Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2009:BI9327

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
09/682 PARKBL
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aangegeven de naheffingsaanslag te zullen vernietigen, maar heeft daartoe geen afzonderlijk besluit genomen. Anders dan lijkt te volgen uit rechtsoverweging 5.5 van het arrest het gerechtshof ’s Gravenhage van 27 februari 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BH7482), ziet de rechtbank geen wettelijk beletsel dat verweerder verhindert om gedurende een beroepsprocedure een dergelijk besluit te nemen. Beroep kennelijk gegrond.

Hoog griffierecht, aangezien beroep is ingesteld anders dan door natuurlijk persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 09/682 PARKBL

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

De vennootschap onder firma [eiser],

gevestigd te [plaats],

eiseres,

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Verweerder heeft eiseres op 9 december 2008 een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 51,80 opgelegd.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 3 februari 2009 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiseres beroep ingesteld bij brief van 5 februari 2009.

Motivering

1. In geschil is of verweerder eiseres de naheffingsaanslag parkeerbelasting mocht opleggen.

2. Verweerder heeft in zijn brief van 3 juni 2009 te kennen gegeven dat nadere bestudering van de stukken aanleiding is om tegemoet te komen aan de beroepsgronden. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting zal worden vernietigd. Een afzonderlijk besluit waarin de naheffingaanslag daadwerkelijk door verweerder is vernietigd, is evenwel niet genomen. Anders dan lijkt te volgen uit rechtsoverweging 5.5 van het arrest het gerechtshof ’s Gravenhage van 27 februari 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-Nummer BH7482), ziet de rechtbank geen wettelijk beletsel dat verweerder verhindert om gedurende een beroepsprocedure een dergelijk besluit te nemen. De rechtbank overweegt in dit verband dat de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onverkort van toepassing zijn op fiscale procedures.

3. Gelet op het feit dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd dient te worden, komt de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2009 reeds daarom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is dan ook gegrond. Voortzetting van het onderzoek is derhalve niet nodig, zodat de rechtbank aanleiding ziet om onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb het onderzoek te sluiten.

4. De rechtbank is van oordeel dat de nieuwe uitspraak op bezwaar niets anders kan inhouden dan herroeping van de opgelegde naheffingsaanslag van 9 december 2008. De rechtbank zal die uitspraak met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf doen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar. Verweerder hoeft dus geen nieuwe uitspraak meer te doen op het bezwaarschrift van eiseres. Het vorenstaande betekent dat verweerder de door eiseres betaalde naheffingsaanslag moet terugbetalen.

5. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Wel moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Verweerder heeft met het oog op het griffierecht opgemerkt dat bij de parkeerbelasting de parkeerder belasting is verschuldigd en dat een belastingplichtige in bezwaar en beroep kan komen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de heer [naam] zich in bezwaar en beroep uitdrukkelijk als de parkeerder afficheerde en derhalve als een natuurlijk persoon. Het feit dat de gemeente, omdat de naheffingsaanslag aanvankelijk niet werd betaald, de kentekenhouder, zijnde eiseres aansprak, moet volgens verweerder worden aangemerkt als tussenstap, die, nadat de heer [naam] als persoon en als parkeerder bezwaar en beroep indiende, werd overruled. Volgens verweerder betaalde de heer [naam] daarmee een te hoog bedrag aan griffierecht.

7. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder niet. Zij wijst er daarbij op dat zowel de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2009 als het duplicaat Aanslagbiljet Naheffingsaanslag Parkeerbelasting van 31 december 2008 zijn gericht aan de vennootschap onder firma [eiser]. Het beroepschrift is afkomstig van het [eiser] en ondertekend door zowel de heer [naam] als[naam1]. Dit geldt ook voor het bezwaarschrift van 31 december 2008. Aan het verzoek om een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te overleggen, waaruit blijkt dat [naam] en mevrouw [naam1] gemachtigd zijn namens het Assurantiekantoor beroep in te stellen, hebben de heer [naam] en mevrouw [naam1] ook voldaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep is ingesteld anders dan door een natuurlijk persoon, zodat eiseres het griffierecht ter hoogte van € 297,00 verschuldigd was. Het feit dat de heer [naam] – in persoon – heeft nagelaten de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen evenals het gegeven dat eiseres heeft gesteld dat de overtreding inzake het parkeren te Amsterdam een privéaangelegenheid betrof, doen hier niet aan af.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 3 februari 2009;

- herroept de naheffingsaanslag van 9 december 2008;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiseres het griffierecht ten bedrage van € 297,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2009 door mr. drs. W.P. van der Haak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Damsteegt, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden - in elk geval de eisende partij - en verweerder verzet doen bij de rechtbank. Verzet wordt gedaan door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (verzetschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de rechtbank Amsterdam, per adres rechtbank Alkmaar, sector Bestuursrecht, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar.

Als u het verzet mondeling op een zitting wilt toelichten, moet u daarom vragen in uw verzetschrift. Op deze zitting gaat het uitsluitend over het door u ingediende verzet en niet over het door u ingediende beroep.