als buitenwettelijk begunstigend beleid. Indien daarvan sprake is wordt door de rechtbank in beginsel slechts getoetst of dit beleid op een consistente manier wordt toegepast. Gelet op de omstandigheid dat het onderhavige beleid is vastgesteld in opdracht van de staatssecretaris en dat met dit beleid wordt vooruitgelopen op een wettelijke regeling die destijds in voorbereiding was, ziet de rechtbank wel aanleiding om bij haar beoordeling de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de kamerstukken met betrekking tot de behandeling van bovengenoemd wetsontwerp te betrekken. Zij overweegt verder dat de Wet tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet werk en bijstand in verband met het verstrekken van een uitkering aan mantelzorgers is vastgesteld op 2 april 2009, maar nog niet in werking is getreden.

6. Aan de moeder van eiseres is op 11 juni 2007 een indicatiebesluit afgegeven voor extramurale zorg met als ingangsdatum 1 juni 2007 en als einddatum 1 juli 2009. In het indicatiebesluit is aangegeven dat gedurende 42 uur per week door de dochter van eiseres mantelzorg wordt verleend. Aan de in artikel 2, aanhef en onder a en b, van de bijlage bij het Besluit genoemde vereisten is derhalve voldaan.

7. De moeder van eiseres is op [datum] overleden. Zij heeft eiseres dus niet kunnen aanwijzen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van de bijlage bij het Besluit en heeft evenmin de aanvraag om een mantelzorgcompliment mede kunnen ondertekenen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de bijlage bij het Besluit. Verweerder heeft in verband daarmee de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft echter niet getoetst of er in dit geval aanleiding was om met toepassing van artikel 8 van de bijlage bij het Besluit de artikelen 2 en 3, vierde lid, buiten toepassing te laten. Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

8. De rechtbank zal bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Daartoe bestaat aanleiding indien het besluit inhoudelijk juist is en de beoordeling door de rechtbank tot dezelfde uitkomst leidt.

9. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen aanleiding is om de artikelen 2, aanhef en onder c en 3, vierde lid, van de bijlage bij het Besluit buiten toepassing te laten. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat artikel 8 van de bijlage bij het Besluit niet ziet op gevallen als het onderhavige. De vraag in welke gevallen artikel 8 van de bijlage bij het Besluit moet leiden tot het buiten toepassing laten van eerdergenoemde voorwaarden is door verweerder niet in beleid uitgewerkt. Verweerder heeft ter zitting geen gevallen kunnen noemen waarin sprake zou kunnen zijn van onbillijkheden van overwegende aard.

10. De rechtbank stelt aan de hand van de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel 31317 vast dat het mantelzorgcompliment ertoe strekt de maatschappelijke waardering voor de inzet van mantelzorgers uit te spreken. Uitgangspunten zijn dat een mantelzorger in aanmerking kan komen voor een uitkering wanneer hij of zij iemand verzorgt die beschikt over een (her)indicatie met een geldigheidsduur van tenminste zes maanden en dat per zorgvrager ten hoogste één maal per jaar en voor één mantelzorger een uitkering kan worden verstrekt. In de Memorie van Toelichting is hieromtrent - voor zover hier van belang - aangegeven:

“Uitgangspunt van de ministeriële regeling zal zijn dat de zorgvrager bepaalt of en zo ja, welke mantelzorger in aanmerking komt voor een uitkering. Het is immers mogelijk dat meer personen aan die zorgvrager mantelzorg verlenen. De zorgvrager speelt dus een centrale rol”. In de Nota naar aanleiding van het verslag is op pagina 4 onderaan aangegeven: “het is juist dat zorgvragers vaak meerdere mantelzorgers hebben (…). Het toekennen van een compliment aan alle mantelzorgers is in financiële zin onhaalbaar.” Op pagina 5 is vermeld: “De constatering dat de mantelzorger voor het verkrijgen van de uitkering afhankelijk is van de zorgvrager, is op zich juist. Er is desalniettemin voor deze constructie gekozen omdat het CIZ mantelzorgers niet op naam registreert; het CIZ geeft wel door aan de SVB of er sprake is van mantelzorg maar niet om wie het dan gaat. De SVB is daardoor afhankelijk van anderen verstrekte informatie over hun mantelzorger. (…) De regering wil ook de zorgvrager in de gelegenheid stellen als dank op deze wijze iets terug te doen voor de mantelzorger.”

11. Gelet op het voorgaande strekken de vereisten in artikel 2, aanhef en onder c en

3, vierde lid (voor zover daarin wordt vereist dat de zorgvrager de aanvraag medeondertekent) van de bijlage bij het Besluit er toe dat wordt voorkomen dat per zorgvrager meerdere mantelzorgers voor een mantelzorgcompliment in aanmerking kunnen komen. In het onderhavige geval staat, gelet op de inhoud van het indicatiebesluit en de door eiseres overgelegde stukken, vast dat eiseres de enige mantelzorger van haar moeder was en dat zij op en na 1 juni 2007 - de ingangsdatum van de indicatie - ook daadwerkelijk mantelzorg aan haar moeder heeft verleend. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de moeder van eiseres haar niet zou hebben aangewezen als zij nog had geleefd op het moment dat bekend werd dat een aanvraag om een mantelzorgcompliment kon worden gedaan. Onder die omstandigheden leidt strikte toepassing van de artikelen 2, aanhef en onder c en 3, vierde lid, van de bijlage bij het Besluit naar het oordeel van de rechtbank tot een onbillijkheid van overwegende aard, die verweerder in redelijkheid aanleiding had moeten geven deze artikelen buiten toepassing te laten. De afwijzing van de aanvraag om een mantelzorgcompliment met als argument dat de moeder van eiseres de aanvraag niet mede kan ondertekenen en eiseres niet heeft aangewezen, kan dan ook geen stand houden.

12. Nu niet in geschil is dat aan de overige vereisten in de bijlage bij het Besluit is voldaan, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Zij zal het besluit van 13 maart 2008 herroepen en bepalen dat aan eiseres over 2007 een mantelzorgcompliment ten bedrage van € 250,00 wordt toegekend en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder hoeft dus niet opnieuw op de bezwaren van eiseres te beslissen. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat de omstandigheid dat de moeder van eiseres in juli 2007 is overleden er niet aan in de weg staat dat eiseres in aanmerking komt voor een mantelzorgcompliment over 2007. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a en b, van de bijlage van het Besluit is immers uitsluitend vereist dat aan de zorgvrager na 1 april 2007 een indicatie is afgegeven van tenminste zes maanden voor extramurale zorg en dat bij die gelegenheid is aangegeven dat voor een gedeelte van de geïndiceerde zorg mantelzorg aanwezig zal zijn. Aan die vereisten is voldaan.

13. Het beroep is gegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 13 maart 2008;

- bepaalt dat aan eiseres over 2007 een mantelzorgcompliment ten bedrage van € 250,00 wordt toegekend;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 39,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2009 door mr. M.A.J. Berkers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Horio, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.